Burgerlijke zaken over 2021 Registratienummers: CUR 201802468 (gezag), CUR201802471 (hoofdverblijfplaats), CUR2020H00254 en CUR2020H00255 Uitspraak: 9 maart 2021 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba B E S C H I K K I N G in de zaak van: [Appellant], wonende in Curaçao, oorspronkelijk verzoeker, thans appellant, hierna te noemen: de man, gemachtigde: mr. M.F. Bonapart, tegen [Geïntimeerde], wonende in Curaçao, oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, gemachtigde: mr. C. van der Slikke. Partijen zijn de ouders van: [minderjarige 1], geboren op [datum] 2010 te Curaçao; [minderjarige 2], geboren op [datum] 2012 te Curaçao, hierna te noemen: de kinderen. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het Hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van 25 juni 2020 met zaaknummers CUR 201802468 en CUR201802471. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd. 1.2 De man heeft bij beroepschrift van 4 augustus 2020, ontvangen per e-mail op dezelfde dag en ter griffie op 6 augustus 2020, hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. De man heeft daarbij geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek om partijen gezamenlijk te belasten met het gezag over de kinderen zal toewijzen en de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man zal bepalen, met bevel aan de vrouw om mee te werken aan de inschrijving van de kinderen in Kranshi op het adres van de man. 1.3 Op 4 februari 2021 heeft de man, onder toezending van een afschrift aan de wederpartij, producties overgelegd. 1.4 Op 9 februari 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen en hun gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd onder overlegging van een pleitnota van de zijde van Henriquez en een verweerschrift van de zijde van [geïntimeerde] en daarnaast vragen van het Hof beantwoord. 1.5 Beschikking is bepaald op heden. 2De beoordeling 2.1 De man heeft in eerste aanleg verzocht om hem samen met de vrouw gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over de kinderen, een omgangsregeling vast te stellen en te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man zullen hebben, kosten rechtens. 2.2 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht bepaald dat aan de vrouw het eenhoofdig gezag toekomt over de kinderen en dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en op dat adres in Kranshi moeten worden ingeschreven. Verder heeft het Gerecht bepaald dat de kinderen om de week van zondag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader zullen verblijven alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, in nader overleg te bepalen. 2.3 Het hoger beroep is tijdig ingesteld en beperkt zich tot de afwijzing van het verzoek om gezamenlijk gezag en de bepaling van de hoofdverblijfplaats bij de man. 2.4 Ingevolge artikel 1:253b BW oefent de moeder vanaf de geboorte van het buiten huwelijk geboren kind het gezag van rechtswege alleen uit. 2.5 Bij de Landsverordening tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van gezamenlijk gezag (Landsverordening gezamenlijk gezag, P.B. 2011, 57) is artikel 1:253c BW gewijzigd in die zin dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter in eerste aanleg kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder niet instemt met het gezamenlijk gezag, wordt het verzoek slechts afgewezen indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt (artikel 1:253c leden 1 en 2 BW). Dit is anders dan in Nederland waar voor afwijzing sprake dient te zijn van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders of afwijzing in het belang van het kind noodzakelijk is (artikel 1:253c lid 2 BW NL). 2.6 In de memorie van toelichting (Staten van de Nederlandse Antillen, zitting 2009-2010, no 3) op de Landsverordening tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van gezamenlijk gezag over minderjarige kinderen (Landsverordening gezamenlijk gezag) is als volgt overwogen: “1. Bij de invoering van Boek 1 van het nieuw Burgerlijke Wetboek in 2001 is ervoor gekozen na echtscheiding het gezamenlijk gezag der ouders over hun minderjarige kinderen in beginsel niet van rechtswege te laten doorlopen zoals in Nederland (…) 2. Op 28 maart 2008 (NJ 2008,189) heeft de Hoge Raad in een Nederlands-Antilliaanse zaak geoordeeld dat dit systeem strijd oplevert met de artikelen 6 en 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Hoge Raad overwoog: “3.5. In zijn beschikking van 27 mei 