Burgerlijke zaken over 2021 Registratienummers: CUR201804342-CUR2020H00373 Uitspraak: 9 februari 2021 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba BESCHIKKING als bedoeld in artikel 263a Rv in de zaak van: in de zaak van: [Verzoeker], wonende te Curaçao, verzoeker, gemachtigde: mr. B.M. Nagelmakers tegen [Verweerster], wonende te Curaçao, verweerster, gemachtigde: mr. N.B. Louisa. De partijen zullen hierna [Verzoeker] en [Verweerster] worden genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 [ Verzoeker] heeft bij een op 27 november 2019 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) ingekomen verzoekschrift met een productie het Hof verzocht hem vergunning te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen een op 16 november 2020 door het Gerecht gewezen tussenvonnis in een zaak met nummer CUR201804342 tussen [Verweerster] als eiseres en de stichting Sint Elisabeth Hospitaal, [Naam 1] en [Verzoeker] als gedaagden. 1.2 Van de zijde van [Verweerster] is geen verweerschrift ontvangen. 1.3 Bij mailberichten van respectievelijk 14 en 15 december 2020 hebben de gemachtigden van [Verzoeker] en [Verweerster] hun pleitnotities overgelegd. 1.4 Beschikking is bepaald op heden. 2De ontvankelijkheid Blijkens hetgeen hiervoor onder 1.1 is overwogen, is het verzoekschrift tijdig, te weten binnen twee weken na de dag van de uitspraak van het tussenvonnis, ter griffie ingediend. [Verzoeker] kan derhalve worden ontvangen in zijn verzoek. 3De beoordeling 3.1 [ Verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat van zijn kant ernstige en zwaarwegende bezwaren bestaan tegen de door het Gerecht geformuleerde vraagstelling. Hij vreest dat een deskundigenbericht tot stand komt op basis van onjuiste vragen en dat aldus een onjuist vonnis zal worden gewezen. [Verweerster] verzet zich tegen het verlenen van vergunning om tussentijds hoger beroep in te stellen. Zij meent dat de vraagstelling terecht zo ruim mogelijk is geformuleerd. Voorop gesteld wordt dat de beslissing van de rechter om beroep tegen een tussenuitspraak open te stellen aan zijn procesbeleid is overgelaten (zie Hoge Raad, 9 september 2005, NJ 2005/468). Partijen hebben zich in een akte na tussenvonnis kunnen uitlaten over de persoon van de deskundige en de aan hem te stellen vragen. Het Gerecht heeft vervolgens overwogen dat met inachtneming van een en ander (naar het Hof begrijpt: de bezwaren over de wijze van formulering van de vragen) de in het vonnis vermelde vragen aan de deskundige zullen worden voorgelegd. Aan het bezwaar met betrekking tot de verslaglegging in het medisch dossier is het Gerecht gemotiveerd voorbij gegaan. Het Hof is van oordeel dat een snelle en doelmatige procesgang niet vereist dat afzonderlijk hoger beroep tegen het tussenvonnis van 16 november 2020 wordt ingesteld. De verzochte vergunning zal daarom worden geweigerd. 3.2 [ Verzoeker] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [Verweerster] gevallen. 4De beslissing Het Hof: weigert de verzochte vergunning; veroordeelt [Verzoeker] in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van [Verweerster] en tot aan deze beschikking begroot op NAf 2.000,- wegens gemachtigdensalaris. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, Th.G. Lautenbach en O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 9 februari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.