BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2021 BESCHIKKING NO. UITSPRAAK: 9 maart 2021 ZAAKNRS: CUR201904131 – CUR2020H00258 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Beschikking in de zaak van: [APPELLANT], wonend in Nederland, in eerste aanleg verzoeker, thans appellant, hierna te noemen: de vader, gemachtigde: mr. A.S.M. Blonk, -tegen- [GEȈNTIMEERDE], wonend in Curaçao, in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde, hierna te noemen: de moeder, procederend in persoon. 1Het verloop van de procedure 1.1 Verwezen wordt naar de op 1 juli 2020 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd. 1.2 De vader is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking door indiening op 12 augustus 2020 van een beroepschrift. 1.3 De moeder heeft geen verweerschrift ingediend. 1.4 Op 19 januari 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, de vader bijgestaan door zijn gemachtigde. Bij die gelegenheid hebben zij hun standpunten nader toegelicht en vragen van het Hof beantwoord. 1.5 Uitspraak is bepaald op heden. 2De gronden van het hoger beroep Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift. 3De beoordeling 3.1 Partijen zijn de ouders van de thans minderjarige kinderen [kind 1] (geboren op [geboortedatum] 2003 te Curaçao), [kind 2] (geboren [geboortedatum] 2006 te Curaçao) en [kind 3] (geboren op [geboortedatum] 2006 te Curaçao) (hierna: de minderjarigen). 3.2 Bij beschikking van het Gerecht van 14 februari 2012 (E 52650/2011) is – voor zover voor deze zaak van belang – de door de vader verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderalimentatie) bepaald op NAf 250,- per kind per maand. 3.3 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het verzoek van de vader tot wijziging van de kinderalimentatie afgewezen. 3.4 In hoger beroep zijn partijen ter terechtzitting het volgende overeengekomen. - de moeder erkent dat de kinderalimentatie tot en met december 2014 is voldaan en voor die periode worden de achterstallige betalingen op nihil gesteld; - de kinderalimentatie vanaf januari 2015 tot en met januari 2021 wordt vastgesteld op NAf 500,- per maand voor de drie minderjarigen tezamen en de achterstallige betalingen worden dienovereenkomstig herberekend; - vanaf 1 februari 2021 zal de vader de kinderalimentatiebeschikking (14 februari 2012 (E 52650/2011)) onverkort nakomen en dus (weer) NAf 250,- per kind per maand gaan betalen. 3.5 Zoals door partijen ter zitting verzocht, zal het Hof een met deze afspraken overeenkomstige beslissing nemen. Het Hof merkt daarbij op dat het een alimentatieverplichting van in totaal NAf 500,- per maand in de periode tot en met januari 2021 in overeenstemming acht met de wettelijke maatstaven. De kosten van het hoger beroep zullen worden gecompenseerd. 3.6 Het Hof wijst ten slotte nog op artikel 1:395a lid 1 en lid 3 BW, die luiden als volgt: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.