SXM2020H00020 Datum uitspraak: 14 januari 2021 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant] appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 20 december 2019 in zaak nr. SXM201901001, in het geding tussen: appellant, en de minister van Justitie van Sint Maarten (hierna: de minister). Procesverloop Bij beschikking van 11 juli 2019 heeft de minister het verzoek van [appellant] om aan hem een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen met als verblijfsdoel gezinsvorming. Bij uitspraak van 20 december 2019 heeft het Gerecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting via een videoverbinding met Sint Maarten behandeld op 8 december 2020, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Ibrahim, advocaat in Sint Maarten, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat in Sint Maarten, zijn verschenen.[echtgenote van appellant] heeft ook aan de zitting deelgenomen. Overwegingen [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1961 in Jamaica en heeft de Jamaicaanse nationaliteit. Op 4 december 1996 is hij gehuwd met [echtgenote van appellant]. Op 25 september 2018 heeft hij de minister verzocht aan hem een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen met als verblijfsdoel gezinsvorming. Dit verzoek heeft de minister afgewezen omdat de aanvraag niet binnen 1 jaar na de huwelijksvoltrekking is ingediend. Het daartegen ingestelde beroep heeft het Gerecht bij uitspraak van 11 april 2019 gegrond verklaard omdat de minister te kennen had gegeven dat de beschikking niet onverkort kon worden gehandhaafd. Het Gerecht heeft de beschikking vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op de aanvraag te beslissen. Dat heeft de minister bij de beschikking van 11 juli 2019 gedaan. De aanvraag is opnieuw afgewezen om de hiervoor vermelde reden en omdat [echtgenote van appellant] niet over voldoende middelen van bestaan zou beschikken. [appellant] richt zich in hoger beroep uitsluitend tegen het oordeel van het Gerecht, dat [echtgenote van appellant] niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Hij betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de twee aanvullende werkgeversverklaringen niet afkomstig zijn uit een objectief verifieerbare bron. De twee werkgevers hebben hun identiteitsbewijs bij de verklaring overgelegd en zijn bereid de verklaringen onder ede te bevestigen. Verder heeft het Gerecht ten onrechte overwogen dat bewijsnood wegens achterstand bij de belastingdienst niet kan leiden tot een gegrond beroep. Zijn echtgenote heeft nog geen definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2017 van de belastingdienst ontvangen omdat er achterstand is met het verwerken van de aangiften. Tot nu toe zijn alleen de aangiften over de jaren 2015 en 2016 definitief behandeld. Bovendien kan uit de aangifte inkomstenbelasting 2017 van zijn echtgenote al worden opgemaakt dat aan het middelenvereiste werd voldaan omdat de belastingdienst bij een definitieve aanslag uitgaat van de gegevens in de aangifte, aldus [appellant]. 2.1. Op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Landsverordening toelating en uitzetting de vergunning tot tijdelijk verblijf door de minister worden geweigerd indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. Voor de toepassing van deze bepaling hanteert de minister het beleid zoals opgenomen in de richtlijnen van de minister met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012. Blijkens paragraaf 3.7.1 van de richtlijnen geldt bij aanvragen van een echtgeno(o)t(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.