Burgerlijke zaken over 2021 Registratienummers: AUA201300131-AUA2017H00263 Uitspraak: 23 februari 2021 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS in de zaak van: [APPELLANT], wonende te Aruba, in eerste aanleg gedaagde, thans appellant, gemachtigde: mr. M.O. Lopez, tegen [GEȈNTIMEERDE], wonende te Aruba, In eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde. gemachtigde: mr. R. Marchena. De partijen zullen hierna [Appellant] en [Geïntimeerde] worden genoemd. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1 Voor het verloop van de procedure tot aan het tussenvonnis van 22 mei 2018 (hierna: het tussenvonnis) wordt naar dat vonnis verwezen. 1.2 De gemachtigde van [Geïntimeerde] heeft bij e-mail van 11 november 2020 producties toegestuurd en de gemachtigde van [Appellant] heeft bij e-mail van 2 december 2020 een productie toegestuurd. 1.3 Op 4 december 2020 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden met behulp van een videoverbinding, waarbij het Hof zich bevond in het gerechtsgebouw op Curaçao en partijen en hun gemachtigden zich bevonden in het gerechtsgebouw op Aruba. Ter zitting heeft de gemachtigde van [Appellant] producties aan de gemachtigde van [Geïntimeerde] overhandigd en deze tezamen met zijn pleitnota na de comparitie per e-mail aan het Hof (en nogmaals aan de gemachtigde van [Geïntimeerde]) toegestuurd. De gemachtigden van beide partijen hebben tijdens de comparitie het woord gevoerd, de gemachtigde van [Appellant] aan de hand van een pleitnota, en, evenals partijen, vragen van het Hof beantwoord. 1.4 [ Geïntimeerde] heeft een akte uitlating producties genomen. 1.5 Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden. 2De feiten 2.1 Voor de feiten waarvan het Hof uitgaat, wordt verwezen naar het tussenvonnis, r.ov. 3.1 en 3.2, welke rechtsoverwegingen met het oog op de leesbaarheid hier worden herhaald: “3.1 Partijen zijn gewezen echtelieden. Bij beschikking van 27 september 2006 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Die beschikking is op 28 november 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 Partijen waren in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort onder meer een erfpachtrecht op een perceel domeingrond plaatselijk bekend Tafelbergweg 21 met daarop gebouwde opstellen, zijnde een dubbel appartement, waarvan er een door [Appellant] wordt bewoond. Het andere appartement is verhuurd (geweest).” 3De verdere beoordeling 3.1 Het Hof volhardt bij de inhoud van het tussenvonnis, behoudens voor zover daarvan in het navolgende uitdrukkelijk wordt afgeweken. 3.2 In zijn vonnis van 1 februari 2017 (hierna: het bestreden vonnis) heeft het Gerecht als volgt beslist: “gelast de verdeling van de door echtscheiding ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen; belastingrestituties, eventuele belastingschulden, eventuele aandelen in nalatenschappen en andere onverdeeldheden aldus dat iedere partij recht op 50% daarvan heeft; deelt eventuele pensioenrechten toe aan de partij die deze heeft opgebouwd onder de verplichting de helft van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende waarde daarvan per verschijnende termijn aan de andere partij te vergoeden; deelt aan [Appellant] toe de volgende zaken: - het recht van erfpacht op het perceel domeingrond, groot 420m², gelegen te San Nicolaas, Aruba, kadastraal bekend als Vierde Afdeling, Sectie G, nummer 212 (4-G-212), met het daarop gebouwde, plaatselijk bekend Tafelbergweg 21, en al hetgeen daartoe verder door aard, natrekking, bestemming of wetsbepaling behoort of zal behoren; - de inboedel die zich in de hiervoor genoemde opstal bevindt; - de auto van het merk Nissan, type pick-up; - de reeds in zijn bezit zijnde kleding, lijflinnen en sierraden; onder de verplichting voor diens rekening te nemen: - de uit de geldlening bij de Banco di Caribe N.V. voortvloeiende verplichtingen; - de overige van de kant van [Appellant] in de gemeenschap vallende schulden; en onder de verplichting aan [Geïntimeerde] binnen 90 dagen na betekening van dit vonnis wegens overbedeling uit te keren een bedrag van Afl. 47.337,50; bepaalt dat de kosten verband houdende met de uitvoering van deze verdeling door partijen ieder voor de helft worden gedragen; bepaalt dat dit vonnis op voet van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [Appellant] indien deze binnen 90 dagen nadat dit vonnis is betekend weigert de benodigde rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn