SXM2019H00095 Datum uitspraak: 18 januari 2021 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie (hierna: de minister), appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 23 juli 2019 in zaak nr. SXM201801586, in het geding tussen: de naamloze vennootschap NETStar N.V. (hierna: NETStar), en de minister. Procesverloop Bij onderscheiden beschikkingen heeft de minister in totaal 35 facturen ("invoices") aan NETStar gestuurd voor door NETStar verschuldigde vergoedingen (hierna: de primaire beschikkingen). Bij (twee) onderscheiden beschikkingen van 15 november 2018 heeft de minister de door NETStar daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikkingen). Bij uitspraak van 23 juni 2019 (ECLI:NL:OGEAM:2019:88) (hierna: de aangevallen uitspraak) heeft het Gerecht het door NETStar tegen de bestreden beschikkingen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikkingen vernietigd en zelf in de zaak voorzien door ook de primaire beschikkingen te vernietigen. Tegen de aangevallen uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. NETStar heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2019, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. H.S. Kockx, advocaat, en NETStar, vertegenwoordigd door mr. P.P. Soons, advocaat, zijn verschenen. Het Hof heeft het onderzoek heropend. Bij brief van 28 januari 2020 heeft de minister enkele door het Hof gestelde vragen beantwoord, waarop NETStar bij brief van 16 februari 2020 heeft gereageerd. Bij brief van 7 mei 2020 heeft de minister enkele nadere door het Hof gestelde vragen beantwoord, waarop NETStar bij brief van 27 november 2020 heeft gereageerd. Het Hof heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 7 december 2020, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. Kockx, en NETStar, vertegenwoordigd door mr. Soons, zijn verschenen. Overwegingen De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Bij beschikking van 26 mei 2002 heeft de minister aan NETStar een machtiging verleend als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen (hierna: de Ltv), met een geldigheidsduur van vijf jaren, voor het aanleggen, aanwezig hebben en exploiteren van een radio-elektrische zend- en ontvanginrichting voor het verzorgen van vaste draadloze datadiensten op Sint Maarten, onder nadere, in die machtiging genoemde, voorwaarden. Tussen partijen is, althans in de nu voorliggende zaak, niet in geschil dat ervan kan worden uitgegaan dat de geldigheidsduur van de machtiging telkens stilzwijgend met vijf jaren is verlengd. 2.1. In artikel 31, aanhef, tweede lid, aanhef en onder b, van de machtiging is opgenomen dat NETStar is verschuldigd "Een jaarlijkse vergoeding van NAf. 42.000,- gebaseerd op een bandbreedte van 3.5 MHz, werkende in de 3.4 GHz band, in verband met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en het gebruik van de toegewezen frequenties. Bij verhoging van de bandbreedte zal het voornoemd bedrag aangepast worden." Deze vergoeding wordt in de stukken aangeduid als "frequentievergoeding". De minister heeft de primaire beschikkingen en de bestreden beschikkingen op deze bepaling in de machtiging gebaseerd. 3. Op 4 november 2013 (A.B. 2013, 39) is de (ministeriële) Regeling telecommunicatietarieven van 29 oktober 2013 bekendgemaakt (hierna: de Regeling). De Regeling werkt terug tot en met 1 januari 2013. Met ingang van die datum is de Regeling vergoedingen telecommunicatievoorzieningen ingetrokken. 4. Het Gerecht heeft, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 april 2016, zaaknummer Lar 109/2015, overwogen dat artikel 31 van de Ltv geen ruimte biedt voor het heffen van een vergoeding voor het gebruik van frequentieruimte. Artikel 31, eerste lid, van de Ltv biedt slechts basis om in de daarin expliciet omschreven gevallen een vergoeding te heffen, namelijk voor de verlening van machtigingen, voor het verkrijgen van de bevoegdheid tot bediening van radio-elektrische zendinrichtingen, voor keuringen en klachtbehandeling en voor erkenning en ontheffing. Het Gerecht heeft van belang geacht dat uit de wetshistorie niet blijkt dat de bedoeling van de wetgever is geweest om de mogelijkheid te creëren dat bij machtiginghouders ook een niet aan kosten te relateren frequentievergoeding in rekening worden gebracht. Nu