← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2024:316

Burgerlijke zaken over 2024 Uitspraak: 30 juli 2024 Zaaknr: SXM202300710 – SXM2024H00040 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Beschikking in de zaak van: [appellant], wonend in [woonplaats], in eerste aanleg verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek, thans appellant, hierna te noemen: de docent, gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon, -tegen- De stichting STICHTING KATHOLIEK ONDERWIJS SINT MAARTEN, gevestigd in Sint Maarten, in eerste aanleg verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek, thans geïntimeerde, hierna te noemen: de werkgever, gemachtigde: mr. L.G.J. Berman. 1Het verloop van de procedure 1.1 Verwezen wordt naar de op 24 januari 2024 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht). De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd. 1.2 De docent is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking door indiening op 6 maart 2024 van een beroepschrift met producties. 1.3 De werkgever heeft op 13 mei 2024 een verweerschrift ingediend. 1.4 De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 15 mei 2024 in het Court House in Sint Maarten. Daar zijn verschenen de docent, bijgestaan door zijn gemachtigde en namens de werkgever [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4], bijgestaan door de gemachtigde van de werkgever. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, de docent aan de hand van een pleitnota. Ook zijn vragen van het Hof beantwoord. 1.5 Uitspraak is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1 De docent is met ingang van 6 augustus 2021 in dienst getreden van de werkgever als docent natuurkunde. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar. Per 1 augustus 2022 is de docent op basis van opnieuw een contract voor een jaar werkzaam geweest in dienst van de werkgever. 2.2 De leerlingen in klas [klas] aan wie de docent les gaf dienden ‘’School Based Assessments’’ (SBA’

  1. s)te maken. Een SBA is een individueel werkstuk waarvan de leerlingen er een aantal maken gedurende hun laatste twee schooljaren. Aan het eind van het examenjaar worden de SBA’s gebundeld en tellen ze mee voor het eindcijfer. 2.3 Een van de SBA’s betrof het ‘’Investigative Project” (hierna: IP). De IP bestond uit onderdeel A, Planning and Design (PD) en onderdeel B, Analysis and Interpretation (AI). 2.4 In een e-mail van 24 maart 2023 van [person 4] (afdelingshoofd wetenschap, hierna: [persoon 4]) wijst deze erop dat de week of Science Moderation eraan komt en dat ‘’grades are due on Tuesday March 28, 2023, no later than 1.15 pm.’’ 2.5 In een e-mail van 28 maart 2023 13.01 uur aan [persoon 4] heeft de docent SBA-cijfers toegezonden voor ‘’Physics F5’’. Alle leerlingen hadden volgens deze e-mail een 10,0 voor “plan and design” en een 9,7 voor “interpretation”. [persoon 4] heeft in de namiddag van 28 maart 2023, nadat de cijfers waren toegezonden, waargenomen dat leerlingen uit klas [klas] de IP in hard copy inleverden in de daarvoor bestemde brievenbus op school. 2.6 Naar aanleiding daarvan is de werkgever op 29 maart 2023 een onderzoek gestart. De docent is per die datum geschorst met behoud van loon. 2.7 Bij brief van 21 april 2023 heeft de werkgever de docent op staande voet ontslagen. In die brief staat, voor zover hier van belang, het volgende: “(…) The main issue that cuts across several complaints received from students, concerned parents and colleagues, is that you provided students with grades they did not work for (no tests were made). In other words, ‘’ghosts grades’’. (…) 2.8 [ leerling 1], een leerling van de werkgever van klas [klas], heeft op 21 september 2023 een schriftelijke verklaring ondertekend waarin, voor zover van belang, het volgende staat vermeld: "(...) The next occasion happened towards the end of Form 5, when all the SBAs had to be completed for moderation. At the end of Form 5, students must plan, conduct and report about an experiment related to a topic of their choosing. This is known as the IP (Investigative Proposal). Not all the SBAs had been completed for Physics, but the deadline for the grades (that were to be sent to CXC) was approaching. Seeing that the students had limited time and only Part A of the IP was completed (the planning part), [appellant] had to quickly organize the experiment, so we could collect the data, analyze it and write the report. He was not present to monitor the experiment. After the experiment was conducted, a brief conversation amongst him, myself and another student took place in which he only asked how the experiment went. We replied by saying that it went well, but that was all. He did not proceed to ask any further questions about the results or conclusion drawn to by us, nor ask any other students regarding their own understanding. No oral assessment had occurred. Later, I had found out that he had given us 10s for Part B of the IP, which had not even been assessed sufficiently nor been completed yet. (...)" 