AUA2021H00207 Datum uitspraak: 9 maart 2022 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellante], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster [minderjarige], beiden verblijvend in [verblijfplaats], appellante, tegen de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 4 oktober 2021 in het geding tussen: appellante en de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie (hierna: de minister) Procesverloop Bij beschikking van 29 september 2021 heeft de minister, ter verzekering van de uitzetting van [minderjarige], de inbewaringstelling van [minderjarige] bevolen. Bij beslissing van 4 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris de inbewaringstelling van [minderjarige] rechtmatig geacht. Tegen deze beslissing heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Met toestemming van partijen is een behandeling ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen Artikel 16, derde lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) luidt:"De betrokkene wordt binnen 72 uur voor een rechter-commissaris geleid die de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming toetst. Een bevel tot inbewaringstelling kan door de rechter-commissaris te allen tijde op verzoek van de betrokkene worden opgeheven." Artikel 53a van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) luidt:"Tegen een uitspraak van het Gerecht inzake beroep tegen een beschikking op een bezwaarschrift staat hoger beroep open bij het Hof." Bij de beschikking van 29 september 2021 heeft de minister de uitzetting van [minderjarige] bevolen, hem een periode van niet toelating opgelegd voor de duur van 96 maanden, en bevolen dat hij in bewaring wordt gesteld ter verzekering van zijn uitzetting. De rechter-commissaris heeft de bewaring van [minderjarige] rechtmatig geacht omdat niet is gebleken van zwaarwegende belangen die maken dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een minder ingrijpende maatregel. Zo is [minderjarige] samen met een andere minderjarige afgezonderd van de meerderjarige vreemdelingen zodat er geen verdragsrechtelijke bepaling is geschonden. Ook heeft [appellante] zich bij de Venezolaanse ambassade gemeld zodat de verwachting is dat de formaliteiten rondom de uitzetting binnen redelijke tijd kunnen worden afgehandeld, aldus de rechtercommissaris. Tegen deze beslissing heeft [minderjarige] hoger beroep ingesteld. [Appellante] betoogt dat er grond is voor doorbreking van het appèlverbod omdat de rechter-commissaris de bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind buiten toepassing heeft gelaten. Het belang van de minderjarige [minderjarige] is in strijd met dat Verdrag nooit een eerste overweging geweest. Daarnaast is er ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat [minderjarige] om internationale bescherming wilde verzoeken. 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.