een wettelijke grondslag ontbreekt voor het in rekening brengen van een vergoeding voor het gebruik van toegewezen frequentieruimte en de minister op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt hoe het in de machtiging opgenomen bedrag van NAf 42.000,- tot stand is gekomen (hoeveel vergoeding voor gebruik en hoeveel vergoeding voor uitgevoerd toezicht), kan de vergoeding in deze vorm niet door de minister worden geheven. Voor zover er invoices zijn die (wel) gebaseerd zijn op de Regeling, is het beroep hieromtrent eveneens gegrond, omdat de Regeling bij de uitspraak van 4 april 2016 onverbindend is verklaard voor zover deze ziet op het heffen van een vergoeding voor het gebruik van frequentie, aldus het Gerecht. 5. De minister stelt zich in hoger beroep op het nadere standpunt dat niet de machtiging maar de Regeling de (bevoegdheids)grondslag biedt voor het heffen van de frequentievergoeding. Die vergoeding heeft, anders dan het Gerecht veronderstelt, geen betrekking op het mogen gebruiken van de toegewezen frequentieruimte maar uitsluitend op de kosten die zijn gemoeid met het toezicht op het gebruik daarvan. In de uitspraak van het Gerecht van 4 april 2016 en daarmee ook in de aangevallen uitspraak is ten onrechte geoordeeld dat de Regeling onverbindend is. De jaarlijks verschuldigde vergoeding is ook niet het in de machtiging opgenomen bedrag, maar het - lagere - bedrag dat sinds 1 januari 2013 geldt op grond van de bijlagen bij de Regeling. 5.1. NETStar stelt zich, ook in hoger beroep, op het standpunt dat artikel 31 van de Ltv geen (delegatie)grondslag bevat voor het heffen van een vergoeding voor het gebruik van toegewezen frequentieruimte. De Regeling is daarom in zoverre onverbindend. De in de bijlagen bij de Regeling opgenomen bedragen en de wijze van berekening daarvan zijn bovendien niet inzichtelijk gemaakt en daarmee willekeurig, zodat ook om die reden de Regeling onverbindend is. Ook wordt ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen concessiehouders en machtiginghouders zoals NETStar. 6. Het Hof stelt allereerst vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de machtiging geen zelfstandige grondslag voor het heffen van een frequentievergoeding biedt. 6.1. Het Hof overweegt vervolgens dat bij onherroepelijk geworden uitspraak van het Gerecht van 28 juli 2017, zaaknummer Lar 132/2016, is beslist dat over de periodes waarop de (vier) facturen met de nummers 2016/013, 2016/087, 2016/114 en 2016/151 betrekking hebben, geen frequentievergoeding is verschuldigd. Nu de minister niettemin bij onderscheiden primaire beschikkingen diezelfde facturen opnieuw aan NETStar heeft gestuurd, heeft het Gerecht bij de aangevallen uitspraak die facturen terecht vernietigd. 6.2. Het Hof overweegt aansluitend dat uit de brief van 7 mei 2020 blijkt dat de minister de (drie) facturen met de nummers 2016/432, 2016/433 en 2016/434 waarbij telkens (aanvullend) USD 388,95 in rekening is gebracht, niet langer handhaaft. Dat betekent dat het Gerecht bij de aangevallen uitspraak ook deze facturen terecht heeft vernietigd. 6.3. Over de kwestie die partijen verdeeld houdt, overweegt het Hof het volgende. In artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ltv is, voor zover hier van belang, bepaald dat overeenkomstig bij of krachtens landsbesluit te stellen regels een door de minister vast te stellen vergoeding is verschuldigd voor het toezicht op de naleving door de houder van de machtiging van de bij of krachtens deze landsverordening gegeven regels, voorschriften en beperkingen. Deze formulering laat geen ruimte voor het heffen van een vergoeding voor het mogen gebruiken van toegewezen frequenties. De formulering laat echter wel ruimte voor het heffen van een vergoeding voor het toezicht op de naleving van de regels, voorschriften en beperkingen die gelden voor het daadwerkelijke gebruik van toegewezen frequentieruimte. Het Hof heeft de stellige indruk dat de in de machtiging gebruikte zinsnede "een vergoeding (…) in verband met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en het gebruik van de toegewezen frequenties" hier verwarring heeft gewekt. Deze zinsnede zou (ook) zo kunnen worden begrepen dat het gaat om een vergoeding voor (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.