ontnemingsbeslissing GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURACAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Zaaknummer : H-202/21 Parketnummer : 300.08240/17 Uitspraak : 2 mei 2024 Tegenspraak gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, (hierna: het Gerecht) van 2 december 2021, op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), in de zaak tegen de veroordeelde: [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], thans gedetineerd in het Korrektie Instituut Aruba. Hoger beroep De officier van justitie heeft in eerste aanleg een ontnemingsvordering ingediend ter hoogte van Afl. 207.289,
- Het Gerecht heeft bij vonnis van 2 december 2021 het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde wordt geschat, vastgesteld op Afl. 183.489,10 en aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan het Land Aruba, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde heeft tegen deze beslissing op 16 december 2021 tijdig hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart
- Aan de inhoudelijke behandeling is met instemming van alle procespartijen een schriftelijke wisseling van standpunten voorafgegaan, waarbij de raadsvrouw op 30 juni 2023 een kort overzicht van de standpunten van de verdediging heeft overgelegd, dat zij op 18 september 2023 nader schriftelijk heeft onderbouwd. Het openbaar ministerie heeft hier op 2 oktober 2023 schriftelijk op gereageerd. Het Hof heeft ter terechtzitting van 21 maart 2024 kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. B.S. van Unnik, en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. D.G. Croes, naar voren is gebracht. De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof de beslissing waarvan beroep zal bevestigen. De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de vordering van het openbaar ministerie wordt afgewezen en het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt bepaald op nihil. Subsidiair heeft zij matiging bepleit. Beslissing waarvan beroep De beslissing waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het Hof tot een ander oordeel komt dan het Gerecht. Ontvankelijkheid openbaar ministerie De raadsvrouw heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming, omdat bij de aanvang van de strafzaak tegen de veroordeelde is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 476 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.), inhoudend dat bij de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten als hier aan de orde, indien een minister als verdachte wordt aangemerkt, de bevoegdheden van de officier van justitie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep worden uitgeoefend door de procureur-generaal, dan wel door een lid van het openbaar ministerie dat door de procureur-generaal in het bijzonder is aangewezen om te dezen namens hem op te treden. Het Hof overweegt hierover dat er in deze procedure geen plaats meer is voor het voeren van verweer over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de (in dit geval zelfs met een onherroepelijk vonnis afgedane) onderliggende strafzaak, waarin dit verweer overigens ook is gevoerd en door het Hof is verworpen. Het verweer wordt verworpen. Grondslag ontnemingsvordering Bij vonnis van het Hof van 12 oktober 2021 is de veroordeelde in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak (geregistreerd onder parketnummer P-2017/08240 en zaaknummer H-167/2019) veroordeeld voor – kort gezegd – het vragen en aannemen van steekpenningen, het misbruiken van zijn publieke functie, de verduistering van geld, (gewoonte)witwassen, de illegale tewerkstelling van een kindermeisje en deelneming aan een criminele organisatie. De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 februari 2023 het tegen deze veroordeling ingestelde cassatieberoep verworpen. De veroordeling is hiermee met ingang van voornoemde datum onherroepelijk geworden. Bewijsmiddelen Het Hof grondt zijn beslissing op de in het vonnis van het Hof in de strafzaak bewezenverklaarde feiten en de bewijsmiddelen die daaraan ten grondslag liggen, en neemt deze over. De beslissing van het Hof is voorts gegrond op het door de Landsrecherche opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 20 juni 2018, alsmede op de verklaring van de veroordeelde tijdens de terechtzitting van 21 maart
- Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel Het Hof heeft in voornoemde strafzaak onder meer bewezen verklaard dat de veroordeelde een bedrag van Afl. 55.023,14 heeft verduisterd, en in totaal een bedrag van Afl. 183.489,10 heeft witgewassen (Afl. 128.465,96 aan contante privé-uitgaven en genoemde Afl. 55.023,14 aan uitgaven door de Stichting Leadership & Excellence – verder de Stichting te noemen - ten behoeve van de veroordeelde in privé). Vooropgesteld wordt dat het Hof in deze ontnemingsprocedure weliswaar een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot alle stellingen en verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel kan worden geschat, maar dat het daarbij gebonden is aan de in de hoofdzaak bewezen verklaarde strafbare feiten en de omvang daarvan.Nu het Hof in de strafzaak bewezen heeft verklaard dat de veroordeelde een bedrag van Afl. 55.023,14 heeft verduisterd, en door of namens de veroordeelde ten aanzien van dit onderdeel van de vordering geen verweer is gevoerd ter zake de vaststelling van dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel, zal het Hof op de voet van art. 1:77 lid 2 Sr het door de verdachte door middel van die verduistering verkregen voordeel stellen op Afl. 55.023,