om dit vonnis ten uitvoer te leggen; veroordeelt [Appellant] om aan [Geïntimeerde] te betalen de som van Afl. 17.646,09 ter zake de gebruiksvergoeding voor het pand Tafelbergweg 21 en Afl. 17.875,-- ter zake het aandeel van [Geïntimeerde] in de huuropbrengst van het appartement Tafelbergweg 21, te vermeerderen met Afl. 229,17 per maand vanaf 1 december 2013 respectievelijk Afl. 275,-- vanaf 1 december 2013 tot de dag dat de onroerende zaak geheel op [Appellant] is overgegaan (datum inschrijving in het kadaster); compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders gevorderde af.” 3.3 In het tussenvonnis heeft het Hof reeds overwogen en beslist dat het ontvankelijkheidsverweer zal worden verworpen en dat grief I van [Appellant] faalt. 3.4 Ten aanzien van de verdeling heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 17 april 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZC2631) overwogen: “De rechter die, in een geval waarin de deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vaststelt, dient daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. […]. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt […] bij de vaststelling van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd” 3.5 Grief II heeft betrekking op de wijze van verdeling. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. het recht van erfpacht 3.6 [ Appellant] wenst dat het recht van erfpacht aan hem wordt toegedeeld, welke wens in het bestreden vonnis is gehonoreerd. [Geïntimeerde] wenst geen toedeling aan haar. 3.7 Ingeval van toedeling aan hem zal [Appellant] de helft van de waarde van het recht van erfpacht aan [Geïntimeerde] dienen uit te keren wegens overbedeling. Dat is uitgebreid met partijen besproken tijdens de comparitie van partijen en dat leidde tot de conclusie dat [Appellant] tot betaling althans financiering daarvan niet in staat zal zijn. [Appellant] heeft voorgesteld het desbetreffende bedrag te betalen in de vorm van een langlopende betalingsregeling, maar daarmee hoeft [Geïntimeerde] geen genoegen te nemen en dat voorstel heeft zij ook afgewezen. Tijdens de comparitie is partijen in overweging gegeven te trachten alsnog met elkaar een oplossing te zoeken. Of partijen daartoe stappen hebben gezet en zo ja welke, is het Hof niet bekend. In elk geval hebben partijen het Hof niet bericht dat zij met betrekking tot de toedeling van het recht van erfpacht overeenstemming hebben bereikt, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dat niet het geval is. Nu toedeling aan [Appellant] om financiële redenen niet mogelijk is en [Geïntimeerde] geen toedeling aan haar wenst, zal het recht van erfpacht moeten worden verkocht, waarna partijen gelijkelijk delen in de opbrengst. Dit zal plaatsvinden op de in het dictum bepaalde wijze. 3.8 Met betrekking tot deze beslissing wordt nog het volgende overwogen. Uitgangspunt is dat het Hof, indien slechts een van partijen hoger beroep heeft ingesteld, geen beslissing mag nemen die ongunstiger is voor die appellant dan de beslissing in eerste aanleg was (zgn. verbod van reformatio in peius). Dit uitgangspunt geldt ook in een procedure als de onderhavige die strekt tot de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap (Hoge Raad 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1211). Het verbod van reformatio in peius staat naar het oordeel van het Hof niet in de weg aan de beslissing strekkende tot verkoop van het recht van erfpacht: in het midden kan blijven of [Appellant] daarmee wel slechter af is dan met de toedeling van het recht van erfpacht aan hem, want dat verbod biedt geen bescherming tegen de situatie dat in eerste aanleg een verdeling is gelast die, naar eerst in hoger beroep blijkt, niet praktisch uitvoerbaar blijkt te zijn. 3.9 [ Appellant] zal binnen de termijn van 60 dagen die is opgenomen in het dictum in verband met de verkoop van het recht van erfpacht, het recht van erfpacht alsnog toegedeeld kunnen krijgen, maar dan uitsluitend tegen onmiddellijke en volledige betaling van de helft van de getaxeerde waarde van Afl. 105.000,- (zie hierna in r.ov. 3.29), dus Afl. 52.500,-, aan [Geïntimeerde] plus wat hij verder volgens het dictum aan haar verschuldigd is. Voor het geval het recht van erfpacht niet aldus aan hem zou worden toegedeeld, zal [Appellant] alsnog een bod kunnen doen ingeval het recht van erfpacht te koop wordt aangeboden. de huuropbrengsten 310 Het recht van erfpacht omvat een opstal met twee appartementen. Met betrekking tot de verhuur van het appartement dat [Appellant] niet zelf bewoont, heeft hij verschillende en onderling tegenstrijdige standpunten ingenomen. 