← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2024:317

Zaaknummer: H-23/21 Parketnummer: 500.00065/20 Uitspraak: 12 juli 2024 Tegenspraak Vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 17 februari 2021 in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren [1999] in [Land], thans gedetineerd in Curaçao. Hoger beroep Het Gerecht heeft de verdachte bij vonnis voor het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over de vordering van de benadeelde partij. Omvang van het hoger beroep De officier van justitie heeft blijkens de daarvan opgemaakte akte onbeperkt appel ingesteld. Blijkens de door de procureur-generaal ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting is het appel gericht tegen de hoogte van de opgelegde straf. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureurs-generaal, mr. A.K. Tiggelaar en mr. R.J. Boswijk, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.A. Becher, advocaat in Curaçao, naar voren is gebracht. Namens de benadeelde partij is verschenen mw. E.Z. Snijders, medewerkster van slachtofferhulp Curaçao. Vonnis waarvan beroep Het Hof vernietigt het vonnis waarvan beroep, omdat het ten aanzien van feit 3 tot een andere bewezenverklaring komt. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat: Feit 1 hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2020 tot en met 19 maart 2020, althans in de maanden februari en maart 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij verdachte en/of verdachte’s mededader(

  1. s)opzettelijk die [slachtoffer] (met een riem om de nek) gewurgd en/of (vervolgens) levend begraven ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer]is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten: het medeplegen van een gijzeling en/of opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (poging tot) diefstal (met geweld) (in vereniging) en/of het medeplegen van verduistering en/of oplichting, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(
  2. s)aan voormeld feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; Feit 2 primair: dat hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2020 tot en met 19 maart 2020, althans in de maanden februari en maart 2020 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (van het merk Toyota Ractis, [kenteken]) en/of een mobiele telefoon en/of een banktoken (van de Banco di Caribe n.v.), gekoppeld aan een rekeningnummer op naam van [slachtoffer], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn, verdachte’s mededader(s); subsidiair dat hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2020 tot en met 19 maart 2020, althans in de maanden februari en maart 2020 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een auto (van het merk Toyota Ractis, [kenteken]) en/of een mobiele telefoon en/of een banktoken (van de Banco di Caribe n.v.), gekoppeld aan een rekeningnummer op naam van [slachtoffer]heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die banktoken wist of begreep, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; Feit 3 dat hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2020 tot en met 19 maart 2020, althans in de maanden februari en maart 2020, in Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen één of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededaders, en zich daarbij de toegang tot de plaats van dit misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld (bedrag) en/of goed onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten een (geldige) banktoken (van de Banco di Caribe n.v.), gekoppeld aan een rekeningnummer op naam van [slachtoffer]en het daarbij behorende wachtwoord, met één of meer van zijn mededader(s), althans alleen, zich de toegang heeft verschaft tot de (internet) bankrekening van voornoemde [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; en/of dat hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2020 tot en met 19 maart 2020, althans in de maanden februari en maart 2020 in Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  3. en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Banco di Caribe te bewegen tot de afgifte van één of meerdere geldbedragen, in elk geval van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld en/of tot het teniet doen van een schuld, met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met een banktoken (van de Banco di Caribe n.v.), gekoppeld aan een rekeningnummer op naam van [slachtoffer]en het daarbij behorende wachtwoord door middel van online banking banktransacties heeft verricht voor opname en/of overboeking en/of storting van een geldbedrag (Naf 800,--) en/of meerdere geldbedragen van de rekening van die [slachtoffer]naar de (bank)rekening van