AUA2021H00118 Datum uitspraak: 13 oktober 2021 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], in de hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige [minderjarige], beiden verblijvend in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 19 april 2021 in zaak nr. AUA202100239, in het geding tussen: appellante en de minister van Sociale Zaken en Arbeid (hierna: de minister) Procesverloop Bij beschikking van 13 juli 2020 heeft de minister een verzoek van [minderjarige] om aan haar een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen met als doel gezinshereniging, afgewezen. Bij beschikking van 9 december 2020 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 april 2021 heeft het Gerecht het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen is een behandeling ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen Artikel 27, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) luidt:"
- De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en gaat in op de dag na die waarop de beslissing op het bezwaarschrift is gedagtekend." Artikel 28 van de Lar, voor zover van belang, luidt:"
- Een beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het is ingediend voordat de termijn is ingegaan of nadat de termijn is verstreken.[...]
- Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt." Bij beschikking op bezwaar van 9 december 2020 heeft de minister het door [appellante] op 22 juli 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het door [appellante] daartegen op 28 januari 2021 ingestelde beroep heeft het Gerecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. In hoger beroep voert [appellante] aan dat de beschikking op 18 december 2020 aangetekend is verzonden en dat de beroepstermijn daarom pas op 19 december 2020 is aangevangen. 3.
- De beschikking op bezwaar is gedagtekend op 9 december
- Derhalve heeft het Gerecht met juistheid overwogen dat de beroepstermijn op 10 december 2020 is aangevangen en zes weken later op 20 januari 2021 is geëindigd. De Lar biedt geen grondslag voor het betoog dat de beroepstermijn pas aanvangt op de dag nadat de beschikking daadwerkelijk is verzonden. De datum van verzending kan pas van belang zijn indien er redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de beschikking binnen de beroepstermijn is ontvangen. Op grond daarvan kan dan worden beoordeeld of de indiener het beroep heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Lar. Daar is in het geval van [appellante] geen aanleiding voor omdat zij de beschikking op bezwaar op 18 december 2020, en dus binnen de beroepstermijn, heeft ontvangen. Het Gerecht is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat haar beroepschrift wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk is. Het betoog slaagt niet.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier. w.g. Bel voorzitter w.g. Van der Heide griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021.