Burgerlijke zaken over 2023 Registratienummers: CUR202102113 – CUR2022H00054 Uitspraak: 4 juli 2023 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: [APPELLANT], wonende in Curaçao, in eerste aanleg eiser, thans appellant, gemachtigde: mr. H.W. Braam, tegen de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO, zetelend in Curaçao, in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. M.F. Murray. Partijen worden hierna [appellant] en het Land genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij op 21 maart 2022 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 7 februari 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). 1.2 Bij op 3 mei 2022 ingekomen memorie van grieven heeft [appellant] zes grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en zijn vorderingen alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zal toewijzen, met veroordeling van het Land in de proceskosten in beide instanties. 1.3 Bij op 4 juli 2022 ingekomen memorie van antwoord, met een productie, heeft het Land de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in hoger beroep. 1.4 Op 17 januari 2023 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. Aan beide pleitnotities zijn producties gehecht. 1.5 Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag. 2De beoordeling 2.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. 2.1.1 Op 30 maart 2002 heeft de strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam een arrest uitgesproken in een strafzaak tegen [appellant]. Het arrest bevat de volgende bewezenverklaring: dat hij op [pleegdatum] 2000 te [pleegplaats], terwijl hij als arts werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht heeft gepleegd met [naam] (geboren op [datum] 1983), die zich als patiënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte zijn penis in de mond van die [naam] gebracht en zijn penis in de vagina van die [naam] gebracht. De kwalificatie van het bewezenverklaarde luidt als volgt: als degene werkzaam in de gezondheidszorg met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en/of zorg heeft toevertrouwd ontucht plegen. De dicta van dat arrest luiden als volgt: De beslissing Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan. Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar. Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. 2.1.2 Na de verkiezingen voor de Staten van Curaçao in maart 2021 is [appellant] door de politieke partij MFK bij de formateur voorgesteld voor het ambt van minister van Justitie. Na justitieel onderzoek door de procureur-generaal heeft [appellant] zich teruggetrokken als kandidaat. 2.2 In deze rechtszaak heeft [appellant], na vermeerdering van eis in eerste aanleg, gevorderd dat de rechter bepaalt of voor recht verklaart dat: primair a. [appellant] niet is veroordeeld in de zin van art. 7 van de Landsverordening houdende regels betreffende de integriteit van (kandidaat-)ministers (PB 2012 no. 66, hierna: Lvim); b. [appellant] als minister van Justitie kan worden voorgedragen dan wel dat er op grond van de Lvim geen enkele grond is om [appellant] niet als minister van Justitie voor te dragen en te benoemen; subsidiair art. 7 lid 1a Lvim buiten toepassing moet blijven dan wel geen toepassing vindt in het geval van [appellant], dat dit artikel in strijd is met de artikelen 5, 6, 12 en 30 lid 1 van de Staatsregeling Curaçao, de artikelen 10 lid 3 en art. 25 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten, art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en art. 17 van het BUPO-verdrag en dat het Land door art. 7 lid 1 a Lvim op [appellant] toe te passen teneinde hem niet tot minister te kunnen voordragen, jegens hem onrechtmatig handelt. 2.3 Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen. Hiertegen is het hoger beroep gericht. 2.4 In de Lvim is onder meer bepaald: Art.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.