Burgerlijke zaken over 2024 Registratienummers: CUR202101226 en CUR2023H00116 Uitspraak: 3 september 2024 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: [DE MAN], die woont in Curaçao, in eerste aanleg eiser in conventie, verweerder in reconventie, thans appellant, gemachtigde: mr. M.F. Bonapart, tegen [DE VROUW], die woont in Curaçao, in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. M.M. Bloem. Partijen worden hierna aangeduid als de man respectievelijk de vrouw. 1De zaak in het kort Partijen zijn in 2017 in gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is in 2019 door echtscheiding ontbonden. Over de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is geschil ontstaan. Dat geschil betreft de (voormalige) echtelijke woning. Volgens de man valt deze in de gemeenschap van goederen, volgens de vrouw niet. Het geschil betreft daarnaast kosten van uitbreiding van de woning. Volgens de man heeft hij uit eigen vermogen met een bedrag van NAf 83.440,09 bijgedragen aan die uitbreiding. De man wenst dat bedrag van de vrouw terug te krijgen. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft beslist dat de woning niet in de gemeenschap van goederen valt. Ook heeft het Gerecht beslist dat de vrouw in verband met de uitbreiding van haar woning een bedrag van NAf 28.583,75 aan de gemeenschap moet vergoeden. Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht. Hierna wordt uitgelegd waarom zo geoordeeld wordt. 2Het verloop van de procedure 2.1 Bij op 24 maart 2023 ingekomen akte van appel is de man in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 13 februari 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht. 2.2 Bij op dezelfde dag ingekomen memorie van grieven heeft de man tien grieven aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en alsnog de vorderingen van de man toewijst met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van beide instanties. 2.3 Een memorie van antwoord is door de vrouw niet ingediend. 2.4 Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van de man en de vrouw pleitnotities ingediend. 2.5 Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag. 3De beoordeling Kosteloos procederen 3.1 Gelet op artikel 880 lid 2 Rv heeft de vrouw geen nieuw bewijs van onvermogen nodig om in hoger beroep kosteloos te procederen. Ter vermijding van misverstanden zal het Hof dit in het dictum vermelden. Feiten 3.2 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. 3.3 Op 19 mei 2017 heeft de vrouw in eigendom verkregen de rechten op het registergoed plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning). De aanneemsom van NAf 220.000,- is voldaan uit de opbrengst van de verkoop van de voormalige woning van de vrouw. 3.4 Partijen zijn op 17 juli 2017 in Curaçao in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. 3.5 Tijdens het huwelijk van partijen is de woning uitgebreid. 3.6 Na indiening van een verzoekschrift tot echtscheiding door de man op 24 juni 2019 is bij beschikking van 5 november 2019 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bij beschikking van 21 januari 2020 heeft het gerecht de verdeling van de huwelijksgemeenschap bevolen ten overstaan van de notaris met benoeming van onzijdige personen. Vorderingen 3.7 De man heeft, kort weergegeven, bij het Gerecht, in conventie, gevorderd een verklaring voor recht dat: a. per datum huwelijk tussen partijen een gemeenschap van goederen bestaat; b. de ontbinding van het huwelijk heeft geleid tot een terecht gegeven bevel tot verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap; c. de man gerechtigd is tot een vergoeding van het gebruik door de vrouw van de voormalige echtelijke woning; Daarnaast heeft hij gevorderd de vrouw in de proceskosten te veroordelen. 