BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2021 BESCHIKKING NO. UITSPRAAK: 19 oktober 2021 ZAAKNR: CUR202003476 – CUR2021H00053 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Beschikking in de zaak van: [Appellante], wonend in Sint Eustatius, hierna te noemen: de vrouw in eerste aanleg verzoekster, thans appellante, gemachtigde: mr. S.C. Larmonie, -tegen- [Geïntimeerde], wonend in Curaçao, hierna te noemen: de man, in eerste aanleg verweerder, thans geïntimeerde, procederend in persoon. 1Het verloop van de procedure 1.1 Verwezen wordt naar de op 19 januari 2021 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd. 1.2 De vrouw is tijdig in hoger beroep gekomen van die beschikking door indiening op 9 februari 2021 van een beroepschrift. 1.3 Op 7 september 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in Kas di Korte te Curaçao. Daarbij is de vrouw verschenen via een videoverbinding met haar woning, bijgestaan door haar gemachtigde die zich bij het Hof in Kas di Korte bevond, alwaar ook de man in persoon is verschenen. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht en zijn vragen van het Hof beantwoord. 1.4 Uitspraak is bepaald op heden. 2De gronden van het hoger beroep Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift. 3De beoordeling 3.1 Partijen zijn [datum] 2006 op Curaçao binnen algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, genaamd [Naam 1] (Curaçao, [datum] 2009) en [Naam 2] (Curaçao, [datum 2010). Partijen wonen sinds 18 september 2020 niet meer samen. 3.2 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht, voor zover aan hoger beroep onderworpen, het verzoek van de vrouw tot echtscheiding afgewezen en in plaats daarvan de scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken. 3.3 Daartegen richt zich het hoger beroep, met onder meer de stelling dat de man zich aan wangedrag heeft schuldig gemaakt zodanig dat instandhouding van het huwelijk niet van haar kan worden gevergd. De vrouw verzoekt in hoger beroep om alsnog de echtscheiding uit te spreken. 3.4 Het Hof oordeelt als volgt. Artikel 1:150 lid 2 BW bepaalt dat indien uit het huwelijk een of meer kinderen zijn geboren, die nog minderjarig zijn, de echtscheiding op verzoek van één van de echtgenoten niet kan worden uitgesproken tegen de wil van de andere echtgenoot, tenzij de echtgenoten ten minste drie jaren onafgebroken duurzaam gescheiden hebben geleefd. Ingevolge artikel 1:150 lid 3 BW kan de termijn van drie jaren door de rechter worden bekort, indien de andere echtgenoot zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot, die het verzoek heeft gedaan niet kan worden gevergd het huwelijk te laten voortbestaan. De vrouw heeft haar stellingen omtrent het wangedrag van de man niet sterk onderbouwd, bijvoorbeeld met een relaas van bepaalde incidenten en/of overlegging van bescheiden (bijv. psychologische rapporten) waaruit dat kan blijken. Het overgelegde psychologisch verslag (prod. IV in hoger beroep) en de in eerste aanleg overgelegde verklaring psychotherapie van 10 november 2020 van klinisch psycholoog Van Langeveld (ongenummerde productie) kunnen niet als zodanig dienen. Daaruit blijkt niet veel meer dan dat de vrouw zich niet gelukkig voelde in het huwelijk en dat zij een gebrek aan steun van de man ondervond; omtrent wangedrag van de man zegt dit onvoldoende. Verder heeft de man het door de vrouw gestelde wangedrag van hem betwist. Daarop heeft de vrouw haar stellingen onvoldoende (nader) onderbouwd. Aldus ontbreekt de wettelijke mogelijkheid de “wachttijd” voordat tot ontbinding van het huwelijk kan worden overgegaan - die thans nog ongeveer twee jaar beloopt – te bekorten. 3.5 De stelling van de vrouw dat elke kans op verzoening is verkeken, kan aan de bovenstaande conclusie niet afdoen. De wet schrijft de wachttijd nu eenmaal voor zonder dat daaraan een verwachting omtrent het resultaat is verbonden. 3.6 Voor zover de vrouw met haar stelling dat zij wordt belemmerd om te hertrouwen, heeft bedoeld te betogen dat zulks, althans de wachttijd van drie jaar, in strijd is met artikel 12 EVRM overweegt het Hof het volgende. 3.7 Het Hof heeft bij beschikking van 25 oktober 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:135 het volgende overwogen: 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.