2005, nrR04/088, NJ 2005,485, heeft de Hoge Raad aangaande een soortgelijke beperking die ligt besloten in artikel 1:252 en 1:253c lid 1 BW overwogen dat de vader aan art. 8 lid 1 EVRM een aanspraak op bescherming van zijn recht op “the exercise of parental rights” ontleent, welk recht tevens is te beschouwen als een burgerlijk recht in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, zodat dit artikellid de vader eveneens het recht op toegang tot de rechter garandeert ter vaststelling van dat recht; voor de in art. 1:252 BW besloten liggende beperking van dat recht op toegang tot de rechter doordat het gezamenlijk gezag slechts door beide ouders kan worden verzocht, bestaat onvoldoende grond; de vader moet ten minste aan de rechter de vraag kunnen voorleggen of grond bestaat tot wijziging van het eenhoofdig gezag van de moeder in gezamenlijk gezag. In zijn beschikking van 15 februari 2008, nr R07/047, NJ 2008,107, betreffende het bepaalde in artikel 1:253o lid 1, laatste volzin, BW, heeft de Hoge Raad vervolgens geoordeeld dat het aan art. 8 lid 1 EVRM ontleende recht van de niet met ouderlijk gezag belaste ouder op “the exercise of parental rights” zich niet verzet tegen de bepaling dat het gezamenlijk gezag slechts door beide ouders kan worden verzocht, maar evenzeer tegen de daaraan ten grondslag liggende regel van materieel recht dat gezamenlijk gezag slechts kan worden toegekend indien beide ouders daarmee instemmen. In overeenstemming met hetgeen in voornoemde beschikkingen is geoordeeld, moet art. 1:251 lid 2 BW aldus worden uitgelegd dat aan toewijzing van een verzoek om na echtscheiding gezamenlijk belast te blijven met de uitoefening van het gezag niet in de weg staat dat het verzoek slechts door een der ouders gedaan is.” 3. Het onderhavige ontwerp strekt ertoe de door de Hoge Raad geconstateerde mensenrechtenschending op te heffen. Het ontwerp kiest ervoor het Nederlandse recht in beginsel te volgen, waarbij tevens deels rekening is gehouden met de Nederlandse wet van 9 oktober 2009 tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 met betrekking tot (..) het verkrijgen van gezamenlijk gezag, Stb. 410 (Kamerstukken 30 145). Bepaald wordt dat na scheiding de ouders in beginsel het gezag blijven uitoefenen (artikel 1:251, tweede lid – nieuw). Slechts bij uitzondering belast de rechter een der ouders met gezag (artikel 1:251a, eerste lid – nieuw). Nadat een der ouders met gezag belast is, kan later, als de situatie veranderd is, de andere ouder alsnog om gezamenlijk gezag verzoek (artikel 1:253o – nieuw). Ook buiten huwelijk kan om gezamenlijk gezag op eensluidend verzoek (van de vader) worden verzocht (artikel 1:253c – nieuw). 4. (..) Het onderhavige ontwerp volgt overigens het Nederlandse voorbeeld niet klakkeloos. Zo heeft de rechter wat meer ruimte dan in Nederland om eenhoofdig gezag na scheiding in te stellen of, als het gaat om een ongehuwde moeder, eenhoofdig gezag in stand te houden, men zie hierna (..) bij artikel 253c, tweede lid. (..) Onderdeel H (artikel 1:253c) 1. Dit artikel betreft de buiten huwelijk geboren kinderen. De moeder heeft van rechtswege het gezag (artikel 1:253b) maar de vader kan - voorwaarde is wel dat hij het kind erkend heeft (HR 12 juni 1987, NJ 1989,98 en HR 9 oktober 1992, 789) - vragen om het eenhoofdig of gezamenlijk gezag (artikel 1:253c). Door de voorgestelde wijziging kan zowel de moeder als de vader (eenzijdig) verzoeken om gezamenlijk gezag; het gaat hier om de situatie dat de ouders het over dat gezamenlijk gezag niet eens zijn, want zijn ze het eens, dan staat de eenvoudiger weg van artikel 1:252 open (aantekening in het gezagsregister). 2. Het criterium voor afwijzing van een verzoek om gezamenlijk gezag (tweede lid) is ontleend aan het voorgestelde artikel 1:251a, eerste lid. Het biedt dus meer ruimte dan wat in Nederland geldt om het verzoek (van de vader) af te wijzen. (..)” 2.7 In de Nota naar aanleiding van het verslag is toegevoegd: “In het kader van de voorbereiding van het onderhavige ontwerp is ook de Voogdijraad geconsulteerd. De vertegenwoordiger van de Voogdijraad heeft hetzelfde standpunt ingenomen als de rechters van het Gemeenschappelijk Hof, te weten dat de rechter hier te lande in beginsel wat meer ruimte behoort te hebben om eenhoofdig gezag in te stellen dan in Nederland. In Nederland geldt als criterium of de problemen tussen de vader en de moeder zodanig ernstig zijn dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.