3.8 De vrouw heeft, kort weergegeven, in reconventie gevorderd: primair a. dat voor recht wordt verklaard dat de woning niet tot de huwelijksgoederengemeenschap is gaan behoren (artikel 1:95 lid 1 BW) en/of dat er geen huwelijksgoederengemeenschap is ontstaan (artikel 1:152 BW); b. dat de man wordt veroordeeld in de proceskosten; subsidiair c. dat het Gerecht de verdeling vaststelt; d. dat de man wordt veroordeeld in de proceskosten. Beslissingen van het Gerecht 3.9 In het vonnis waarvan beroep heeft het Gerecht geoordeeld dat de woning niet valt in de gemeenschap van goederen van partijen, de vrouw om die reden niet gehouden is tot betaling van een gebruiksvergoeding aan de man, de vrouw gehouden is tot vergoeding aan de gemeenschap van een bedrag van NAf 28.583,75 (kosten uitbreiding woning) en dat de proceskosten worden gecompenseerd. Beoordeling door het Hof Inleiding 3.10 De grieven van de man tegen het vonnis van het Gerecht hebben betrekking op de volgende thema’s: - de woning (grieven 1, 2, 6, 7 en 9); - de kosten van uitbreiding van de woning (grieven 3, 4, 5 en 8). Grief 10 van de man mist zelfstandige betekenis. 3.11 De vrouw heeft afgezien van het instellen van (incidenteel) hoger beroep. De beslissing van het Gerecht dat zij gehouden is tot vergoeding aan de gemeenschap van goederen van het bedrag van NAf 28.583,75 (kosten uitbreiding woning) valt daarom buiten de omvang van het hoger beroep. Dat betekent met betrekking tot de kosten van de uitbreiding van de woning dat, gegeven het hoger beroep van de man, daarin nog slechts aan de orde is de vraag of de vrouw meer dan dat bedrag moet vergoeden en of de (eventueel: hogere) vergoeding moet plaatsvinden aan de gemeenschap of aan de man. De woning (grieven 1, 2, 6, 7 en 9) 3.12 Volgens de man heeft de vrouw pas in deze procedure het standpunt ingenomen dat de woning niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. Eerder, in de fase van de echtscheidingsprocedure en de bevolen verdeling van de gemeenschap, heeft zij dat niet gedaan. Het nu pas innemen van genoemd standpunt is, aldus de man, tardief. 3.13 De door de rechter bevolen verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft nog niet plaatsgevonden. In de echtscheidingsprocedure met bevel tot verdeling van de gemeenschap heeft de rechter zich niet uitgesproken over de vraag of de woning tot de gemeenschap behoort. Het enkele feit dat de vrouw voor het eerst in deze procedure het standpunt heeft ingenomen dat de woning niet in de gemeenschap valt heeft, indien juist, niet tot gevolg dat haar recht om dat te doen is verjaard, dat zij dat recht heeft verwerkt of zich er anderszins, nu de verdeling nog geen feit is, niet meer op zou kunnen beroepen. Feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden heeft de man niet gesteld. Daarvan is evenmin gebleken. 3.14 Het Hof begrijpt de toelichting op de grieven zo dat de man het oordeel van het Gerecht dat de woning niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort, slechts bestrijdt met het argument dat het beroep van de vrouw hierop tardief is. Dat argument is hiervoor verworpen. Voor het overige heeft de man dat oordeel van het Gerecht niet voldoende kenbaar voor het Hof en de vrouw bestreden. Het Hof ziet geen aanleiding de juistheid van dat oordeel ambtshalve verder te onderzoeken. Het Hof zal dus ervan uitgaan dat de woning niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort en, in het verlengde daarvan, dat de man geen recht heeft op een vergoeding van de vrouw voor het gebruik van de woning. Ook de afwijzing van zijn vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding heeft de man in de toelichting op de grieven niet (voldoende kenbaar) aan de orde gesteld. De kosten van uitbreiding van de woning (grieven 3, 4, 5 en 8) 3.15 Niet in geschil is dat de woning tijdens het huwelijk van partijen is uitgebreid. De man heeft bij het Gerecht het standpunt ingenomen dat hij die uitbreiding heeft gefinancierd met een, uit eigen vermogen afkomstig, bedrag van NAf 83.440,09. Het Gerecht is hem daarin niet gevolgd. Het heeft geoordeeld dat uit de stukken slechts blijkt van een bedrag van NAf 28.583,75 dat verband houdt met de uitbreiding van de woning. Uit die stukken blijkt evenmin dat dit bedrag uit eigen vermogen van de man afkomstig is. Het is betaald uit lopende inkomsten van de man, die tot de gemeenschap van goederen behoorden. Aldus het Gerecht. 3.16 De man stelt in hoger beroep dat hij wel degelijk NAf 83.440,09 aan de uitbreiding van de woning heeft uitgegeven. Hij verwijst in dat verband naar de in eerste aanleg overgelegde bouwstaat en (afschriften van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.