Burgerlijke zaken over 2021 Registratienummers: AUA201903927-AUA2020H00083 Uitspraak: 6 juli 2021 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba BESCHIKKING in de zaak van: [Appellant], wonende te Aruba, in eerste aanleg verweerder, thans appellant, procederend in persoon, tegen [Geïntimeerde], wonende te Aruba, in eerste aanleg verzoekster, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. G.L. Griffith. De partijen zullen hierna de vader en de moeder worden genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Voor de procesgang in eerste aanleg en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar de beschikking van 21 april 2020 in de zaak met nummer AUA201903927 (hierna: de bestreden beschikking). 1.2 Bij een op 8 juni 2020 ingekomen beroepschrift is de vader in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij concludeert in zijn beroepschrift dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van Kock alsnog zal afwijzen althans op een zodanig lager bedrag zal bepalen als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren. 1.3 Op 23 februari 2021 heeft per videoverbinding de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij bevonden de leden van het Hof zich in het gerechtsgebouw te Curaçao en bevonden partijen en de gemachtigde van de moeder zich in het gerechtsgebouw te Aruba. De vader en de gemachtigde van de moeder hebben het woord gevoerd, beiden aan de hand van een pleitnota die zij na de mondelinge behandeling per e-mail aan het Hof hebben toegestuurd, en, evenals de moeder, vragen van het Hof beantwoord. 1.4 Beschikking is gevraagd en bepaald op heden. 2De feiten 2.1 In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door het Gerecht onder 2.1 en 2.2 van de bestreden beschikking vastgestelde, feiten, waartegen niet is gegriefd. 2.2 De thans nog minderjarige [Naam 1] (hierna: de minderjarige) is op [Geboortedatum 1] 2003 in Aruba geboren uit de relatie tussen de vader en de moeder. De minderjarige is erkend door de vader. 2.3 De vader betaalt vanaf de geboorte van de minderjarige maandelijks een bedrag van Afl. 350,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. 3De beoordeling 3.1 Gezien het door de moeder overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof haar toestaan kosteloos te procederen. 3.2 De vader heeft onbestreden gesteld dat hij op 28 april 2020 kennis heeft gekregen van de bestreden beschikking. Gelet op de in die tijd geldende maatregelen in verband met de coronapandemie en het feit dat de gestelde ontvangstdatum niet is betwist, ziet het Hof geen grond daaraan te twijfelen. Daarvan uitgaande heeft hij tijdig hoger beroep ingesteld, zodat hij in zijn beroep kan worden ontvangen. 3.3 In haar inleidend verzoekschrift heeft de moeder het Gerecht onder meer verzocht de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige vast te stellen op Afl. 800,- per maand. Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht dienovereenkomstig beslist met dien verstande dat de gewijzigde bijdrage ingaat vanaf 1 maart 2020 en bij vooruitbetaling aan de Voogdijraad is te voldoen. 3.4 Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat voor de hoogte van de bijdrage de kosten van verzorging en opvoeding (de behoefte) van de minderjarige en de draagkracht van zowel de moeder als de vader bepalend zijn. de kosten van verzorging en opvoeding 3.5 De minderjarige is 17 jaar oud en gaat naar de MAVO. Het Gerecht op Aruba hanteert het uitgangspunt dat in een dergelijk geval sprake is van een behoefte van Afl. 650,= per maand. In dit bedrag zitten begrepen de schoolkosten (schoolboeken en -uniformen en aircobijdrage), de kosten van vrijetijdskleding en die van recreatie. Dit bedrag kan worden verhoogd indien blijkt van bijzondere uitgaven ten behoeve van de minderjarige die niet zijn begrepen in genoemd bedrag van Afl. 650,- per maand. 3.6 Naar het Hof begrijpt stelt de vader dat de maandelijkse kosten van de minderjarige op voormeld bedrag dienen te worden gesteld. De moeder meent dat van een bedrag van Afl. 800,= dient te worden uitgegaan. Het Hof overweegt in dit kader dat het een bedrag van Afl. 650,= als richtbedrag in deze niet onredelijk acht, evenwel kunnen de kosten voor de bijlessen, anders dan die voor het voetbal en de schoolmaterialen, niet in dat maandbedrag begrepen worden geacht. De moeder heeft aangevoerd dat de minderjarige bijlessen volgt als dat noodzakelijk is en dat in 2020 ongeveer dertien bijlessen á Afl. 50,- per keer zijn gevolgd. Dit acht het Hof voldoende aannemelijk omdat de vader zijnerzijds heeft aangevoerd dat hij deze kosten vele malen heeft betaald en hij deze stelling van de moeder overigens niet gemotiveerd heeft weersproken. Het Hof zal daarom rekening houden met de post bijlessen tot een bedrag van (gemiddeld) Afl. 50,- per maand. 