BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2021 UITSPRAAK: 21 december 2021 ZAAKNRS: AUA202001856 – AUA2021H00034 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Beschikking in de zaak van: [appellante], wonend in Aruba, in eerste aanleg verzoekster, thans appellante, gemachtigde: mr. C. Lejuez, -tegen- de stichting STICHTING ZIEKENVERPLEGING ARUBA, gevestigd in Aruba, in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. J.L. Peterson. Partijen zullen hierna (ook) worden aangeduid met [appellante] en SZA. 1Het verloop van de procedure 1.1 Verwezen wordt naar de op 2 februari 2021 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd. 1.2 [ appellante] is van die beschikking (hierna: de bestreden beschikking) in hoger beroep gekomen door indiening door indiening op 15 maart 2021 van een “akte van hoger beroep” en indiening op 19 april 2021 van een “memorie van grieven”, die tezamen door het Hof zijn opgevat als beroepschrift. 1.3 SZA heeft op 15 september 2021 een verweerschrift ingediend. 1.3 Op de daarvoor geplande zitting d.d. 28 september 2021 heeft geen (inhoudelijke) mondelinge behandeling plaatsgevonden, maar is slechts het eerder gedane uitstelverzoek van partijen – dat door de Hofgriffie over het hoofd was gezien – herhaald en alsnog gehonoreerd. Nadien is per e-mail met partijen afgesproken dat de zaak schriftelijk zal worden afgedaan, en is de zaak naar de (digitale) rol van 26 oktober 2021 verwezen voor schriftelijk pleidooi zijdens beide partijen. 1.4 Op de (digitale) rol van 26 oktober 2021 heeft [appellante] een schriftelijk pleidooi tevens wijziging van verzoek (“eis”) ingediend en heeft SZA een pleitnota ingediend. 1.5 Uitspraak is bepaald op heden. 2De gronden van het hoger beroep Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift. 3De beoordeling 3.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten, die als voldoende gemotiveerd gesteld en niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel blijkend uit overgelegde producties, vast staan. 3.1.1 SZA is betrokken bij de exploitatie van het Horacio Oduber Hospitaal (hierna: het ziekenhuis) te Aruba (prod. 1 verzoekschrift). 3.1.2 [ appellante] is op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2010 in dienst getreden van SZA in de functie van medisch secretaresse (prod. 9 verweerschrift EA). Zij was laatstelijk in die functie werkzaam op de afdeling Poli Interne. 3.1.3 In de arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald: “ Artikel 10 Geheimhoudingsplicht De werknemer is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem uit hoofde van zijn functie ter kennis komt. Deze verplichting geldt ook na beëindiging van het dienstverband.” 3.1.4 In een memo van 19 juni 2019 (hierna: de memo) heeft SZA onder meer het volgende aan de medewerkers in het ziekenhuis geschreven (prod. 3 verweerschrift EA): “Het feit dat binnen een elektronisch patiëntendossier (EPD) (medische) gegevens digitaal voor meerdere gebruikers tegelijkertijd beschikbaar zijn (…) schept ook de nodige risico’s voor de privacy van patiënten. Hierbij is sprake van een spanningsveld tussen enerzijds de bevordering van de beschikbaarheid van (medische) gegevens en anderzijds de bescherming van de vertrouwelijkheid van deze gegevens. (…) Toegang tot het EPD Ook conform de Arubaanse versie van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) is toegang tot patiëntengegevens voor zorgverleners alleen toegestaan indien sprake is van een behandelrelatie met de betreffende patiënt. (…) Medewerkers belast met het beheer van het EPD hebben toegang tot dossiers binnen het EPD, echter onder strenge voorwaarden en uitsluitend op ‘need-to-know’ basis. (…) Bij het openen van een specifiek dossier dient iedere gebruiker te bevestigen welke relatie hij/zij heeft met de betreffende patiënt. (…) Indien een gebruiker het recht niet heeft om een specifiek patiëntdossier te openen, omdat er geen sprake is van een behandelrelatie, dan is het niet het systeem dat de toegang tot dat specifieke systeem [opm. Hof: bedoeld zal zijn: dossier] verhindert. De gebruiker zelf moet ervoor zorgen dat hij/zij dat dossier niet opent. Sanctiebeleid (…) Misbruik van (medische) gegevens en/of het EPD wordt beschouwd als een zeer ernstige overtreding waar zware sancties als schorsing of ontslag aan zijn verbonden.” 