Uitspraak CUR2019H00305 Datum uitspraak: 22 april 2021 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [Belanghebbende], wonende te Curaçao, appellant in hoger beroep (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (het Gerecht) van 13 juni 2019 in de zaak BBZ nr. CUR201801091 in het geding tussen: belanghebbende en de inspecteur der belastingen zetelend in Curaçao, verweerder in hoger beroep (hierna: de Inspecteur). 1Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 29 september 2017 voor het jaar 2016 een aanslag premie Basisverzekering ziektekosten (BVZ) opgelegd naar een premie-inkomen van NAf 112.301. Het bedrag aan verschuldigde premie BVZ bedraagt NAf 15.273. Na verrekening van ingehouden premie en een voorlopige aanslag resteert een te betalen bedrag van NAf 440. 1.2. Het door belanghebbende daartegen op 28 november 2017 ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 16 februari 2018 afgewezen en de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is op 13 april 2018 tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij het Gerecht. 1.4. Bij de hierboven vermelde uitspraak heeft het Gerecht het beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden 1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 12 augustus 2019, diezelfde dag ter griffie van het Hof ontvangen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht. De Inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. 1.6. Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van het Gerecht ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft. 1.7. Het Hof heeft de zaak ter zitting te Willemstad behandeld op 1 maart 2021, waar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [A]. [B], namens de Inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overhandigd. 1.9. Aan het eind van de zitting is het onderzoek gesloten. 2Feiten 2. Het Hof gaat uit van de navolgende feiten. 2.1. Belanghebbende is ingezetene van Curaçao en geniet in het onderhavige jaar inkomsten uit arbeid. Het belastbaar inkomen over 2016 is conform de aangifte vastgesteld op NAf 81.745. 2.2. Het premie-inkomen is door de Inspecteur vastgesteld op NAf 112.301. Daarbij is het door belanghebbende aangegeven bedrag aan persoonlijke lasten van NAf 24.528 niet in aftrek toegelaten. 3Geschil in hoger beroep 3.1. In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil de maatstaf van de heffing van de BVZ. 3.2. Belanghebbende stelt, onder verwijzing naar artikel 3, vierde lid, van de Landsverordening inkomstenbelasting 1943 (LIB), dat op het door de Inspecteur als premie-inkomen gehanteerde bedrag van NAf 112.301, de persoonlijke lasten ad NAf 24.528 in mindering dienen te worden gebracht, waardoor de aanslag van de premie BVZ op basis een heffingsgrondslag van NAf 87.773 dient te worden vastgesteld. 3.3. De Inspecteur stelt zich, eveneens onder verwijzing naar artikel 3, vierde lid, van de LIB, op het standpunt dat de persoonlijke lasten niet in mindering komen op het premie-inkomen voor de BVZ. 3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op wat zij ter zitting hebben bijgebracht. 3.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht en vaststelling van de aanslag premie BVZ op basis van een heffingsgrondslag van NAf 87.773. 3.6. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht. 4Oordeel van het Gerecht Het Gerecht heeft, voor zover in hoger beroep van belang, onder verwijzing naar de uitspraak van dit Hof van 22 januari 2018 (ECLl:NL:OGHACMB:2018:28) geoordeeld dat de persoonlijke lasten pas aan de orde komen bij de vaststelling van het zuiver inkomen in de zin van artikel 3, derde lid, LIB en dat met 'zuiver genieten van inkomen' in de zin van artikel 3, vierde lid, LIB wordt bedoeld, de inkomsten minus de op die inkomsten drukkende kosten en dat een persoonlijke last pas aan de orde komt bij de bepaling van het zuiver inkomen van artikel 3, derde lid, LIB. De Inspecteur heeft daarom – aldus het Gerecht – met juistheid geen rekening gehouden met het bedrag van NAf 24.528 aan persoonlijke lasten. 5Beoordeling van het geschil 5.1.1. Artikel 6.7, eerste lid, van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (LBVZ) bepaalt dat de inkomensafhankelijke premie wordt geheven naar de maatstaf van het door de verzekerde in een kalenderjaar genoten inkomen. 5.1.2. Artikel 1.1, onder letter o van de LBVZ bepaalt dat onder ‘inkomen’ wordt verstaan: het inkomen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de LIB. 5.2.1. Uit artikel 3, vierde lid, LIB blijkt dat onder ‘inkomen’ moet worden verstaan: het gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige zuiver geniet als ‘opbrengst’ van de volgende bronnen van inkomsten: a. onroerende goederen; b. roerend kapitaal; c. onderneming en arbeid; en d. rechten op periodieke uitkeringen. Bij de berekening van het gezamenlijk bedrag van hetgeen uit deze inkomstenbronnen wordt genoten gaat het om het brutobedrag van de inkomsten. De aftrek van de ter zake van de op die inkomsten drukken kosten en lasten wordt geregeld in artikel 9 LIB. 5.2.2. Ter berekening van het zuiver bedrag dat wordt genoten uit voornoemde bronnen van inkomen dient ingevolge artikel 9 LIB het gezamenlijke bedrag van de ‘opbrengst’ uit voornoemde inkomstenbronnen te worden verminderd met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.