hem, verdachte, en/of de (bank)rekening van een andere persoon, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Bewijsoverweging Inleiding In de onderhavige strafzaak gaat het om vijf verdachten, te weten [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Ook spelen een rol [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Voornoemde personen zijn in het dossier veelvuldig met hun bij- of roepnaam aangeduid. Voor de leesbaarheid zal het Hof deze personen ook zoveel mogelijk bij hun bij- of voornaam aanduiden. Het Hof zal het slachtoffer hierna zoveel mogelijk als het slachtoffer aanduiden. Standpunt van de procureur-generaal De procureur-generaal vordert bevestiging van het vonnis waarvan beroep ten aanzien het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van gekwalificeerde doodslag, de onder 2 primair tenlastegelegde diefstal in vereniging en de onder 3 tenlastegelegde poging diefstal in vereniging. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat uit de inconsistente en tegenstrijdige verklaringen van de andere verdachten niet kan worden afgeleid dat [verdachte] het brein was achter de ontvoering en dood van het slachtoffer, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De betrokkenheid van [verdachte] was bovendien een direct gevolg van de bedreigingen door [medeverdachte 1]. [Verdachte] was derhalve slechts getuige van de gebeurtenissen. Het oordeel van het Hof Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting neemt het Hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan. [slachtoffer] is in de nacht van 8 op 9 februari 2020 om het leven gebracht op een open terrein van de finca. Het slachtoffer is levend in een kuil begraven. Zijn benen waren met tie-rips vastgebonden. Zijn hoofd was bedekt met een jute zak of kledingstuk, er is een canvasriem om de nek en handen van het slachtoffer gebonden. Deze riem was zo aan de onderarmen verbonden dat wanneer het slachtoffer zijn handen naar beneden bracht de lus rond de hals/nek werd dichtgeschoven. Uit het sectierapport is gebleken dat de doodsoorzaak zeer verdacht is voor een niet natuurlijke dood. De doodsoorzaak kan zijn gelegen in verwurging door de wijze van vastbinden en/of door verstikking omdat het slachtoffer levend is begraven. De auto van het slachtoffer is diezelfde nacht in brand gestoken in de buurt van de finca (op de Kaya Parnaso, zijnde een onverharde weg in de richting van “Dam Pretu”). Beschouwingen omtrent het gebruik van verklaringen van de verdachten voor het bewijs De verdachten hebben in de loop van de procedure bij de politie, als verdachte en soms als getuige in elkaars zaak, en voor zover van belang telkens in de eigen zaak: ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, verklaringen afgelegd omtrent de gang van zaken voorafgaand aan en gedurende de nacht van 8 op 9 februari 2020. Evenals de rechter in eerste aanleg stelt het Hof vast dat de door de verdachten afgelegde verklaringen omtrent de gang van zaken voorafgaand aan en gedurende de nacht van 8 op 9 februari 2020 op soms meer, soms minder belangrijke onderdelen, afwijken van eerder door die verdachte afgelegde verklaringen. Ook kan worden vastgesteld dat de door een verdachte gegeven lezing niet altijd (op alle onderdelen) overeenkomt met de lezing van (een van) de andere verdachten. Bij die stand van zaken kan worden vastgesteld dat onderdelen van de afgelegde verklaringen onjuist en dus onbetrouwbaar moeten zijn. Dit brengt echter niet mee dat daarom alle onderdelen van de afgelegde verklaringen en dus de desbetreffende verklaringen in hun geheel, wegens onbetrouwbaarheid terzijde moeten worden gesteld. In de verklaringen van de verdachten zijn wel duidelijke gemeenschappelijke elementen te onderscheiden met betrekking tot de gang van zaken voorafgaand aan en gedurende de nacht van 8 op 9 februari 2020. Tevens geldt dat onderdelen van de verklaringen worden ondersteund door ander (objectief) bewijsmateriaal. Voor zover onderdelen in die verklaringen ondersteuning vinden in onderdelen van andere verklaringen of ander bewijsmateriaal acht het Hof het verantwoord daaruit het bewijs te putten dat de gang van zaken aldus is geweest. Het spreekt voor zich dat het Hof met behoedzaamheid gebruik maakt van de in deze zaak afgelegde (onderdelen van) verklaringen. Het Hof overweegt nog dat het de ter terechtzitting in hoger beroep van 10 april 2024 door de verdachten in hun eigen zaak afgelegde verklaringen op 2 mei 2024 heeft gevoegd in de dossiers van de andere verdachten. Daar waar het Hof hierna zonder nadere aanduiding verwijst naar een verklaring van een verdachte, doelt het telkens op de door die verdachte op 10 april 2024 ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring. De