SXM2020H00069 Datum uitspraak: 25 januari 2021 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: 1. appellant sub 1], mede in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordigster van [minderjarige], beiden wonende in [woonplaats], 2. [ appellant sub 2], in zijn hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige], wonende in [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 1 april 2020 in zaak nr. SXM201901092, in het geding tussen: appellanten, en de minister van Justitie van Sint Maarten (hierna: de minister). Procesverloop Bij beschikkingen van 21 februari 2019 heeft de minister de verzoeken van [appellant sub 1] en haar minderjarige dochter om aan hen een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen met als verblijfsdoel gezinsvorming/verblijf bij echtgenoot/verblijf bij ouders afgewezen. Bij beschikking van 20 augustus 2019 heeft de minister het daartegen door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 april 2020 heeft het Gerecht het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting via een videoverbinding met Sint Maarten behandeld op 8 december 2020, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. S. Ibrahim, advocaat in Sint Maarten, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat in Sint Maarten, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant sub 1] is geboren op [geboortedatum] 1972 in Trinidad en Tobago en heeft de Trinidadiaanse nationaliteit. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn op 26 juni 2004 gehuwd en op [geboortedatum] 2014 is in Trinidad en Tobago hun dochter geboren. [appellant sub 1] heeft de minister op 11 januari 2019 verzocht om aan haar en haar dochter een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen met als verblijfsdoel verblijf bij echtgenoot/gezinsvorming/verblijf bij ouders. Dit verzoek heeft de minister afgewezen omdat de aanvraag niet binnen 1 jaar na de huwelijksvoltrekking is ingediend en omdat [appellant sub 2] niet aan het middelenvereiste voldoet. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister op 20 augustus 2019 ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep 2. [ [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestrijden het oordeel van het Gerecht dat er geen sprake is van een duurzaam samenlevingsverband of een duurzame gezamenlijke huishouding. Zij betogen dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de door hen overgelegde kopieën van hun paspoorten onvoldoende zijn om vast te kunnen stellen dat zij elkaar regelmatig hebben opgezocht. Volgens hen blijkt uit de kopieën duidelijk dat [appellant sub 1] regelmatig naar Sint Maarten reist om haar echtgenoot te ontmoeten en dat ook [appellant sub 2] regelmatig naar Trinidad en Tobago afreist. Ook blijkt daaruit dat zij in 2019 samen in Colombia waren omdat [appellant sub 2] daar moest worden geopereerd. Daarnaast betogen zij dat wel met een objectief verifieerbare bron is aangetoond dat [appellant sub 2] aan het middelenvereiste voldoet. [appellant sub 2] heeft immers op basis van diezelfde documenten een vergunning voor onbepaalde tijd verkregen van de minister. Dat die vergunning volgens de minister een duplicaat zou zijn van een eerder afgegeven vergunning, betwisten zij omdat op die vergunning niet staat dat het om een duplicaat gaat. Wettelijk kader 3. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: Ltu) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door de minister worden geweigerd a. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen, b. indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. 3.1. Voor de toepassing van deze bepaling hanteert de minister het beleid zoals opgenomen in de richtlijnen van de minister van Justitie van Sint Maarten met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012. In paragraaf 4.1 staat onder het kopje "Beleid gezinsvorming" dat toelating alleen mogelijk is indien maximaal 1 jaar na het sluiten van het huwelijk een aanvraag tot toelating is ingediend. In paragraaf 4.2 staan de voorwaarden beschreven die bij gezinsvorming gelden. Daar is onder meer als voorwaarde genoemd dat de persoon bij wij toelating aangevraagd wordt, duurzaam en zelfstandig dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. De ratio van dit vereiste is dat daardoor de overheid de zekerheid heeft dat betrokkene niet ten laste zal komen van de openbare kas. Blijkens paragraaf 3.7.1 van de richtlijnen geldt bij aanvragen van een echtgeno(o)t(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.