AUA2021H00016 Datum uitspraak: 13 oktober 2021 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], verblijvend in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 7 december 2020 in zaak nr. AUA202002168, in het geding tussen: appellante, en de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie (hierna: de minister). Procesverloop Op 16 april 2020 heeft [appellante] bezwaar gemaakt tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op haar verzoek van 17 december 2019 om vergoeding van schade wegens onrechtmatige bewaring. Op 3 september 2020 heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door haar gemaakte bezwaar (hierna: fictieve afwijzende beschikking op bezwaar). Bij uitspraak van 7 december 2020 heeft het Gerecht het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Met toestemming van partijen is een behandeling ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen Artikel 29 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), voor zover hier van belang, luidt:
- Het beroepschrift bevat ten minste:[...]e. een ondertekening door of namens de indiener.
- Geschiedt de indiening door een gemachtigde die niet als advocaat is ingeschreven bij het Hof, dan wordt tevens de machtiging overgelegd. Artikel 31 van de Lar luidt:
- Indien niet is voldaan aan enig bij wettelijk voorschrift gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroepschrift, wordt de indiener binnen een week na de ontvangst daarvan in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen.
- Indien het verzuim niet of niet volledig wordt hersteld, kan het beroepschrift uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van het antwoord van de indiener of na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn, nietontvankelijk worden verklaard.
- Deze beslissing wordt, met redenen omkleed, schriftelijk aan de indiener van het beroepschrift meegedeeld. [Appellante] heeft op 17 december 2019 de minister verzocht om vergoeding van schade wegens onrechtmatige bewaring. Tegen de fictieve afwijzende beschikking op dat verzoek heeft zij op 16 april 2020 bezwaar gemaakt. Tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar heeft de gemachtigde van [appellante] beroep ingesteld. Het Gerecht heeft dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het Gerecht overwogen dat [appellante] bij de indiening van het beroepschrift een machtiging en een kopie van haar paspoort had moeten overleggen omdat haar gemachtigde niet is ingeschreven als advocaat bij Hof. Omdat een kopie van het paspoort ontbrak, is [appellante] in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt, zodat het verzuim niet is hersteld, aldus het Gerecht. In hoger beroep voert [appellante] aan dat aan het Gerecht kenbaar is gemaakt dat het paspoort in het bezit is van het Bureau Vreemdelingentoezicht van Aruba en dat zij daarom geen kopie kan overleggen. Zij heeft haar paspoort nog steeds niet teruggekregen. Volgens haar is het onredelijk om te verwachten dat er documenten worden overgelegd waarover zij buiten haar wil om geen beschikking heeft. Het Gerecht heeft dat ten onrechte niet onderkend. 3.
- Het Hof stelt vast dat het Gerecht bij e-mailbericht van 11 november 2020 aan [appellante] kenbaar heeft gemaakt dat het ingediende beroepschrift niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet omdat er een kopie van het paspoort ontbreekt. Zij is in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 18 november 2020 de ontbrekende stukken in te dienen. Bij emailbericht van diezelfde datum heeft de gemachtigde van [appellante] geantwoord dat het paspoort van [appellante] in het bezit is van de Guarda Nos Costa en dat er daarom niet aan het verzoek kan worden voldaan. Hij wijst erop dat in het beroepschrift een kopie van het asielzoekerscertificaat van de VN-vluchtelingenorganisatie van [appellante] is gevoegd. Het Hof is niet gebleken van een reactie van het Gerecht op deze stelling. Ook in de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht deze stelling onbesproken gelaten. Zonder in te gaan op deze stelling heeft het Gerecht in redelijkheid niet tot het oordeel kunnen komen dat [appellante] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om het verzuim te herstellen en dat het verzuim dus niet is hersteld. Hieruit volgt dat het oordeel van het Gerecht onvoldoende is gemotiveerd.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het Hof zal de zaak terugverwijzen naar het Gerecht ter beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroepschrift met inachtneming van deze uitspraak.
- De minister moet de proceskosten van [appellante] vergoeden. Daarbij wordt een wegingsfactor van 0,25 toegepast. Het Hof stelt de proceskosten vast op een bedrag van Afl. 175,- (voor het indienen van een hogerberoepschrift). Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 7 december 2020 in zaak nr. AUA202002168; III. wijst het geding terug naar het Gerecht in eerste aanleg van Aruba ter verdere beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep en beslissing met inachtneming van deze uitspraak; IV. veroordeelt de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie tot vergoeding van bij [appellante] in verband met het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 175,-, geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand; V. gelast dat de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,- vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier. w.g. Bel voorzitter w.g. Van der Heide griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021.