aanloop naar – de planning van de ontvoering/beroving van het slachtoffer Het Hof leidt uit de verklaring van [betrokkene 1] af dat [verdachte] op zoek was naar mensen die het slachtoffer konden beroven en dat hij [verdachte] vervolgens met zijn neef [medeverdachte 3] in contact heeft gebracht. In de woning van [betrokkene 1] heeft daarna een bijeenkomst plaatsgevonden over de aanstaande beroving van het slachtoffer. [Betrokkene 1] heeft [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] in zijn woning gezien. Van zijn vriend [medeverdachte 4] heeft hij later gehoord dat het plan van [verdachte] inhield dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] het slachtoffer zouden ontvoeren en zouden afleveren bij [verdachte] en [medeverdachte 1] bij een finca, alwaar het slachtoffer zou worden gedwongen zijn banktoken en pincode af te geven, zodat zijn bankrekening kon worden leeggehaald. Tijdens de bijeenkomst is ook over de (verdeling van
  4. de)buit gesproken. Hij heeft ook verklaard dat hij een vuurwapen aan [verdachte] heeft gegeven. [Medeverdachte 3] heeft bevestigd dat er twee bijeenkomsten hebben plaatsgevonden, waarbij is gesproken over de ontvoering en beroving van het slachtoffer en waarvan er één plaatsvond in de woning van [betrokkene 1]. De door [betrokkene 1] genoemde personen waren ook volgens [medeverdachte 3] bij die bijeenkomst aanwezig. De tweede bijeenkomst vond plaats op 8 februari 2020 bij Parera. Daar was hij – [medeverdachte 3] – samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 1] en [verdachte]. [Medeverdachte 3] heeft bevestigd dat [verdachte] een vuurwapen van [betrokkene 1] heeft ontvangen. Ook de verklaring van [medeverdachte 1.] biedt steun voor hetgeen [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] hebben verklaard. In de door hem in hoger beroep afgelegde verklaring bevestigt hij hetgeen [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] hebben verklaard. De dan door hem afgelegde verklaring houdt in dat hij betrokken was bij de ontvoering/beroving van het slachtoffer, dat dit van te voren is besproken en dat hij bij die besprekingen aanwezig was. Ook verklaart hij dat hij wist wat er op de finca ging gebeuren. Over de bijeenkomst bij Parera verklaart hij dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [verdachte] en hij met z’n vijven in de auto zaten. Hij zat op de achterbank in het midden. [Verdachte] heeft hem toen opgedragen om [betrokkene 2] te bellen om te zeggen dat [betrokkene 2] een kuil moest graven om iets in te verschuilen. [Medeverdachte 1] heeft [betrokkene 2] toen gebeld en heeft de boodschap doorgegeven. Volgens hem heeft iedereen dit gehoord. Dat [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] (het Hof begrijpt: op 8 februari 2020 om 10:04 uur) telefonisch contact met elkaar hebben gehad blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen analyse aansluitnummer #916. Dat er toen is gesproken over het graven van een kuil wordt bevestigd door [verdachte], die in hoger beroep heeft verklaard: “Toen wij bij Parera waren, is hij [betrokkene 2] al gebeld over het graven van een kuil.” Eerste tussenconclusie Het Hof leidt uit het voorgaande af dat er in de aanloop naar de nacht van 8 op 9 februari 2020 ten minste twee bijeenkomsten hebben plaatsgevonden, waarbij ook [verdachte] aanwezig is geweest en dat tijdens die bijeenkomsten is gesproken over de ontvoering en beroving van het slachtoffer. Er was sprake van een vooropgezet plan, waarvan – zo begrijpt het Hof, mede gelet op het feit dat het slachtoffer later ook daadwerkelijk in een – door [betrokkene 2] gegraven - kuil is geduwd en levend is begraven, de woorden: “Een kuil graven om iets in te verschuilen” – het om het leven brengen van het slachtoffer deel uitmaakte. De gang van zaken in de nacht van 8 op 9 februari 2020 a. de ontvoering Uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt verder dat [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] samen het slachtoffer hebben ontvoerd en met het slachtoffer naar de finca zijn gereden om daar de banktoken en het wachtwoord van de bankrekening van het slachtoffer te bemachtigen. Dit vindt steun in de verklaringen van [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. [Medeverdachte 2] heeft ter zake nog verklaard dat het slachtoffer zijn gezicht en de gezichten van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft gezien omdat zij bij het slachtoffer in de auto zaten en dat het slachtoffer, toen hij bij de Gosieweg in een andere auto werd gezet een kap over zijn hoofd kreeg. Uit de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], afgelegd bij de politie op 23 juni 2020 respectievelijk 30 juni 2020, blijkt