2.9 [ leerling 2], een andere leerling van de werkgever van klas [klas], heeft op 22 september 2023 een schriftelijke verklaring ondertekend waarin, voor zover van belang, het volgende staat vermeld: "(...) On March 27, our class conducted the IP experiment during which [appellant] was absent. That same day, at 10:30 a.m., he had a brief discussion in general with me and another classmate of mine about performing the experiment. The conversation lasted not more than 5 minutes, if even. During this conversation, important elements such as the data collected, the analysis of the actual data and the formulas involved, etc. were not discussed. Furthermore, when we asked about the deadline for the submission of the IP Part B, [appellant] assured us not to worry about it. Personally, I submitted the IP Part B SBA on the 30th of March. This was the day after he messaged me: (...) Prior to this, we were never given a deadline as to when the SBA must he submitted. (...) I was informed that [appellant] stated that he discussed the entire IP part B with me and another student and that based on that he would have graded us. This seems impossible. First of all we never received any form of oral assessment, nor were we informed that such would be the case during the conversation. Second, we had to hand in our work, which would then be graded after being reviewed.(…)” 3De procedure bij het Gerecht 3.1 De docent heeft het Gerecht primair verzocht om de werkgever te veroordelen tot (
  2. i)herstel van de arbeidsovereenkomst (tot de datum van het einde van het dienstverband), op straffe van verbeurte van een dwangsom en (
  3. ii)tot betaling van, kort gezegd, achterstallig salaris en emolumenten vanaf de datum van ontslag totdat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zal zijn geëindigd, met wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Subsidiair heeft de docent een verklaring voor recht verzocht dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft beëindigd en daardoor schadeplichtig is en de veroordeling van de werkgever tot betaling van een billijke vergoeding, een en ander met de veroordeling van de werkgever in de proceskosten. 3.2 De werkgever heeft bij zelfstandig tegenverzoek verzocht de docent te veroordelen tot betaling van (een bedrag aan gefixeerde schadevergoeding van) NAf 12.940,52 omdat de docent de werkgever een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst op te zeggen en hij daarom schadeplichtig is. 3.3 Het Gerecht heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van de docent afgewezen en het tegenverzoek van de werkgever toegewezen met veroordeling van de docent in de proceskosten. 4De beoordeling Griffierecht tijdig betaald 4.1 De werkgever heeft aangevoerd dat de docent het griffierecht pas op 22 maart 2024 heeft betaald. Dat is volgens de werkgever te laat, omdat het Procesreglement (artikel 121) voorschrijft dat het griffierecht gelijktijdig met het indienen van het beroepschrift moet worden betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Brown een afschrift van een bankoverschrijving overgelegd, waaruit blijkt dat op 6 maart 2024 (datum indiening beroepschrift) een bedrag van NAf 900 is afgeschreven ten behoeve van het Gemeenschappelijk Hof van Justititie met als omschrijving de naam van partijen in deze zaak. Daarop heeft de werkgever het verweer op dit punt laten varen. Beroep tijdig ingesteld 4.2 De werkgever heeft verder aangevoerd dat de docent niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat hij dit niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft ingesteld. Het Hof verwerpt dit verweer. De termijn van hoger beroep ingevolge artikel 429n lid 2 is zes weken vanaf de dag van de uitspraak. Anders dan de werkgever meent liep die termijn niet op 5 maart 2024 maar op 6 maart 2024 af. Vgl. HR 1 september 2017, ECLI:HR:NL:2017:2225. Het beroepschrift is op 6 maart 2024 ingediend ter griffie van het Gerecht. Dat is dus tijdig. De vordering in hoger beroep 4.3 In hoger beroep vordert de docent (
  4. i)de vernietiging van de bestreden beschikking (