3.1.5 Bij brief van 23 juni 2020 van SZA aan [appellante] is laatstgenoemde op staande voet ontslagen (prod. 3 verzoekschrift). In de brief wordt, voor zover van belang, het volgende vermeld: “Op maandag 15 juni 2020 heeft er een gesprek met u plaatsgevonden naar aanleiding van een signaal dat is afgegeven bij de clustermanager mevrouw [naam clustermanager], dat er sprake zou zijn van het door u ongeoorloofd openen van patiëntendossiers in het EPD (Elektronisch Patiënten Dossier). (…) Op vrijdag 19 juni 2020 heeft er naar aanleiding van het onderzoek wederhoor met u plaatsgevonden (…). In dit gesprek bent u geconfronteerd met het feit dat u niet alleen heeft gekeken in het digitale dossier van de overleden patiënt maar ook bij andere patiënten die wel en geen encounter hebben met de Poli Interne waaronder een familielid, een partner en moeder van een kennis van u. Uw gedrag als hiervoor omschreven is volstrekt onacceptabel. Hiermee heeft u uw geheimhoudingsplicht geschonden en is het vertrouwen weggenomen dat u zorgvuldig om kan gaan met de gegevens van de patiënten welke door het ziekenhuis gegarandeerd moet worden. (…)” 3.1.6 In een tussen partijen gewezen beschikking d.d. 1 september 2020 (prod. 1 verweerschrift EA) is het door SZA gedane verzoek tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen. Daarin heeft het Gerecht overwogen: “3.4.3 Evenmin leveren voormelde verwijtbare gedragingen van [appellante] al dan niet in onderlinge samenhang gezien en beschouwd in het licht van het langdurige op uitstekende wijze presteren van [appellante] voor SZA als medisch secretaresse een gewichtige reden op in de zin van veranderde omstandigheden die meebrengt dat het dienstverband van haar dadelijk of op korte termijn behoort te eindigen. Dat SZA het vertrouwen in [appellante] als medisch secretaresse volledig heeft verloren is anders dan een beschadigd vertrouwen objectief gezien niet op zijn plaats. Naar het oordeel van het Gerecht had SZA in dat behorende verband kunnen en moeten volstaan met heel veel minder zware sanctie dan het beëindigen van het dienstverband van [appellante], bijvoorbeeld met een schriftelijke aan [appellante] uitgebrachte of nog uit te brengen waarschuwing met daarin een duidelijke omschrijving van het aan haar verweten gedrag, met daarbij vermeld dat een volgend soortgelijk verwijtbaar handelen zal leiden tot ontslag.” 3.1.7 [ appellante] is thans niet meer werkzaam in het ziekenhuis en SZA heeft haar na het ontslag geen loon meer betaald. 3.1.8 Op 21 september 2021 zijn partijen een vaststellingsovereenkomst aangegaan, die is vervat in een proces-verbaal van het Gerecht van 29 september 2021, waarin zij zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst – voor zover die nog bestaat – per 20 september 2021 definitief eindigt (prod. 5 SZA HB). 3.2 Het Gerecht heeft bij de bestreden beschikking het verzoek van [appellante] tot – samengevat – nietigverklaring van het gegeven ontslag op staande voet, wedertewerkstelling en loondoorbetaling afgewezen. 3.3 [ appellante] heeft bij pleidooi in hoger beroep haar oorspronkelijke verzoek – onder verwijzing naar de hiervoor onder rov. 3.1.8 bedoelde vaststellingsovereenkomst – verminderd, in die zin dat zij thans verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: dat het gegeven ontslag op staande voet nietig zal worden verklaard en dat SZA zal worden veroordeeld tot loondoorbetaling zolang het dienstverband niet op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd. Het Hof gaat er daarom van uit dat het hoger beroep zich nog slechts richt tegen de afwijzing van de verzochte nietigverklaring van het ontslag op staande voet en de afwijzing van de verzochte loondoorbetaling, welke loondoorbetaling zou moeten lopen tot 20 september 2021. De verzochte wedertewerkstelling is derhalve in appel niet meer aan de orde. 3.4 Het Hof begrijpt de belangrijkste klacht(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.