GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba BESCHIKKING op het verzoek tot schorsing ex artikel 429p lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder Rv) van: [Verzoeker], wonend in Curaçao, hierna te noemen: de vader, oorspronkelijk verzoeker, thans appellant, verzoeker tot schorsing, gemachtigde: mr. B. Lie-Atjam, tegen [Verweerster], wonend in Curaçao, hierna te noemen: de moeder, oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde, verweerster tot schorsing, gemachtigde: mr. M.N. Meyer. 1Het verloop van de procedure 1.1. Bij akte van 29 april 2021, tevens houdende middelen/grieven van hoger beroep, met producties, is de vader in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 18 maart 2021 uitgesproken eindbeschikkingsgedeelte van de deelbeschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht). De beschikking is – voor zover daarin eindbeslissingen zijn genomen - uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 1.2. Bij op 7 mei 2021 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, heeft de vader een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking totdat in de hoofdzaak onherroepelijk is beslist, kosten rechtens. 1.3. Bij per e-mail d.d. 28 mei 2021 ingediend verweerschrift, heeft de moeder geconcludeerd dat het Hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek zal afwijzen. 1.4. Op 4 juni 2021 hebben partijen schriftelijke pleitnotities ingediend. 1.5. Uitspraak is bepaald op vandaag. 2De beoordeling 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit op [datum] 2018 [minderjarige] is geboren. De vader heeft de minderjarige erkend. 2.2. In het dictum van de bestreden beschikking is - voor zover hier van belang - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] bepaald op a. NAf. 250 per maand, ingaande 1 september 2020, in de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen; en b. de helft van de daadwerkelijk gemaakte kosten aan kinderopvang vanaf de datum van de beschikking, telkens te voldoen nadat de moeder de factuur heeft overgelegd, met bepaling dat de vader de achterstallige alimentatie in maandelijkse termijnen van NAf. 125 aan de moeder betaalt, zulks met ingang van 1 april 2021. De beschikking is - als overwogen - uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.3. De vader heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd - kort samengevat en in de kern - dat hij door een tekort aan draagkracht niet in staat is om aan de hiervoor aangehaalde verplichtingen uit de beschikking te voldoen. Verder heeft hij aangevoerd dat de beschikking op het punt van de bijdrage in de kosten voor kinderopvang op een kennelijke misslag berust, omdat het Gerecht daarmee een open norm heeft gecreëerd, met alle gevolgen van dien, zoals dat direct na de beschikking de kosten voor kinderopvang zijn gestegen van NAf. 325 naar NAf. 600 per maand en de moeder aldus ook kan beslissen om NAf. 2.000 voor kinderopvang te betalen, kennelijk om hem te pesten. De vader voert verder aan dat het Gerecht de vader de gelegenheid had moeten bieden om zijn daadwerkelijke draagkracht aan te tonen en niet zomaar een bedrag van NAf. 250 aan kinderalimentatie moeten vaststellen. Hij stelt dat hij – het hof begrijpt - per saldo NAf. 150 per maand aan kinderalimentatie kan betalen. 2.4. Bij de beoordeling van het verzoek dient het volgende in aanmerking te worden genomen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.