  5. ii)het ontslag als kennelijk onredelijk te kwalificeren met (iii) toewijzing van een bedrag aan schadevergoeding ter dekking van gederfd inkomen van NAf 98.280 bruto met niet genoten vakantiedagen en opgebouwd vakantiegeld voor het schooljaar 2022-2023 vermeerderd met wettelijke rente en (
  6. iv)toewijzing van NAf 5.000 aan immateriële schadevergoeding met (
  7. v)veroordeling van de werkgever in de proceskosten van beide instanties, inclusief nakosten. Dringende reden 4.4 De dringende reden die de werkgever aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd is dat de docent heeft gefraudeerd met de verstrekking van cijfers aan leerlingen. Meer concreet is het verwijt dat de docent leerlingen cijfers heeft gegeven zonder dat daar een (volledig) examen tegenover stond. In de ontslagbrief is de dringende reden als volgt omschreven: “is that you provided students with grades they did not work for (no tests were made). In other words, ‘’ghosts grades’’. (…). 4.5 Tussen partijen staat vast dat het examen waarom het gaat, de IP, uit twee delen bestond. Het eerste onderdeel, Part A, betrof het voorbereiden en uitvoeren van een proef (PD), het tweede onderdeel, Part B, bestond uit een verslag van hoe de proef is verlopen en een analyse van de data daaruit volgend (AI). 4.6 Verder blijkt uit de stukken dat de zeven leerlingen van klas [klas] de proef hebben uitgevoerd op 27 maart 2023, buiten aanwezigheid van de docent. Vervolgens heeft de docent op 28 maart 2023 cijfers doorgegeven aan [persoon 4]. Nadat de docent bij [persoon 4] de cijfers had ingeleverd zag [persoon 4] diezelfde middag dat vijf leerlingen van [klas] hun verslag van de proef in hard copy in de daarvoor bestemde brievenbus op school deponeerden. Daarnaar gevraagd door [persoon 4] deelden deze leerlingen mee dat dat de IP van natuurkunde betrof waarvan Part A de dag ervoor, 27 maart 2023, door hen was gedaan en dat voor Part B nog geen datum met de docent was afgesproken en dat dit deel van de opdracht op dat moment nog niet was uitgevoerd. 4.7 De docent heeft daartegen ingebracht, onder meer onder verwijzing naar WhatsApp gesprekken met twee leerlingen (productie 4 bij beroepschrift) dat: - de resultaten van Part A (PD) eerder al door de leerlingen digitaal waren aangeleverd en dat de docent op basis daarvan de cijfers heeft toegekend en heeft doorgegeven aan [persoon 4], maar dat [persoon 4] wilde dat de PD door de leerlingen in hard copy zouden worden ingeleverd en daarop de cijfers werden geschreven; - Part B (AI) door hem mondeling is afgenomen bij twee van de zeven leerlingen, te weten [leerling 1] en [leerling 2]. Zij zouden het mondelinge verslagnamens de hele groep hebben uitgebracht, dat was zo besproken, het examen werd uitgevoerd als groepsopdracht; - de cijfers die hij op 28 maart 2023 per mail heeft verstuurd slechts concept-cijfers waren. 4.8 Het Hof is evenals het Gerecht van oordeel dat de werkgever – op wiens weg het ligt om bewijs te leveren van zijn stelling dat de docent heeft gefraudeerd met cijfers voor de IP opdracht - voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment dat de docent de cijfers voor de IP aanleverde aan [persoon 4], Part B (AI) van het examen nog niet had plaatsgevonden. Ook niet bij de twee leerlingen die volgens de docent die proef namens de hele groep zouden afleggen, waarbij in het midden kan worden gelaten of het was toegestaan de opdracht als groepsopdracht door de leerlingen te laten uitvoeren. Dat blijkt uit de verklaring van [persoon 4] en uit de verklaring van [persoon 3] (locatiemanager) en wordt bevestigd in de verklaringen van de leerlingen [leerling 1] en [leerling 2] (2.8 en 2.9). Deze beide leerlingen verklaren dat zij herhaaldelijk hebben gevraagd naar de deadline van het inleveren van Part B; [leerling 2] verklaart dat hij uiteindelijk pas op 30 maart 2023 zijn Part B heeft ingeleverd. Het verweer van de docent zoals weergegeven in 4.7 maakt dat niet anders; de door de docent ter onderbouwing daarvan overgelegde stukken, waaronder (foto’s/prints van) WhatsApp-gesprekken tussen de docent en leerlingen weerleggen het verwijt dat de werkgever de docent maakt naar het oordeel van het Hof niet. Integendeel, zij lijken dat eerder te ondersteunen. In een WhatsApp-gesprek met [leerling 1] op 26 maart 2023 immers bevestigt de docent (met het symbool van een opgestoken duim) de berichten dat “we agreed to submit moments and ip part A’’ en ‘’ip part B will be graded based on how we do our experiment’’. In een gesprek op diezelfde dag op een later tijdstip vraagt deze leerling: ‘’And when will ip part B be due for?’’ waarop de docent antwoordt: “Dont worry with that’’ ‘’Just report to me how it went and if the data is good etc’’. In de WhatApp-gesprekken met een andere leerling, [leerling 3], bericht de docent op 29 maart 2023 (dus een dag nadat de cijfers waren ingeleverd) dat de desbetreffende leerling Part B (‘’AI of your IP’’) moet inleveren. Op een daaropvolgende vraag van de leerling of hij Part A al heeft ingeleverd antwoordt de docent: ‘’Yes it is here. (…)’’. ‘’Only cons momentum and Part B individual’’, waaruit niet anders kan worden opgemaakt dan dat Part B op dat moment, een dag nadat de docent de cijfers aan [persoon 4] had doorgegeven, nog niet was ingeleverd. 