3.7 Gelet op het vorenstaande kan de behoefte van de minderjarige worden vastgesteld op Afl. 700,- per maand, waaraan de ouders naar draagkracht en naar evenredigheid moeten bijdragen. de draagkracht van de moeder 3.8 De moeder heeft geen betaald werk en ontvangt een bijstandsuitkering van gemiddeld Afl. 1.030,- per maand. 3.9 Het Hof gaat voorbij aan de stelling van de vader dat de moeder wel werk zou kunnen vinden en eigen inkomsten zou kunnen verwerven, omdat deze stelling onvoldoende concreet is onderbouwd en de moeder dit heeft weersproken. 3.10 Na betwisting door de moeder heeft de vader zijn stelling dat de moeder separaat een bijstandsuitkering van Afl. 300,- per maand ontvangt voor de minderjarige niet onderbouwd en is hij daarop ook niet anderszins ingegaan. Deze uitkering blijkt ook niet uit de door de moeder overgelegde jaaropgaven van de Directie Sociale Zaken. Het Hof passeert daarom deze stelling van de vader. 3.11 De moeder woont met de minderjarige bij haar ouders en betaalt hen naar eigen zeggen Afl. 300,- per maand voor water en elektra. Zij betaalt geen huur. 3.12 De vader heeft aangevoerd dat de ouders van de moeder diverse inkomstenbronnen hebben en vermogend zijn waardoor de vrouw niet hoeft te betalen voor water en elektra en geen levensmiddelen hoeft te kopen. Gelet op het hiervoor onder 3.11 overwogene betwist de moeder dit. Dat de moeder gratis met haar kinderen bij haar ouders verblijft, ligt ook niet zonder meer voor de hand. Het had derhalve op de weg van de vader gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Nu een voldoende onderbouwing van deze stelling van de vader ontbreekt, wordt daaraan voorbijgegaan. Daarbij geldt dat op de grootouders van de minderjarige geen onderhoudsverplichting jegens de minderjarige rust, ook niet indirect via de moeder, en in deze procedure gaat het, na afweging van de draagkracht van de ouders, uitsluitend om de vraag of de vader een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging dient te betalen, en zo ja welke. 3.13 Ten laste van de moeder komt nog een kind uit een andere relatie maar aan de kosten van dat kind wordt bijgedragen door diens vader, zo heeft de vader onbetwist gesteld. 3.14 Uit het bovenstaande volgt dat de draagkracht van de moeder nihil is. de draagkracht van de vader 3.15 Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader onbestreden verklaard dat zijn partner en hij niet langer een gemeenschappelijke huishouding voeren. Daarom zal met de inkomsten en lasten van deze partner geen rekening worden gehouden. 3.16 Het Gerecht heeft vastgesteld dat de vader netto afgerond gemiddeld Afl. 6.114,- netto per maand verdient. Dit bedrag bestaat uit zijn inkomsten uit arbeid en uit de verhuur van een appartement. 3.17 Volgens de vader zijn sedert de bestreden beschikking zijn maandelijkse inkomsten verminderd. Hij heeft aangevoerd dat sedert mei 2020 zijn salaris als ambtenaar met 12,5% is gekort en dat zijn inkomsten uit de verhuur van het appartement zijn verminderd van Afl. 850,- tot Afl. 700,- per maand omdat vanwege een korting op het salaris van de huurder de huursom is verlaagd. 3.18 Het is een feit van algemene bekendheid dat de coronapandemie negatieve gevolgen heeft gehad voor de inkomens van een groot deel van de bevolking, onder wie ambtenaren. Daarom acht het Hof de door de vader gestelde korting op zijn salaris voldoende aannemelijk. De verlaging van de huursom is onderbouwd door de verklaring d.d. 22 februari 2021 van de huurder Robertino Joello Petrocchi, die de vader in het geding heeft gebracht. Daarin verklaart die huurder dat hij vanwege de coronapandemie vanaf eind mei 2020 tot heden een bedrag van Afl. 700,- per maand betaalt ter zake van huur van het appartement. Weliswaar betreft dit een door de vader zelf geaccepteerde vermindering van inkomsten, maar nu de moeder daar niet tegen heeft geageerd, zal het Hof wat betreft de huurinkomsten uitgaan van het laatste bedrag. 3.19 Volgens de vader (akte van 23 februari 2021, randnummer 4 onderaan) bedraagt zijn inkomensvermindering minstens Afl. 381,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.