SXM2022H00009 Datum uitspraak: 23 november 2022 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], verblijvend in Sint Maarten, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 14 december 2021 in zaak nr. SXM202100743, in het geding tussen: appellant en de minister van Justitie van Sint Maarten (hierna: de minister) Procesverloop Bij beschikking van 23 november 2020 heeft de minister het verzoek van [appellant] om een vergunning tot tijdelijk verblijf met als verblijfsdoel gezinsvorming, afgewezen. Bij beschikking van 22 april 2021 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking). Bij uitspraak van 14 december 2021 heeft het Gerecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2022. [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.I. Maduro, rechtsbijstandverlener, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding [appellant] is op [geboortedatum] 1980 geboren in Jamaica en heeft de Jamaicaanse nationaliteit. Op 17 februari 2020 heeft hij de minister verzocht om aan hem een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen met als verblijfsdoel gezinsvorming. Hij beoogt verblijf bij zijn echtgenote [echtgenote]. Dit verzoek heeft de minister afgewezen omdat [appellant] niet heeft aangetoond dat zijn echtgenote over voldoende middelen van bestaan beschikt (hierna: het middelenvereiste). Het daartegen op 7 december 2020 gemaakte bezwaar heeft de minister bij de bestreden beschikking ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft overwogen dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] met de door hem ingebrachte stukken niet voldoende objectief en verifieerbaar heeft aangetoond dat aan het middelenvereiste is voldaan. Van [appellant] mocht worden verlangd dat hij ter staving van het gestelde inkomen van zijn echtgenote stukken uit een objectief verifieerbare bron inbrengt, zoals een aanslag inkomstenbelasting van de belastingdienst. Hoger beroep 3. [ [appellant] betoogt dat hij met de aangifte inkomstenbelasting 2019 van zijn echtgenote voldoende heeft aangetoond dat zij in het jaar 2019 een brutoinkomen van minimaal NAf 24.000,- had. Daarmee beschikt zij dus over voldoende middelen van bestaan. 3.1. Op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door de minister worden geweigerd indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. Voor de toepassing van deze bepaling hanteert de minister het beleid zoals opgenomen in de "Richtlijnen van de minister met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012". Blijkens paragraaf 3.7.1 van de richtlijnen, zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag en de bestreden beschikking, geldt bij aanvragen van een echtgeno(o)t(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.