dat zij alle vijf op de finca aanwezig waren op het moment van de ondervraging van het slachtoffer. Aanknopingspunten voor de juistheid van deze verklaringen vindt het Hof in een op 9 februari 2020 om 00:27 uur door [medeverdachte 3] met [betrokkene 1] gevoerd telefoongesprek. De telefoon van [medeverdachte 3] straalt op dat moment een zendmast op het terrein van de finca aan. [betrokkene 1]: Wat is er aan de hand. [medeverdachte 3]: Actief. [betrokkene 1]: Tito? [medeverdachte 3]: Ja, ik heb de gevangene/gedetineerde al. We gaan kijken of (iets onverstaanbaars). [betrokkene 1]: Is hij aan het los laten of wat? [medeverdachte 3]: Haa. [betrokkene 1]: Laat hij de soep los of wat? (Manier in het Spaans om naar een bekentenis te refereren) medeverdachte 3]: Ja, pas nu gaan wij hem verhoren [betrokkene 1]: "Naguebona" (een uitdrukking in het Spaans dat aangeeft dat iemand verbaast is). [medeverdachte 3]: Oplettend zijn. Ik ga hier regelen om aldaar rustig aan te komen, zodat wij de andere kunnen doen. [betrokkene 1]: De gekke. [medeverdachte 3]: Natuurlijk, maar die gaan we in een andere auto doen, want de witte auto moet bewaard worden. [Medeverdachte 3] heeft in hoger beroep verklaard dat dit gesprek ging over het geld dat ‘we’ volgens [verdachte] van het slachtoffer konden pakken. de beroving Dat is ook zo gegaan. Op de finca is de banktoken van het slachtoffer afgepakt. Met het van het slachtoffer verkregen wachtwoord heeft [verdachte] geprobeerd om in te loggen op de bankrekening van het slachtoffer om zo geld van die rekening af te halen. Dat is niet gelukt. Dit volgt niet alleen uit de verklaringen van [verdachte] en medeverdachte 1, maar ook uit het onderzoek naar de bankrekening van het slachtoffer. Uit de verklaringen van [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] blijkt dat er een vuurwapen op de finca aanwezig was. Het overlijden van het slachtoffer Uit de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kan worden afgeleid dat zij samen met [medeverdachte 4] de finca hebben verlaten en dat het slachtoffer op dat moment nog in leven was. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1], inhoudende dat zij beiden samen met [betrokkene 2] op de finca aanwezig waren toen het slachtoffer levend werd begraven. Hun verklaringen houden verder in dat [betrokkene 2] een kuil heeft gegraven en dat [verdachte] en [medeverdachte 1] het slachtoffer, dat door de tie-rips om zijn voeten zelf niet kon lopen, naar de rand van de kuil hebben gebracht, waarna het slachtoffer in de kuil is geduwd. [Betrokkene 2] heeft de kuil vervolgens volledig met zand gevuld, waardoor het slachtoffer levend is begraven. Eindconclusie Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] betrokken was bij een vooropgezet plan om het slachtoffer te ontvoeren en te beroven en dat van dit plan ook het doden van het slachtoffer deel uitmaakte. Niet is gebleken dat een van de verdachten hierin aanleiding heeft gezien om zich aan de uitvoering van het plan te onttrekken, of zich daarvan te distantiëren dan wel de uitvoering van het plan te verijdelen door het slachtoffer of de officiële instanties te waarschuwen. Ook de verdachte niet. Sterker nog, hij was actief betrokken bij de ontvoering van het slachtoffer en het vervoer van het slachtoffer naar de afgelegen finca. De verdachte heeft aldus op cruciale momenten bijgedragen aan het welslagen van het voorgenomen plan. Zijn bijdrage was van zodanig gewicht dat sprake is van medeplegen. Het ter zake door de raadsvrouw gevoerde verweer wordt dan ook verworpen. Gelet hierop zijn de afzonderlijke daders gezamenlijk verantwoordelijk voor de gedragingen van ieder van hen alsmede voor de gevolgen daarvan. Voor zover de verdediging de stelling heeft betrokken dat [verdachte] slechts onder bedreiging van andere verdachten, in het bijzonder medeverdachte 1, bij de gebeurtenissen in de aanloop naar en de gang van zaken in de nacht van 8 op 9 februari 2020 als getuige betrokken was, gaat het Hof hieraan voorbij. Gelet op het voorgaande vindt die stelling zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Bewezenverklaring Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, met dien verstande dat: 1 hij in de periode van 8 februari 2020 tot en met 9 februari 2020 tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk die [slachtoffer] met een riem om de nek levend begraven ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit: te weten het medeplegen van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en (poging tot) diefstal met geweld in vereniging, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en zijn mededaders aan voormeld feit straffeloosheid of bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. 