Burgerlijke zaken over 2023 Registratienummers: AUA202201003 – AUA2022H00233 Uitspraak: 25 april 2023 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba B E S C H I K K I N G in de zaak van: [DE WERKNEMER], wonende in Aruba, in eerste aanleg verzoeker, thans appellant, gemachtigde: mr. E.E. Rosenstand, tegen de rechtspersoon SERVICIO DI LIMPIESA DI ARUBA, zetelend in Aruba, in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. D.G. Kock. Partijen worden hierna [de werknemer] en Serlimar genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij op 24 oktober 2022 ingekomen beroepschrift is [de werknemer] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 13 september 2022 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). Hierbij heeft [de werknemer] het hoger beroep toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en zijn verzoeken alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Serlimar in de proceskosten in beide instanties. 1.2 Serlimar heeft geen verweerschrift in hoger beroep ingediend. 1.3 De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 27 maart
- [de werknemer] is verschenen met zijn gemachtigde. Namens Serlimar is de gemachtigde verschenen. Allen hebben het woord gevoerd en vragen beantwoord. Beide gemachtigden hebben een productie overgelegd. In beide gevallen heeft de gemachtigde van de wederpartij te kennen gegeven daartegen geen bezwaar te hebben. 1.4 Beschikking is aangezegd en bij vervroeging bepaald op vandaag. 2De beoordeling 2.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. [de werknemer] is in 2009 in dienst getreden van Serlimar. Bij brief van 7 januari 2022 heeft Serlimar het dienstverband met [de werknemer] beëindigd. Serlimar had daarvoor geen toestemming van de Directeur van de Directie Arbeid (hierna: ontslagvergunning) verzocht of verkregen als bedoeld in art. 4 van de Landsverordening Beëindiging Arbeidsovereenkomsten (hierna: LBA). 2.2 In deze rechtszaak heeft [de werknemer] verzoeken gedaan op grond van zijn standpunt dat het gegeven ontslag nietig is, omdat een ontslagvergunning ontbreekt. Serlimar heeft het verweer gevoerd dat de LBA niet van toepassing is en dat zij daarom geen ontslagvergunning nodig had voor het gegeven ontslag. Het Gerecht heeft dit verweer gehonoreerd en de verzoeken afgewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht. 2.3 Tot 1 september 2021 luidde art. 2, aanhef en sub a, LBA dat de LBA niet van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van werknemers bij “een publiekrechtelijk lichaam”. Art. 2, aanhef en sub a, LBA (oud) is in zoverre gelijkluidend aan art. 2 lid 1 aanhef en sub a BBA 1945 (oud). Over laatstbedoelde bepaling heeft de Hoge Raad overwogen dat die geen aanknopingspunt biedt voor een onderscheid tussen publiekrechtelijke lichamen die wel, en publiekrechtelijke lichamen die niet tot de overheid behoren (HR 11 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2806, NJ 1999/494 (Nederlandse Orde van Advocaten)). Alle publiekrechtelijke lichamen in de zin van art. 2 lid 1 aanhef en sub a BBA 1945 (oud) worden dus geacht tot de overheid te behoren. Ditzelfde moet ingevolge het concordantiebeginsel worden aangenomen voor publiekrechtelijke lichamen in de zin van art. 2, aanhef en sub a, LBA (oud). 2.4 Blijkens art. 2 lid 3 van de Landsverordening Serlimar (AB 2005 no. 5) bezit Serlimar rechtspersoonlijkheid. Blijkens de intitulé van deze landsverordening is dat een publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Serlimar is daarmee een publiekrechtelijk lichaam in de zin van art. 2, aanhef en sub a, LBA (oud). Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen, moet Serlimar ook geacht worden reeds onder het LBA zoals dat tot 1 september 2021 luidde, te hebben behoord tot “de overheid”. Zoals partijen ook onderkennen, was de LBA niet van toepassing op de arbeidsovereenkomst van werknemers bij Serlimar. Serlimar had voor het ontslag van haar personeel dan ook geen ontslagvergunning nodig. 2.5 Bij art. XIX sub B Aanpassingsverordening aanvulling Burgerlijk Wetboek van Aruba (AB 2021 no. 43, inw.tr. AB 2021 no. 90) zijn in art. 2, aanhef en sub a, LBA de woorden “een publiekrechtelijk lichaam” vervangen door “de overheid”. Nu Serlimar reeds onder het LBA zoals dat tot 1 september 2021 luidde, tot de overheid behoorde, moet zij ook voor de toepassing van het LBA zoals dat thans luidt, geacht worden tot de overheid te behoren. Ook thans is de LBA dus niet van toepassing op de arbeidsovereenkomst van werknemers bij Serlimar en heeft Serlimar voor het ontslag van haar personeel geen ontslagvergunning nodig. 2.6 Serlimar heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep een beroep gedaan op de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de LBA per 1 september
- Daarin staat onder meer: Artikelen XVII tot en met XXVI (arbeids- en sociale zekerheidswetgeving) In deze artikelen vinden technische en terminologische aanpassingen plaats in verband met de invoering van titel 7.10 BWA inzake de arbeidsovereenkomst alsmede in verband met wijzigingen die in 2013 in de arbeidswetgeving hebben plaatsgevonden. Wat betreft artikel XIX, inzake de wijziging van de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten, wordt opgemerkt dat het huidige artikel 7 spreekt van nietigheid, terwijl bedoeld is dat de opzegging vernietigbaar is. (…) 2.7 De Memorie van Toelichting verwijst dus naar de invoering van titel 7.10 BW. Daarbij is art. 7A:1613y lid 2 BW vervangen door art. 7:615 lid 2 BW. In beide artikelen komt ongewijzigd de term “personen in dienst van de overheid” voor. Het Hof vat voornoemde passage uit de Memorie van Toelichting zo op dat met de wijziging van art. 2, aanhef en sub a, LBA beoogd is de in die bepaling bedoelde kring van personen gelijk te trekken met de kring van personen die bedoeld is in art. 7:615 lid 2 BW. Voor het antwoord op de vraag of de LBA van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van werknemers bij Serlimar, is dat verder niet van belang. 2.8 [ [de werknemer] heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep een publicatie van de Directie Arbeid en Onderzoek van 27 augustus 2021 in het geding gebracht. Hierin staat dat de arbeidsovereenkomst van werknemers bij Serlimar door de wetswijziging van 1 september 2021 onder de werking van de LBA zal vallen. Blijkens voorgaande overwegingen gaat die publicatie uit van een onjuiste rechtsopvatting. [de werknemer] kan er geen rechten aan ontlenen, nu de Directie Arbeid en Onderzoek niet bevoegd is om een bindende uitleg aan de wet te geven. 2.9 Het hoger beroep mist doel. De beschikking waarvan beroep dient te worden bevestigd. [de werknemer] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. B E S L I S S I N G Het Hof: bevestigt de beschikking waarvan beroep; veroordeelt [de werknemer] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Serlimar gevallen en tot op heden begroot op Afl. 2.000,00 aan salaris voor de gemachtigde. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, E.A. Saleh en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 25 april 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.