- Omdat bij de bepaling van het van de Stichting verduisterde bedrag de contante betalingen van de Stichting aan de veroordeelde buiten beschouwing zijn gebleven, is er geen sprake van dubbeltelling van het verduisterde bedrag met het saldo van de kasopstelling. Ten aanzien van het witgewassen bedrag van Afl. 128.465,96 wordt als volgt overwogen. Dit bedrag betreft het saldo van een zogeheten eenvoudige kasopstelling, waaruit blijkt dat veroordeeldes contante uitgaven zijn legale contante inkomsten over de periode van 20 februari 2014 tot en met 28 maart 2017 met dit bedrag hebben overtroffen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengt de enkele omstandigheid dat een goed, zoals in dit geval een geldbedrag, voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, niet met zich dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. Dat voorwerp is immers al uit misdrijf afkomstig – en vormt dus de opbrengst van dat misdrijf – maar is niet verkregen door middel van het verrichten van witwashandelingen. Witwassen leidt er op zichzelf niet toe dat het betreffende voorwerp in waarde toeneemt en daarmee (op geld waardeerbaar) voordeel voor de betrokkene oplevert. In het onderhavige geval is niet gebleken dat de veroordeelde voor het witwassen is beloond, of daarmee enig positief rendement heeft behaald. Evenmin kan het bedrag in kwestie in voldoende mate worden gerelateerd aan een of meer andere feiten, waarvoor de veroordeelde in de strafzaak is veroordeeld. Wel stelt het Hof vast dat de veroordeelde in de strafzaak is veroordeeld wegens misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of meer is gesteld en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen (feit 1: het aannemen van steekpenningen, meermalen gepleegd en feit 6: deelname aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van ambtelijke omkoping, verduistering en witwassen). Het Hof acht op grond van hetgeen hierna wordt overwogen op de voet van artikel 1:77 lid 3 Sr aannemelijk dat die misdrijven of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het Hof neemt bij de bepaling van (de hoogte van) het wederrechtelijk verkregen voordeel de eenvoudige kasopstelling als uitgangspunt. De raadsvrouw heeft betoogd dat deze kasopstelling onjuist is, omdat daarin wordt uitgegaan van een onjuist beginsaldo en omdat verschillende legale inkomsten en een lening over het hoofd zijn gezien. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Het beginsaldo moet worden verhoogd met Afl. 15.500,-, zijnde de opbrengst van een op 19 december 2019 georganiseerd kerstconcert. Voorts beschikte de veroordeelde bij de aanvang van de periode waarover de kasopstelling is gemaakt over aanzienlijke geldbedragen die hij had ontvangen als cadeau ter gelegenheid van zijn huwelijk. Daarnaast is bij de vaststelling van de legale inkomsten van de veroordeelde voorbij gegaan aan zijn inkomsten uit de verkoop van hoofdtooien voor carnaval, de verkoop van puppy’s en de verkoop van ‘pan yena’. Tenslotte is geen rekening gehouden met een lening van Afl. 18.000,- van veroordeelde bij zijn moeder. Het Hof overweegt hierover als volgt. Het Hof heeft in zijn vonnis in de strafzaak bewezen geacht dat de verdachte een bedrag van Afl. 128.465,96, zijnde het saldo van de eenvoudige kasopstelling, heeft witgewassen, omdat geen aannemelijke verklaring kon worden gegeven voor het feit dat de contante uitgaven de contante inkomsten overtroffen. Aldus is het Hof in de strafzaak gekomen tot bewezenverklaring van het witwassen van Afl. 128.465,
- Het Hof is daaraan in deze ontnemingszaak gebonden. Honorering van de hierboven weergegeven verweren (die overigens grotendeels ook in de strafzaak zijn gevoerd en daar zijn verworpen) zou er in dit geval op neerkomen dat het – inmiddels onherroepelijke – oordeel van de strafrechter op een onaanvaardbare manier zou worden doorkruist. De conclusie uit het voorgaande is dat de verweren worden verworpen. Uit het feit dat de verdachte ter terechtzitting van het Hof voorts heeft verklaard dat hij alle in de contante kasopstelling betrokken en door het Hof in de strafzaak aan het bewijs van het witwassen ten grondslag gelegde contante uitgaven heeft gedaan met door hem zelf verdiend geld, en ten behoeve van zichzelf, volgt dat deze gelden veroordeeldes eigen cashflow representeerden en niet die van iemand anders, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat het witgewassen bedrag van Afl. 128.465,96 geheel aan de veroordeelde zelf ten goede is gekomen. Gelet op het voorgaande stelt het Hof het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de veroordeelde heeft genoten vast op een bedrag van Afl. 183.489,10 . Redelijke termijn De raadsvrouw heeft betoogd dat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden en verzoekt het Hof hiermee rekening te houden. Het Hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op een ontnemingsvordering wordt beslist. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting – in iedere instantie afzonderlijk – dient te zijn afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de veroordeelde en/of de advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In beginsel geldt dat voornoemde termijn aanvangt op het moment dat de officier van justitie in de hoofdzaak in eerste aanleg het voornemen een ontnemingsvordering aanhangig te maken kenbaar heeft gemaakt of jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat een vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Bij gebreke aan een eerder gelegen aanknopingspunt in de stukken is ter terechtzitting met instemming van partijen vastgesteld dat deze termijn is aangevangen op 25 oktober
- Tussen dit moment en de uitspraak van het Gerecht in de ontnemingszaak op 2 december 2021 is een periode van (ruim) drie jaar en 1 maand verstreken. Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, is het Hof van oordeel dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat deze overschrijding van de termijn in de risicosfeer van de veroordeelde ligt, is niet gebleken. Wat de gedingfase van het hoger beroep betreft, geldt dat de behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. De veroordeelde heeft op 16 december 2021 hoger beroep ingesteld tegen de ontnemingsbeslissing van het Gerecht. De behandeling in tweede aanleg is heden met een eindbeslissing afgerond, zodat de redelijke termijn van twee jaren in hoger beroep eveneens is overschreden. Ook hier geldt dat van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat deze overschrijding van de termijn in de risicosfeer van de veroordeelde ligt, niet is gebleken. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ziet het Hof aanleiding om op het hiervoor vastgestelde bedrag ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel Afl. 183.489,10 een korting toe te passen. Met inachtneming van hetgeen door de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2008:BD2578 is overwogen, bepaalt het Hof voornoemde korting op een bedrag van Afl. 20.000,-. Het te ontnemen bedrag zal met dat bedrag worden verminderd. Het uiteindelijk door de veroordeelde aan het Land verschuldigde bedrag wordt alsdan bepaald op Afl. 163.489,
- Draagkrachtverweer De raadsvrouw heeft bepleit dat de financiële situatie van de veroordeelde dusdanig is dat hij geacht moet worden het door het openbaar ministerie berekende bedrag en ook een lager bedrag onmogelijk te kunnen betalen. Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een situatie waarin op voorhand kan worden uitgesloten dat de veroordeelde op enig moment in staat is om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de veroordeelde eigenaar is van een woning (adres [adres]), die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt en waarmee huuropbrengsten worden gegenereerd. Voorts wordt overwogen dat het oordeel ten aanzien van de uitvoerbaarheid van veroordelende vonnissen deel uitmaakt van de executiefase en aldus toekomt aan het openbaar ministerie. Daarbij kan rekening worden gehouden met de voor de tenuitvoerlegging geldende verjaringstermijnen en indien nodig gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die het openbaar ministerie heeft om de veroordeelde gedurende die termijn uitstel van betaling, dan wel betaling in termijnen toe te staan. Het verweer wordt dan ook verworpen. Overige verweren De raadsvrouw heeft tenslotte verzocht rekening te houden met het feit dat de strafzaak tegen de veroordeelde en de daarmee gepaard gegane media aandacht een grote negatieve invloed heeft gehad op de veroordeelde en zijn gezin, alsmede met het feit dat de veroordeelde in de strafzaak hoge advocaatkosten heeft gehad. Het Hof verwerpt deze verweren. Zij hebben betrekking op de onderliggende strafzaak en hebben daarom geen plaats in de onderhavige procedure, die niet is gericht op bestraffing en de bepaling van een – alle omstandigheden in aanmerking nemend – passende sanctie, maar er uitsluitend erop gericht is om de veroordeelde het voordeel te ontnemen dat hij met zijn criminele handelen heeft vergaard. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 1:59 en 1:77 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba. BESLISSING Het Hof: - vernietigt de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg van 2 december 2021 en doet opnieuw recht als volgt; - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op Afl. 183.489,10 (honderd drieëntachtig-duizend, vierhonderdnegenentachtig gulden en tien cent); - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan het Land Aruba van een bedrag van Afl. 163.489,10 (honderddrieënzestigduizend, vierhonderdnegenentachtig gulden en tien cent) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - bepaalt dat bij gebreke van volledige betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 18 (achttien) maanden. Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. van Lieshout, S. Verheijen en F.V.L.M. Wannyn, leden van het Hof, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer, (zittings)griffier, en op 2 mei 2024 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba. uitspraakgriffier