2 primair hij in de periode van 8 februari 2020 tot en met 9 februari 2020 in Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen: een auto van het merk Toyota Ractis [kenteken], en een mobiele telefoon, en een banktoken van de Banco di Caribe n.v., gekoppeld aan een rekeningnummer op naam van [slachtoffer], toebehorende aan die [slachtoffer]; 3 hij ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, in de periode van 8 tot en met 9 februari 2020 in Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, en in de periode van 10 tot en met 20 februari 2020 alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer], en zich daarbij de toegang tot de plaats van dit misdrijf heeft verschaft en heeft getracht dat weg te nemen geld onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten een geldige banktoken van de Banco di Caribe n.v., gekoppeld aan een rekeningnummer op naam van [slachtoffer] en het daarbij behorende wachtwoord, en zich via internet de toegang heeft verschaft tot de bankrekening van voornoemde [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Aanvullende bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 2 en 3 1. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring op 10 april 2024. Deze verklaring houdt in: Het klopt dat ik de banktoken van het slachtoffer in mijn bezit had. Ik heb de banktoken in handen gekregen na de ondervraging van het slachtoffer door [medeverdachte 3]. De auto van het slachtoffer hebben wij, medeverdachte 1, [betrokkene 2] en ik, die avond nog in brand gestoken. 2. De door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring op 20 januari 2021. Deze verklaring houdt in: Het klopt dat ik direct na de vermissing van het slachtoffer een aantal spullen van hem in mijn bezit had. Het betreft een blauwe telefoon en een banktoken. De blauwe telefoon heb ik aan mijn tante gegeven om te verkopen. De banktoken heb ik gebruikt in te loggen op de bankrekening van het slachtoffer. Ik probeerde in te loggen op zijn bankrekening omdat ik wilde proberen er geld vanaf te halen, maar dat is niet gelukt. Nadere overweging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ontkend de telefoon van het slachtoffer na de finca nog in zijn bezit te hebben gehad. Het Hof schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde. Het Hof stelt vast dat de door de verdachte in eerste aanleg afgelegde verklaring steun vindt in de door zijn tante op 24 maart 2020 afgelegde verklaring, inhoudende dat [verdachte] haar medio februari 2020 een mobiele telefoon heeft gegeven met de vraag deze te verkopen. Aanknopingspunten voor de stelling dat die verklaring onjuist is, heeft het Hof niet. 3. Een proces-verbaal van bevinding met betrekking tot de personenauto met [kenteken] van 9 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (pagina 18 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Op 9 februari 2020 omstreeks 03.15 uur werd in de omgeving van “Dam Pretu” een in brand staande auto aangetroffen. De brandweer was bezig de brand te blussen. Achter de uitgebrande auto werd een kentekenplaat [kenteken] aangetroffen. Dit nummer staat geregistreerd bij een blauwe Toyota Ractis. Die auto staat op naam van het bedrijf [naam], welk bedrijf toebehoort aan [slachtoffer]. 4. Een proces-verbaal van bevinding van 30 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (pagina 151 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: De vrouw van [slachtoffer] heeft aangegeven dat haar man ten tijde van zijn verdwijning in het bezit moet zijn geweest van twee mobiele telefoons, een witte Samsung J7 en een blauwe Samsung Galaxy A70. Op 6 maart 2020 is [verdachte] aangehouden op [adres]. Bij de huiszoeking op dat adres werden twee mobiele telefoons in beslag genomen, die werden gebruikt door [verdachte] en zijn vrouw. Het betrof een gouden Samsung J2 en een zwarte Samsung AID. In de zwarte Samsung AID trof het onderzoeksteam twee foto’s aan, waarop een blauwe mobiele telefoon van het merk Samsung, model A70 is afgebeeld. De tante van [verdachte] heeft de Samsung A70, waarvan een foto in de telefoon van [verdachte] is aangetroffen, herkend als de mobiele telefoon die zij op 9 februari 2020 van [verdachte] heeft gekregen met de opdracht om die voor hem te verkopen. Zij verklaarde tijdens haar verhoor op 24 maart 2020 dat zij de foto’s die in de telefoon van [verdachte] zijn gevonden, bij haar thuis heeft gemaakt. 5. Een proces-verbaal van bevinding van 10 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (pagina 64 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Bij de huiszoeking op 6 maart 2020 in de woning van de aangehouden verdachte werd in de klerenkast in de slaapkamer van de verdachte een banktoken van Banko di Caribe N.V. met [serienummer] aangetroffen. Uit het onderzoek is gebleken dat het token met [serienummer toebehoort aan [slachtoffer]. 