3.11 In zijn memorie van grieven heeft [Appellant] aangevoerd dat “het appartement” (naar het Hof begrijpt: het appartement dat hij niet zelf bewoont) sinds november 2006 niet meer wordt verhuurd en geen huuropbrengsten oplevert, zodat het Gerecht ten onrechte heeft geconcludeerd dat het aandeel van [Geïntimeerde] in de huuropbrengst van dat appartement tot 1 december 2013 Afl. 17.875,- bedraagt. 3.12 Namens [Appellant] is bij comparitie nader aangevoerd dat hij ‘bij tijd en wijlen’ het appartement verhuurde, in elk geval van juni 2007 tot juni 2009 aan [Naam 1] en van (op of omstreeks) 19 juni 2010 tot maart 2014 aan [Naam 2]. 3.13 Daarmee bevestigde hij de inhoud van zijn verklaring van 14 november 2012, die in het geding is gebracht door [Geïntimeerde], waarin uitgebreid staat beschreven dat hij het appartement (voor Afl. 600,- per maand) heeft verhuurd aan [Naam 2]. Volgens die verklaring heeft [Appellant] het appartement overigens aan haar verhuurd van 1 januari 2010 tot aan haar vertrek op 4 oktober 2012, en in zoverre wijkt die verklaring dus af van [Appellant]’s memorie van grieven. 3.14 [ Appellant] heeft nagelaten enige stelling van hem met betrekking tot de verhuur te onderbouwen. Huurovereenkomsten, betalingsbewijzen en dergelijke heeft hij niet in het geding gebracht. 3.15 Daarbij komt dat volgens de verklaringen van inschrijving bij de Dienst Burgerlijke Zaken en Bevolkingsregister, die [Geïntimeerde] in het geding heeft gebracht, over de periode van 22 juli 2009 tot “heden” de volgende personen ingeschreven hebben gestaan op het adres Tafelbergweg 21 te Aruba: ingeschreven persoon periode [Naam 1] 22-7-2009/22-9-2010 [Naam 3] 22-7-2009/11-2-2011 [Naam 2] 1-1-2010/4-10-2012 [Naam 4] 19-7-2010/29-12-2011 [Naam 5] 1-9-2010/7-2-2014 [Naam 6] 1-9-2010/26-3-2014 [Naam 2] 19-7-2010/26-3-2014 [Naam 7] 14-10-2011/7-2-2014 [Naam 8] 16-1- 2012/4-8-2017 [Naam 9] 16-1-2012/23-1-2012 [Naam 10] 16-1-2012/‘heden’ [Naam 11] 26-2-2012/21-1-2013 3.16 In reactie daarop heeft [Appellant] het volgende aangevoerd. [Naam 2] heeft met haar vier minderjarige kinderen [Naam 7], [Naam 6], [[Naam 4] en [Naam 5] op of omstreeks 19 juni 2010 haar intrek in het appartement genomen en zij is met deze kinderen in maart 2014 vertrokken. [Naam 8] is in januari 2012 met [Appellant] in het “1ste gedeelte van het huis” – waarmee [Appellant] kennelijk bedoelt: het door hem bewoonde appartement – gaan samenwonen en zij is in oktober 2015 elders gaan wonen en heeft ook haar twee minderjarige kinderen [Naam 10] en [Naam 9] op dat adres ingeschreven. Volgens [Appellant] zijn [Naam 3] en [Naam 11] hem onbekend en hebben zij nooit bij hem gehuurd. 3.17 Het Hof constateert het volgende. De periodes waarin [Naam 2] en haar kinderen op het adres Tafelbergweg 21 ingeschreven hebben gestaan, zijn niet identiek en komen ook niet overeen met de periode waarin [Appellant], naar hij stelt, het appartement aan [Naam 2] heeft verhuurd. Datzelfde geldt mutatis mutandis ten aanzien van [Naam 8] en haar kinderen. [Naam 3] en [Naam 11] hebben, hoewel [Appellant] stelt hen niet te kennen en niet aan hen te hebben verhuurd, wel op voornoemd adres ingeschreven gestaan. Voor dat alles heeft [Appellant] geen verklaring gegeven. 3.18 [ Appellant] heeft niet aangevoerd en evenmin is gebleken dat het appartement onbewoonbaar en/of onverhuurbaar is geweest. 3.19 Op grond van al het bovenstaande gaat het Hof ervan uit dat [Appellant] het appartement vanaf de dag dat [Geïntimeerde] elders is gaan wonen, heeft verhuurd althans heeft kunnen verhuren. 3.20 [ Appellant] heeft het appartement dus in elk geval vanaf juli 2007, toen [Geïntimeerde] de woning heeft verlaten, gedurende ongeveer 18½ jaar, verhuurd althans kunnen verhuren. En hij erkent over de periode juni 2007/juni 2009 Afl. 7.200,- en over de periode juni 2020/maart 2014 Afl. 22.500,- inkomsten uit die verhuur te hebben ontvangen. Mede in het licht van het debat tussen partijen en de overgelegde producties zal het Hof de totale daadwerkelijk door [Appellant] tot op heden genoten huurinkomsten vaststellen op Afl. 40.000,-. Vanaf februari 2021 is [Appellant] een gebruiksvergoeding verschuldigd; zie verder in r.ov 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.