Burgerlijke zaken over 2022 Vonnis no.: Registratienummers: CUR201400453 – CUR2019H00152 Uitspraak: 22 maart 2022 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van [Appellant], wonende in Curaçao, hierna: de vrouw, in eerste aanleg eiseres, thans appellante, gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer, tegen [Geïntimeerde], wonende in Curaçao, hierna: de man, in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde, gemachtigde: bij diens leven: mr. A.W.P. Eustatius, thans zonder gemachtigde. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1 Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis waarbij het de zaak heeft verwezen naar de rol voor gelijktijdige akte. 1.2 Op 29 juni 2021 hebben partijen ieder een akte met producties genomen, op 19 oktober 2021, gevolgd door antwoordaktes. 1.3 Vonnis is nader bepaald op vandaag. 2De verdere beoordeling 2.1 Bij het tussenvonnis heeft het Hof partijen gevraagd om nadere informatie. Mede op basis van de – niet steeds volledige of voldoende toegelichte – gegevens die partijen vervolgens hebben verschaft wordt thans als volgt beslist. 2.2 Voor zover de schulden waarover partijen in appel nog strijden betrekking hebben op door de vennootschap verschuldigde sociale premies en belastingen gaat het om schulden die niet tot de huwelijksgoederengemeenschap zijn gaan behoren, maar tot het afgescheiden vermogen van de rechtspersoon. Dat ligt anders voor een eventuele vordering uit hoofde van de persoonlijke aansprakelijkheid voor die schulden van de vrouw als bestuurder van de vennootschap. Die vordering behoort, wanneer de aansprakelijkstelling vóór 11 mei 2011 is uitgebracht, wel tot de te verdelen gemeenschap. Eventuele betalingen door de man of derden op de schulden van de vennootschap zijn voor de verdeling dan ook slechts relevant voor zover de betalingen die aansprakelijkheid van de vrouw hebben verminderd. De vrouw heeft onbestreden gesteld dat zij (naar het Hof begrijpt: reeds tijdens het huwelijk) als bestuurder aansprakelijk is gehouden voor de schulden van het bedrijf; voor de SVB-schulden blijkt dat ook duidelijk uit de door de man zelf bij pleidooi overgelegde aansprakelijkstellingen die de SVB vanaf 2006 aan de vrouw heeft gericht. De man lijkt er op zichzelf ook geen bezwaar tegen te hebben dat langs deze weg de belastingschulden van de N.V. als gemeenschapsschulden worden verdeeld, mits dat voor het juiste bedrag gebeurt met inachtneming van de door hem (althans zijn bedrijven) verrichte betalingen. 2.3 De tot de gemeenschap behorende schulden uit hoofde van fiscale aansprakelijkheid van de vrouw dienen bij helfte te worden gedeeld (artikel 1:100 BW). Voor een uitzondering op deze regel is geen plaats. Een van de gevolgen van de (financiële) lotsverbondenheid die een huwelijk in gemeenschap van goederen in het leven roept is dat partijen zowel extern als onderling gelijkelijk delen in de schulden, ook als die het gevolg zijn van een door een van de echtelieden gemaakte fouten. De vrouw wist van het bestaan van de onderneming en zij heeft deze minst genomen gefaciliteerd door als formeel bestuurder te fungeren. Zij heeft ook niet bestreden dat de inkomsten uit de onderneming aan het gezin ten goede zijn gekomen. Er is dan evenmin aanleiding om te bepalen dat de man de vrouw volledig dient te vrijwaren voor de schulden van de onderneming, ook niet als juist zou zijn dat hij haar geheel buiten de onderneming heeft geplaatst en daarbij ook alle informatie over het reilen en zeilen van het bedrijf – ook de aan de vrouw zelf gerichte aansprakelijkstellingen – voor haar verborgen heeft gehouden. 2.4 De gemeenschappelijke schulden kunnen slechts worden verdeeld wanneer zij ten tijde van de verdeling in hoger beroep nog bestaan en dan - in beginsel - voor de omvang (de waarde) die zij op dat moment hebben. Dat partijen hebben afgeweken of thans willen afwijken van dit uitgangspunt - dat de boedelbestanddelen zoals die op de peildatum van 11 mei 2011 aanwezig waren worden verdeeld tegen de waarde ten tijde van de verdeling - is niet gebleken. 2.5 Op het verzoek van het Hof om de huidige omvang van de te verdelen schulden te documenteren heeft de vrouw overzichten van de Landsontvanger overgelegd die - per 10 juni 2021 - alleen schulden van de N.V. vermelden. Het Hof gaat er dan ook van uit dat alleen deze schulden nog aan de orde zijn. Kennelijk staan er geen belastingschulden meer open op naam van de vrouw; dit concludeert zij ook zelf en zij vermeldt daarbij dat deze schulden (“persoonlijke belastingschulden”) onder cribnummers [cribnummer] en [cribnummer] inmiddels zijn verjaard, wat de Ontvanger in twee door de vrouw overgelegde brieven (deels) reeds uitdrukkelijk heeft bevestigd. 2.6 Dat de vrouw voor de schulden van de N.V. persoonlijk wordt aangesproken heeft zij niet (volledig) gestaafd, maar het wordt door de man ook niet bestreden. De man stelt alleen dat de aanslagen ZVOV/OV en AOV/AWW per april 2020 volledig zijn betaald door middel van een derdenbeslag onder een vennootschap die kennelijk - een afdoende toelichting ontbreekt - nog geld schuldig was/is aan de vennootschap van partijen en later aan een nieuwe vennootschap van de man. Uit de stukken die de man daarbij heeft overgelegd blijkt echter niet op welke schulden van de N.V. de met de Landsontvanger overeengekomen betalingsregeling voor een bedrag van NAf 280.815,20, zoals die via voornoemd derdenbeslag is voldaan, betrekking had. Uit het meest recente overzicht van de schulden dat de vrouw heeft overgelegd blijkt daarentegen dat op 10 juni 2021 een aanzienlijk deel van de SVB-premies waarvoor de vrouw op 12 september 2017 aansprakelijk werd gehouden (zie productie B bij haar akte van 11 december 2017) nog altijd openstaan. 2.7 De openstaande schulden van de N.V. per 10 juni 2021 bedragen in totaal NAf 236.003,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.