6. Een proces-verbaal van bevinding en analyse van 5 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (pagina 38 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Er is vanaf 9 februari 2020 op het account van [slachtoffer] bij de Banko di Caribe N.V. op na te noemen tijdstippen en IP-adressen ingelogd. Feb 9 2020 1:52:59 AM 138.99.215.38 Logged on Feb 9 2020 1:57:08 AM 138.99.215.38 Logged out Feb 9 2020 5:21:27 PM 186.90.98.76 Failed Logon – invalid token Feb 9 2020 5:24:26 PM 186.90.98.76 Failed Logon – Invalid Token Last Attempt Feb 16 2020 11:14:55 AM 186.2.191.196 Logged on Feb 16 2020 11:16:08 AM 186.2.191.196 Logged out Feb 16 2020 12:07:27 PM 186.2.191.196 Logged on Feb 16 2020 3:25:15 PM 186.2.191.196 Logged on Feb 16 2020 3:26:11 PM 186.2.191.196 Logged on Feb 16 2020 3:35:26 PM 186.2.191.196 Failed Logon – Invalid token Feb 16 2020 3:36:06 PM 186.2.191.196 Logged on Feb 16 2020 3:39:36 PM 186.2.191.196 Logged out Feb 16 2020 4:49:18 PM 186.2.191.196 Logged on Feb 17 2020 7:01:45 AM 186.2.191.196 Logged on Feb 17 2020 7:11:09 AM 186.2.191.196 Logged on Feb 17 2020 7:19:53 AM 186.2.191.196 Logged out Feb 17 2020 7:54:20 AM 186.2.191.196 Logged on Feb 17 2020 7:55:11 AM 186.2.191.196 Logged out Feb 17 2020 11:52:08 AM 186.2.191.196 Logged on Feb 17 2020 11:58:37 AM 186.2.191.196 Logged out Feb 18 2020 7:28:48 AM 186.2.191.196 Failed Logon – Invalid token Feb 18 2020 7:28:55 AM 186.2.191.196 Logged on Feb 18 2020 7:29:47 AM 186.2.191.196 Logged out Feb 19 2020 6:19:26 PM 186.2.191.196 Logged on Feb 19 2020 6:26:29 PM 186.2.191.196 Logged out Feb 20 2020 10:28:01 AM 186.2.191.196 Logged On Feb 20 2020 10:30:40 AM 186.2.191.196 Logged out Mar 4 2020 9:34:42 AM 186.2.191.196 Logged on Feb 20 2020 9:44:26 AM 186.2.191.196 Logged out 7. Een proces-verbaal van bevinding analyse mobiele telefoon van [verdachte] van 30 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (pagina 149 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Op 23 maart 2020 vond er een huiszoeking plaats op [adres], de woning van de verdachte. Tijdens de huiszoeking werden twee mobiele telefoons in beslag genomen, die gebruikt werden door de verdachte en zijn vrouw. Het betrof een goudkleurige Samsung J2 en een zwarte Samsung AID. In de zwarte Samsung AID werden twee foto’s aangetroffen van een blauwe Samsung, model A70. Er werd een vergelijking gedaan met de mobiele telefoons van [slachtoffer]. Op 24 maart 2020 werden verschillende getuigen verhoord betreffende de mobiele telefoons van [slachtoffer]. Hierbij werden de in de mobiele telefoon van [verdachte] gevonden foto’s aan de getuigen getoond. De tante van de verdachte heeft de Samsung A70 herkend als de mobiele telefoon die zij van [verdachte] heeft gekregen op 9 februari 2020, met de opdracht om die voor hem te verkopen. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het bewezen wordt als volgt gekwalificeerd: ten aanzien van feit 1 medeplegen van doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Ten aanzien van feit 2 primair diefstal door twee of meer verenigde personen. Ten aanzien van feit 3 poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, en poging tot diefstal. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Oplegging van straf Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag. De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer, volgens vooropgezet plan, in de late uren van 8 februari 2020 bij zijn woning ontvoerd en hebben hem meegenomen naar een afgelegen finca. Wat zich na de aankomst van het slachtoffer op de finca precies heeft afgespeeld is onduidelijk en zal dat ook wel blijven. De diverse verklaringen over een ruzie tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] en de aanwezigheid en het gebruik van het vuurwapen op de finca, zijn daarvoor te verschillend. Wel staat vast dat het slachtoffer is bewogen tot de afgifte van een banktoken en zijn wachtwoord dan wel dat de banktoken van hem is afgepakt en dat [verdachte] heeft geprobeerd om met die gegevens in te loggen op de bankrekening van het slachtoffer om zodoende het geld van het slachtoffer te stelen. Dit is niet gelukt omdat er geen geld op die rekening bleek te staan. Uiteindelijk is het slachtoffer met geboeide handen en voeten in een kuil geduwd, waarna de kuil volledig met aarde is gevuld. Het slachtoffer is levend begraven. Onduidelijk is hoelang het daarna nog heeft geduurd voordat het slachtoffer is overleden. Evenmin is duidelijk of hij is overleden doordat hij zichzelf heeft verwurgd door de riem om zijn handen en hals of dat hij om het