4.9 Dat de cijfers die de docent naar hij stelt op 28 maart 2023 per e-mail aan [persoon 4] heeft aangeleverd slechts conceptcijfers waren blijkt nergens uit. In de e-mail van 24 maart 2023 van [persoon 4] aan de docenten (2.4) spreekt deze niet van conceptcijfers. Evenmin blijkt uit de e-mail van de docent aan [persoon 4] van 28 maart 2023 dat de daarbij toegezonden cijfers conceptcijfers zijn en ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die in die richting wijzen. 4.10 De docent heeft geen (nader) bewijsaanbod gedaan en het Hof ziet ook geen aanleiding om hem ambtshalve bewijs op te dragen. 4.11 De conclusie is dat de docent op 28 maart 2023 cijfers heeft toegekend voor een (deel van een) toets die (nog) niet was afgenomen. Dat kan niet anders worden geduid dan fraude met cijfers. Cijfers die aan het eind van de laatste twee schooljaren meetellen voor het eindcijfer. Mede gelet op de mogelijk verstrekkende gevolgen die het handelen van de docent kan hebben voor de leerlingen en het geschonden vertrouwen van de school is het Hof van oordeel dat het handelen van de docent een dringende reden oplevert voor onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 4.12 De docent heeft nog gesteld dat de procedure die volgde nadat de verdenking van de fraude is gerezen niet deugdelijk is geschied. Het Hof volgt de docent daarin niet. Vast staat dat de werkgever de docent op 29 maart 2023 heeft geschorst (met behoud van loon) in afwachting van een nader onderzoek. Om de gerezen verdenking nader te onderzoeken en niet onmiddellijk naar het zwaarste middel te grijpen is naar het oordeel van het Hof juist in overeenstemming met de zorgvuldigheid die van de werkgever mag worden verwacht. In dat onderzoek heeft op enig moment een bijeenkomst plaatsgehad op 12 april 2023, waarvan de notulen zich bij de stukken bevinden. Daaruit blijkt dat de docent daar is gehoord nadat hij ook schriftelijk verslag heeft uitgebracht. Van schending van hoor en wederhoor is dan ook niet gebleken. Dat zich andere onregelmatigheden hebben voorgedaan tijdens het onderzoek is onvoldoende onderbouwd gesteld en ook niet gebleken. Na afronding van het onderzoek heeft de werkgever op 21 april 2023 de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd. Dat is voldoende voortvarend. Ook overigens valt niet in te zien dat of hoe de zorgvuldigheid die in deze omstandigheden van een werkgever mag worden verwacht is geschonden. 4.13 Tot slot bestrijdt de docent dat hij schadeplichtig is. Ook daarin gaat het Hof niet mee. Uit het voorgaande blijkt dat de docent verwijtbaar heeft gehandeld en de werkgever een dringende reden heeft gegeven voor onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het Hof wijst evenals het Gerecht de gefixeerde schadevergoeding toe, gelijk aan het bedrag aan loon over de periode dat de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd als deze rechtsgeldig zou zijn geëindigd. Tegen het door het Gerecht toegewezen bedrag heeft de docent noch de werkgever in hoger beroep bezwaar gemaakt, en het Hof heeft er ambtshalve geen bedenkingen bij, zodat dat bedrag toewijsbaar is. Slotsom 4.14 Het hoger beroep slaagt niet. Het Hof zal de bestreden beschikking bevestigen en de docent als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. BESLISSING: Het Hof: bevestigt de bestreden beschikking; veroordeelt de docent in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de werkgever gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NAf 2.000,- aan gemachtigdensalaris alsmede de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover wanneer deze kosten niet binnen veertien dagen na deze beschikking worden betaald; verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Aldus gegeven door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, G.C.C. Lewin en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten op 30 juli 2024 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.