ECLI:NL:OGHACMB:2024:314
Burgerlijke zaken over 2024 Beschikking no.:
Registratienummers: CUR201601312 CUR2020H00234 - CUR2020H00235 - CUR2020H00238 Uitspraak: 23 januari 2024 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Vierde tussenbeschikking betreffende een verzoek op grond artikel 3:200a e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot toekenning van de grond behorende tot de langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap:
VETTER te Curaçao, groot 207.226 m2, gelegen ten noorden van Abrahams, ook bekend als Plantage Vetter, omschreven in meetbrief no. 561 van 2003 (Plantageregister no. 110), ten name staand van [naam 1], geboren en overleden in de 19e eeuw.
In de bestreden beschikking van het Gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Curaçao, van 11 juni 2020 zijn als belanghebbenden (met nummer) aangemerkt: [belanghebbende 1 tot en met 80], wonende te Curaçao en Nederland, verzoekers,gemachtigde: advocaat mr. L.L.A. Davelaar-Franklin, met als verschenen belanghebbenden, veelal tevens verzoekers: [belanghebbende 81 tot en met 94], wonende te Curaçao en Nederland, gemachtigde: oud-notaris mr. M.L. Alexander, en [belanghebbende 95 en 96], wonende te Curaçao, gemachtigde: advocaat mr. A.V.G. Rooijer, en [belanghebbende 97], wonende te Curaçao, gemachtigde: advocaat mr. A.V.G. Rooijer en advocaat mr. A.K. Kleinmoedig, en [belanghebbende 98 tot en met 141] wonende te Curaçao, gemachtigde: advocaat mr. A.K. Kleinmoedig, en [belanghebbende 142], wonende te Curaçao, verschenen in persoon, en de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO, zetelend te Curaçao, gemachtigden: Giselle Hollander [(email-adres)], en ANDERE BELANGHEBBENDEN, al dan niet verschenen, aan wie een openbare oproeping is gedaan en die van de processtukken kunnen kennisnemen via de website van het Gemeenschappelijk Hof (www.gemhofvanjustitie.org/uitspraken/onverdeelde-boedels).
1Het verdere verloop van de procedure 1.1.
Het Hof verwijst naar zijn tussenbeschikkingen van 6 april 2021 (eerste tussenbeschikking), 25 januari 2022 (tweede tussenbeschikking), hersteld bij herstelbeschikking van 22 februari 2022, en 16 augustus 2022 (derde tussenbeschikking).
1.2.
Naar aanleiding van de derde tussenbeschikking heeft het Land een akte d.d. 11 oktober 2022, met producties, genomen.
1.3.
Op de rolzitting va 19 september 2023 hebben de gemachtigden Alexander, Davelaar en Kleinmoedig namens belanghebbenden het Hof schriftelijk verzocht met partijen in overleg te treden.
1.4.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft op 9 januari 2024 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Verschenen zijn de Advocaat-Generaal, vergezeld van een juridisch medewerker, de voornoemde gemachtigden Alexander, Davelaar en Kleinmoedig en voor het Land: mr. G. Hollander, mr. L. Reenes (ministerie van Verkeer, Vervoer en ruimtelijke planning) en mr. E. van den Berg. Van de belanghebbenden zijn per videoverbinding verschenen [naam 1] en [naam 2]. Een aantal andere belanghebbenden zijn in persoon verschenen.
1.5.
Beschikking is bepaald op heden.
2Beoordeling 2.1.
Blijkens de akte van het Land van 11 oktober 2022 is er geen geld beschikbaar voor de ontwikkelen van Vetter. Door mr. Hollander is ter zitting medegedeeld dat er wel positieve ontwikkelingen zijn. De onverdeelde boedels zullen mede in een plan van aanpak van de desbetreffende diensten van het Land (waaronder ROP en Domeinen) worden betrokken. Er zijn drie grote groepen: (1) personen die al heel lang op de wachtlijst staan, (2) grote groep mensen die meteen illegaal zijn gaan bouwen en dan (3) de groep die in een boedel vallen. Er is een meerjarig onderhoudsplan opgesteld. Binnenkort zal een task force worden ingesteld. Ook wordt gestreefd naar meer geld op de desbetreffende begroting.
2.2.
De drie gemachtigden Alexander, Davelaar en Kleinmoedig, namens de door hen vertegenwoordigde belanghebbenden, overwegen een stichting (een nieuwe of een bestaande met gewijzigde statuten) in te schakelen die, in overleg met het Land, zal werken aan de ontwikkeling van de plantage.
2.3.
Tijdens de comparitie is besproken of artikel 3:200c BW dan wel artikel 3:200d BW als basis voor het inschakelen van een stichting kan dienen.
2.4.
Artikel 3:200c BW luidt:
Art. 3:200c 1. Voorwaarde voor toekenning aan de gebruikers is dat deze gezamenlijk of afzonderlijk aanvaardbare voorstellen hebben gedaan tot ontwikkeling van de zaak, indien nodig, en zekerheid hebben gesteld voor de kosten verband houdende met de toekenningsprocedure, de inschrijving in de openbare registers, de kosten van een kadastraal metingstuk inbegrepen, en de ontwikkeling van de zaak.