leven is gekomen door verstikking ofwel doordat zand in zijn luchtpijp hem het ademen heeft bemoeilijkt of dat hij door het gewicht van het zand op zijn borstkas niet meer kon ademen. Bedolven onder de aarde heeft hij de strijd om zijn leven in ieder geval verloren. Het is alleszins denkbaar dat hij gedurende die strijd zal hebben beseft dat hij alleen, op een afgelegen finca, onvindbaar voor zijn dierbaren zou sterven. Dit onderstreept de wreedheid van hetgeen de verdachte en zijn mededaders het slachtoffer hebben aangedaan. De verdachte heeft zich door zo te handelen samen met anderen schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Daarbij is het slachtoffer, echtgenoot en vader van twee nog jonge kinderen, het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. De verdachte heeft zich voorts samen met anderen schuldig gemaakt aan de diefstal van enkele goederen van het slachtoffer en aan de poging tot diefstal van een geldbedrag van het slachtoffer. De auto van het slachtoffer is in brand gestoken. Verder heeft hij niet alleen samen met anderen tijdens de gebeurtenissen in de nacht van 8 op 9 februari 2020 met de banktoken ingelogd op de bankrekening van het slachtoffer, maar heeft hij daarna ook alleen ingelogd in de hoop alsnog geld van die rekening op te kunnen nemen en heeft hij de telefoon van het slachtoffer door tussenkomst van zijn tante te koop aangeboden. Ook dit rekent het Hof de verdachte aan. Het behoeft geen betoog dat het overlijden van het slachtoffer diepe wonden heeft geslagen in de levens van zijn dierbaren. Zij hebben vijf weken tussen hoop en vrees geleefd. Zij zullen de gevolgen van dit onherroepelijke en onverwachte verlies voor altijd met zich meedragen. Feiten als deze schokken de rechtsorde en versterken gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Evenals de rechter in eerste aanleg houdt het Hof in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat hij de locatie heeft aangewezen waar het slachtoffer is begraven en dat hij uitgebreid heeft verklaard over wie er verder bij de ontvoering en dood van het slachtoffer betrokken waren. Zonder zijn verklaring zou het lichaam van het slachtoffer waarschijnlijk nooit zijn gevonden. De procureur-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren. Het Hof acht, alles afwegende, oplegging van de gevorderde straf passend en geboden. Bij de duur van de op te leggen gevangenisstraf neemt het Hof tevens in aanmerking dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In het geval een verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit in voorlopige hechtenis verkeert, geldt als uitgangspunt dat de behandeling ter terechtzitting per fase binnen zestien maanden na aanvang van de redelijke termijn dient te zijn afgerond. De berechting in eerste aanleg heeft voortvarend plaatsgevonden. Immers, de verdachte is op 6 maart 2020 aangehouden en op 17 februari 2021 heeft het Gerecht vonnis gewezen. Dat geldt niet voor de berechting in hoger beroep. Het Hof gaat ervan uit dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 2 maart 2021, met het instellen van het hoger beroep door de officier van justitie. Tussen die datum en de datum waarop het Hof vonnis wijst (12 juli 2024) ligt een periode van bijna veertig maanden waar een periode van zestien maanden gerechtvaardigd was. Het Hof constateert dat ook voor de procedure in z’n geheel geldt dat sprake is van een schending van de redelijke termijn. Waar de berechting 32 maanden mocht duren heeft de berechting in totaal bijna 48 maanden geduurd. Nu deze overschrijding niet in zodanige mate te wijten is aan de ingewikkeldheid van de zaak of de invloed van de verdediging, komt deze overschrijding voor compensatie in de vorm van strafvermindering in aanmerking. Daarbij geldt dat bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden, zoals in deze zaak, naar bevind van zaken dient te worden gehandeld. Het Hof zou zonder even genoemde constatering, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren hebben opgelegd. Gelet echter op de vastgestelde aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, moet worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van negentien jaren en zes maanden. Schadevergoeding De benadeelde partij [vrouw slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 133.757,- maar dient in het kader van het strafrechtelijke proces te worden beperkt tot een bedrag van NAf 50.000,-. De verdediging heeft de vordering in hoger beroep niet betwist. Het Hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de kosten van levensonderhoud voor de minderjarige kinderen niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor beslissing in de strafzaak. