← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2020:239

AUA2019H00167 Datum uitspraak: 27 oktober 2020 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 24 juni 2019 in zaak nr. AUA201900224 in het geding tussen: appellante en de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister). Procesverloop Aan appellante is een precariovergunning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Retributie- en legesbesluit Directie Infrastructuur en Planning, onder voorwaarden verleend. Op 4 september 2018 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden waaronder de precariovergunning aan haar is verleend. Op 21 januari 2019 heeft appellante beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door haar gemaakte bezwaar (fictieve afwijzing). Bij uitspraak van 24 juni 2019 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep, na vereenvoudigde behandeling van het beroep in de zin van artikel 32 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. Geen van de partijen heeft desgevraagd binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna het Hof het onderzoek met toepassing van artikel 37, vijfde lid, in verbinding gelezen met artikel 53c, eerste lid, van de Lar, heeft gesloten. Overwegingen Anders dan het Gerecht is het Hof van oordeel dat tegen de hier bestreden vergunningvoorwaarden bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld, zoals appellante ook heeft gedaan. Immers, die voorwaarden vormen een onderdeel van de verleende vergunning van appellante en zijn, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niet gelijk te stellen aan besluiten van algemene strekking (vergelijk r.o. 2.3.1 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL5363). Dat het hier zou gaan om voorwaarden die gelden voor een ieder die om een vergunning als hier aan de orde verzoekt, doet daaraan niet af, want zij binden appellante op grond van deze aan haar gerichte beschikking. Gezien het hiervoor overwogene, heeft het Gerecht het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof zal daarom de uitspraak van het Gerecht vernietigen en de zaak terugwijzen (op de voet van artikel 53d, tweede lid, van de Lar) naar het Gerecht, voor de behandeling van het inhoudelijke geschil. Redelijke toepassing van artikel 52, tweede lid, van de Lar, brengt met zich dat de minister op na te melden wijze in de proceskosten dient te worden veroordeeld. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 24 juni 2019 in zaak nr. AUA201900224; wijst het geding terug naar het Gerecht ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak; stelt de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten vast op een bedrag van Afl. 700,- (zegge: zevenhonderd Arubaanse florijn) en bepaalt dat het Gerecht beslist omtrent de vergoeding van deze kosten; veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten ten bedrage van Afl. 700,- (zegge: zevenhonderd Arubaanse florijn), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; stelt vast dat appellante voor de behandeling van het beroep griffierecht ten bedrage van Afl. 25,- (zegge: vijfentwintig Arubaanse florijn) heeft betaald en bepaalt dat het Gerecht beslist omtrent de vergoeding van deze kosten; gelast dat de minister van Infrastructuur en milieu aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,- (zegge: vijfenzeventig Arubaanse florijn) vergoedt; Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier. w.g. Saleh w.g. Meyer-de Beer Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2020

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.