Bij de totstandkoming is ter toelichting opgemerkt (Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek, ed. M.F. Murray, 2016, p. 901-903):
2.5.
Artikel 3:200d BW luidt:
Art. 3:200d 1. Voor zover toekenning aan de gebruikers niet mogelijk is, kan deze geschieden aan Curaçao of aan een stichting die ingevolge haar statuten de belangen van de gebruikers behartigt en van overheidswege onder toezicht staat, een woningbouwcorporatie inbegrepen.
Bij de totstandkoming is ter toelichting opgemerkt (Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek, ed. M.F. Murray, 2016, p. 903-904):
Artikel 3:200c BW gaat ervan uit dat er individuele gebruikers worden aangewezen die in staat zijn om zelf te ontwikkelen. Artikel 3:200d BW gaat ervan uit dat gebruikers niet tot ontwikkeling in staan zijn en dat daarom het Land, een woningbouwcorporatie (als FKP) of een speciale onder overheidstoezicht staande stichting dat moet doen.
2.7.
De gedachte achter artikel 3:200d BW was dat geen gebruikers zouden worden aangewezen door de rechter. In de zaak-Rancho is het Hof echter – als ‘service’ – bereid gebleken om, ondanks toekenning van de eigendom aan het Land, toch individuele gebruikers aan te wijzen met een aan hen toekomend perceel. Het Hof overwoog (Rancho-tussenbeschikking van 7 maart 2017, onder 5): (…) B. Toekenning van Rancho in eigendom 2. Het Hof zal ingevolge artikel 3:200d BW de eigendom van de grond in Rancho – behoudens verkrijgende verjaring (zie hierna onder F) – toekennen aan het Land, aangezien alleen het Land in staat is de grond te ontwikkelen met de miljoenenuitgaven die daarvoor nodig zijn (tekenwerk, planvorming, asfaltering, straatverlichting enz.). Bovendien willen bijna alle belanghebbenden erfpacht (zie hierna onder G).
2.8.
Doordat het Hof ook bij toepassing van artikel 3:200d BW gebruikers aanwijst, zijn artikel 3:200c BW en artikel 200d BW naar elkaar toegegroeid.
2.9.
Volgens de drie gemachtigden Alexander, Davelaar en Kleinmoedig zijn er 144 personen verschenen en komen zij allen in aanmerking als gebruiker te worden aangewezen. Zij vragen het Hof dat te doen. Er is genoeg grond (plantage Vetter beslaat 207.226 m2.
2.10.
Het Hof wijst geen gebruikers aan zonder bijbehorende percelen. Bij de bepaling van de percelen kunnen gemakkelijk conflicten ontstaan die dan door het Hof moeten worden beslecht.
2.11.
Maar in het algemeen en voorlopig oordelend staat het Hof welwillend tegen latere toewijzing van kavels aan deze 144 personen. Denkbaar is wel dat in de toekomst nog andere personen met een voldoende band met Vetter zich als ‘gebruiker’ aanmelden.
2.12.
Tegen de oprichting van een stichting is geen bezwaar. Zie de Toelichting bij artikel 3:200c BW (hierboven rov. 2.4): ‘Denkbaar is dat de gebruikers een rechtspersoon oprichten die met de realisering van de ontwikkeling belast is’. Een nieuwe stichting, in plaats van hervorming van de oude bestaande (partijdige) stichting, lijkt uit oogpunt van acceptatie door allen beter.
2.13.
Ook de Advocaat-Generaal heeft ter zitting verklaard zich te kunnen vinden in de oprichting van een stichting.
2.14.
Dat voortdurend overlegd wordt met het Land, is noodzakelijk. Zie artikel 3:200c lid 3 BW: ‘De rechter wint omtrent de voorstellen tot ontwikkeling van de zaak het gevoelen in van de met die aangelegenheid belaste minister.’ En de daarbij behorende Toelichting (hierboven rov. 2.4).
2.15.
In het derde tussenvonnis (van 16 augustus 2022) heeft het Hof naar aanleiding van de descente overwogen dat door betere waterafvoer (onder meer door herstel van dammen) veel grond ter verkaveling kan worden gewonnen.
2.16.
Het Hof attendeert op de Toelichting bij artikel 3:200c BW (hierboven rov. 2.4): ‘Denkbaar is dat een deel van de grond wordt toegekend aan de gebruikers, of aan een deel van de gebruikers, en de resterende grond aan het eilandgebied of een stichting, met toepassing van artikel 200d.’ 2.17.
Volgens mr. Kleinmoedig wordt gestreefd naar een plan van aanpak of business case binnen zes maanden.
2.18.
Het Hof zal de zaak op de laatste roldatum van het thans bekende zittingsrooster zetten voor akte uitlating door de belanghebbenden vertegenwoordigd door de drie gemachtigden Alexander, Davelaar en Kleinmoedig. Blijkt die datum te vroeg, dan kunnen deze partijen uitstel vragen.
2.19.
Na de akte uitlating kunnen het Land en andere belanghebbenden een antwoordakte nemen.
2.20.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3Beslissing Het Hof:
Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en C.J.H.G. Bronzwaer leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en is ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 23 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.