Burgerlijke zaken over 2022 Registratienummers: BON201800683 – BON2020H00008 Uitspraak: 6 december 2022 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: de naamloze vennootschap BONAIRE-HARBOUR SIDE N.V., gevestigd op Bonaire, in eerste aanleg eiseres, thans appellante, gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas, tegen de naamloze vennootschap WATER- EN ENERGIEBEDRIJF BONAIRE N.V., gevestigd op Bonaire, in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde, gemachtigden: mrs. S.L. Navia Rodriguez en T.L.H. Peeters. Partijen worden hierna BHS en WEB genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij op 25 februari 2020 ingekomen akte van appel is BHS in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 16 januari 2020 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht). 1.2 Bij op 31 maart 2020 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft BHS vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zal toewijzen, met veroordeling van WEB in de proceskosten in beide instanties. 1.3 Bij op 18 mei 2021 ingekomen memorie van antwoord, met een productie, heeft WEB de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van BHS – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in hoger beroep. 1.4 Op 17 november 2020 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. BHS heeft daarbij producties ingediend. Dat waren uitsluitend producties die ook al eerder in het geding gebracht waren. 1.5 Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag. 2De beoordeling 2.1 Het Hof zal geen comparitie van partijen gelasten. BHS had haar wens om in de gelegenheid gesteld te worden haar standpunten mondeling toe te lichten gestalte kunnen geven door mondeling pleidooi te verzoeken. Zij heeft echter een pleitnota ingediend zonder mondeling pleidooi te verzoeken. 2.2 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. 2.2.1 In de jaren zeventig heeft WEB percelen op Bonaire in eigendom verkregen, onder meer een perceel te Kralendijk, kadastraal aangeduid als 4-D-630 (hierna: perceel 630). Op dat perceel heeft zij een transformatorhuisje gebouwd. 2.2.2 Eind jaren tachtig, begin jaren negentig heeft BHS de Harborside Shopping Mall (hierna: de Shopping Mall) laten bouwen te Kralendijk. De Shopping Mall strekt zich over verschillende percelen uit, en bevindt (of bevond) zich onder meer op perceel 630. 2.2.3 In 1988 hebben partijen afspraken gemaakt over de verwijdering van het transformatorhuisje op perceel 630 en over de inrichting van een transformatorruimte in de Shopping Mall op grond van BHS. 2.2.4 Het transformatorhuisje op perceel 630 is afgebroken. Er is een transformatorruimte in de Shopping Mall gerealiseerd. Er zijn leidingen omgelegd en aangesloten op transformatoren van WEB. 2.2.5 In 2008 heeft BHS het bestuurscollege van Bonaire schriftelijk verzocht perceel 630 aan haar te doen overdragen tegen een marktconforme prijs. 2.2.6 In 2012 heeft WEB perceel 630 met het daarop gebouwde verkocht aan J.C. [koper] (hierna: [koper]). Op 19 december 2012 heeft WEB het aan [koper] geleverd. 2.2.7 Eind 2012 of begin 2013 heeft [koper] BHS gesommeerd het perceel te ontruimen. Vervolgens heeft [koper] BHS in rechte betrokken. 2.2.8 Bij brief van 16 augustus 2017 aan WEB heeft een advocaat als gemachtigde van BHS de verjaring van de in die brief omschreven gepretendeerde vorderingsrechten gestuit. In die brief is de aan WEB toerekenbare tekortkoming als volgt omschreven: “Ondanks de verplichting daartoe, heeft WEB, in de hoedanigheid van verkoper, nagelaten bij de eigendomsoverdracht van het perceel op 20 december 2012, melding te maken van de beperkte rechten die op het perceel rusten. Immers, WEB heeft niet enkel een mededelingsplicht naar de koper, maar ook een verplichting tot nakoming van haar verplichting uit de overeenkomst met cliënte. Door niet te voldoen aan voormelde meldingsplicht is WEB tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting jegens cliënte.” 2.2.9 De procedure van [koper] tegen BHS heeft geleid tot een vonnis van dit Hof van 5 juni 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:109. Bij dat vonnis heeft het Hof voor recht verklaard dat [koper] eigenaar is van perceel 630 en BHS bevolen te gehengen en te gedogen dat [koper] het gebouwde op perceel 630 afbreekt met inachtneming van hetgeen nader in het vonnis is bepaald. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. 2.2.10 Sinds eind 2018 gebruikt BHS perceel 630 niet meer. 2.3 In dit geding heeft BHS, verkort weergegeven, schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming gevorderd, op te maken bij staat, en een maandelijkse vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking. Het Gerecht heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht. 2.4 Aan de vordering wegens toerekenbare tekortkoming heeft BHS, verkort weergegeven en naar het Hof begrijpt, het volgende ten grondslag gelegd. In 1988 is tussen WEB en BHS het volgende overeengekomen: - BHS zou faciliteren dat WEB een transformatorruimte (substation) in de Shopping Mall zou inrichten; - BHS zou de kosten van de bouw van de transformatorruimte en de daarvoor benodigde omlegging van leidingen voor haar rekening nemen; - in ruil daarvoor verkreeg BHS (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.