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet worden ontvangen en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De overige posten zijn voldoende onderbouwd en uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van NAf 42.512,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2020. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het Hof ziet aanleiding een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Het Hof zal aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan het Land Curaçao van een bedrag van NAf 42.512,-, ten behoeve van de benadeelde partij, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 247 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk, met dien verstande dat voor zover genoemde bedragen geheel of gedeeltelijk door één van de medeverdachten zijn betaald aan de benadeelde partij en/of het Land, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen, alsmede dat betalingen aan de benadeelde partijen in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan het Land en dat betalingen aan het Land in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:78, 1:123, 1:136, 2:259 en 2:288 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het Hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 (negentien) jaren en 6 (zes) maanden. beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht; wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [vrouw slachtoffer] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 42.512,- (tweeënveertigduizend vijfhonderdtwaalf gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2020 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij; verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [vrouw slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken; legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [vrouw slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 42.512,- (tweeënveertigduizend vijfhonderdtwaalf gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 247 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2020 tot aan de dag van de voldoening; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen; bepaalt dat indien en voor zover een van de mededaders van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan het Land. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. S. Verheijen en mr. W. Foppen, leden van het Hof, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op 12 juli 2024 ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao. Mr. Verheijen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. De hierna aangeduide processen-verbaal zijn, voor zover niet anders aangegeven, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Proces-verbaal ter terechtzitting van 10 en 11 april 2024. Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 29 juni 2020 (pagina 1030 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 20 mei 2020 (pagina 554) en proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] van 15 juni 2020 (pagina 744 e.v.) en proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 29 juni 2020 (pagina 1037 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] van 15 juni 2020 (pagina 737 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] van 29 juli 2020 (pagina 1122 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] van 15 juni 2020 (pagina 835 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 19 maart 2020 (pagina 491) en een proces-verbaal van [medeverdachte 1] van 29 juni 2020 (pagina 1053). Proces-verbaal van forensisch onderzoek naar aanleiding van opgraving van een stoffelijk overschot te Plantage Kunuku op 19 maart 2020 van 17 juli 2020 (pagina 87 e.v.). Een forensisch autopsierapport van 25 maart 2020, opgemaakt door patholoog (pagina 120 e.v.). Een process-verbaal van bevinding met betrekking tot de personenauto met [kenteken] (pagina 18 e.v.). Proces-verbaal van het eerste verhoor van [betrokkene 1], pagina 828 e.v. Proces-verbaal van het vijfde verhoor van [betrokkene 1], pagina 863 e.v. Proces-verbaal van vijfde verhoor van [medeverdachte 1], pagina 1079 e.v. proces-verbaal van zesde verhoor van [medeverdachte 1], pagina 1091 e.v. Proces-verbaal van bevindingen analyse aansluitnummer #916, pagina 1342 e.v. Proces-verbaal van het eerste verhoor van [betrokkene 1], pagina 828 e.v. Proces-verbaal van bevindingen analyse aansluitnummer #916, pagina 1342 e.v. De door [verdachte] op 20 januari 2021 ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring, de door [medeverdachte 2] op 18 december 2021 ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring en het proces-verbaal van bevinding en analyse bank en IP adresgegevens , pagina 38 e.v.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.