← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2020:187

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Vonnis in de zaak: 1[Appellant 1],

  1. [Appellante 2], beiden wonende in Sint Maarten, hierna te noemen: [Appellanten], oorspronkelijk eisers, thans appellanten, gemachtigde: voorheen E.I. Maduro, thans procederend in persoon, tegen de openbare rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN, zetelend in Sint Maarten, hierna te noemen: Land, oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr. 1Het verloop van de procedure 1.
  2. Voor hetgeen in het vonnis in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met nummer SXM201600401 (voorheen AR109/2016) gewezen en op 22 augustus 2017 en 14 november 2018 uitgesproken vonnissen. De inhoud van die vonnissen geldt als hier ingevoegd. 1.
  3. [ [Appellanten] zijn bij akte van appel op 27 december 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 14 november
  4. In een op 7 februari 2019 ingekomen memorie van grieven hebben zij het appelschrift toegelicht. [Appellanten] hebben geconcludeerd dat het Hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van [Appellanten] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van het Land in de kosten van dit geding in beide instanties de griffierechten inbegrepen, zulks uitvoerbaar bij voorraad. 1.
  5. Het Land heeft op 29 maart 2019 een memorie van antwoord ingediend. 1.
  6. Op 15 april 2019 is de memorie van antwoord betekend aan [Appellanten]. 1.
  7. Op 1 november 2019 delen [Appellanten] mede dat E.I. Maduro niet langer hun belangen behartigt. 1.
  8. Op 15 mei 2020 verzoeken [Appellanten] het Hof tot intrekking van het hoger beroep. 1.
  9. Op 27 mei 2020 verzoekt het Land om een proceskostenvergoeding. 1.
  10. Vonnis is nader bepaald op vandaag. 2Ontvankelijkheid Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellanten] daarin kunnen worden ontvangen. 3De beoordeling 3.
  11. [ [Appellanten] hebben het hoger beroep ingetrokken nadat het Land een memorie van antwoord had ingediend. Het Hof vat deze intrekking op als een eisvermindering tot nihil. 3.
  12. Het Land maakt aanspraak op een kostenveroordeling en [Appellanten] dienen de kosten van het hoger beroep aan de zijde van het Land gevallen te dragen. 4Beslissing Het Hof: - verstaat dat [Appellanten] hun eis in hoger beroep niet langer handhaven; - veroordeelt [Appellanten] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot op NAf 2.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 282,50 aan verschotten. Dit vonnis is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, Th. Veling en J. de Boer, leden van het Hof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2020 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.