Zaaknummer: H-26/21 Parketnummer: 500.00140/20 Uitspraak: 12 juli 2024 Tegenspraak Vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 17 februari 2021 in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren [1984] in [Land], thans gedetineerd in Curaçao. Hoger beroep Het Gerecht heeft de verdachte bij vonnis vrijgesproken van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde en voor het onder 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over de vordering van de benadeelde partij. De officier van justitie heeft op 2 maart 2021 onbeperkt hoger beroep ingesteld. Op 14 juni 2021 heeft de officier van justitie het appel bij akte beperkt in die zin dat het appel thans alleen nog is gericht tegen de onder 1 gegeven beslissing tot vrijspraak. De verdachte heeft ook hoger beroep ingesteld. Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis in zijn geheel aan het oordeel van het Hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureurs-generaal, mr. A.K. Tiggelaar en mr. R.J. Boswijk, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw, R.S.M. Moeniralam, advocaat in Curaçao, naar voren is gebracht. Namens de benadeelde partij is verschenen mw. E.Z. Snijders, medewerkster van slachtofferhulp Curaçao Vonnis waarvan beroep Het Hof vernietigt het vonnis waarvan beroep, omdat het ten aanzien van de feiten 1 en 2 tot een bewezenverklaring komt. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting– ten laste gelegd: Feit 1 dat hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2020 tot en met 19 maart 2020, althans in de maanden februari en maart 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij verdachte en/of zijn, verdachte’s mededader(
- s)opzettelijk die [slachtoffer] (met een riem om de nek) gewurgd en/of (vervolgens) levend begraven ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten: het medeplegen van gijzeling en/of opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (poging tot) diefstal (met geweld) (in vereniging) en/of het medeplegen van verduistering en/of oplichting, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(
- s)aan voormeld feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; Feit 2 primair dat hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2020 tot en met 19 maart 2020, althans in de maanden februari en maart 2020 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, zijnde de Banco di Caribe, te dwingen iets te doen of niet doen, namelijk afgifte en/of overboeking van geldbedrag(
- en)door gebruik van een banktoken en wachtwoord, immers heeft/hebben hij, verdachte toen en daar tezamen met zijn mededader(
- s)opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (vanuit de woning waar hij zich bevond) tegen zijn wil meegenomen en/of onder bedreiging van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, bedreigd en/of geplaatst in een personenauto en/of zijn handen vastgebonden en/of zijn hoofd met iets bedekt en/of hem naar een landgoed (te Plantage Groot Sint Joris) meegevoerd en /of (vervolgens) die [slachtoffer] (met een riem om de nek) gewurgd en/of (vervolgens) in een kuil gegooid en/of met een graaflaadmachine zand over hem gegooid en levend begraven, welk feit (de gijzeling) de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad; Feit 2 subsidiair dat hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2020 tot en met 19 maart 2020, althans in de maanden februari en maart 2020 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte toen en daar tezamen met zijn mededader(
- s)opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (vanuit de woning waar hij zich bevond) tegen zijn wil meegenomen en/of onder bedreiging van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, bedreigd en/of geplaatst in een personenauto en/of zijn handen vastgebonden en/of zijn hoofd met iets bedekt en/of hem naar een landgoed (te Plantage Groot Sint Joris) meegevoerd en /of (vervolgens) die [slachtoffer] (met een riem om de nek) gewurgd en/of (vervolgens) in een kuil gegooid en/of met een graaflaadmachine zand over hem gegooid en/of levend begraven, welk feit (de ontvoering) de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad; Feit 3 dat hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2020 tot en met 19 maart 2020, althans in de maanden februari en maart 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één en/of meerdere vuurwapen(
- s)en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, althans één of meer soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Bewijsoverweging Inleiding In de onderhavige strafzaak gaat het om vijf verdachten, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Ook spelen een rol [betrokkene 1]) en [betrokkene 2]. Voornoemde personen zijn in het dossier veelvuldig met hun bij- of roepnaam aangeduid. Voor de leesbaarheid zal het Hof deze personen ook zoveel mogelijk bij hun bij- of roepnaam aanduiden. Het Hof zal het slachtoffer hierna zoveel mogelijk als het slachtoffer aanduiden. Standpunt van de procureur-generaal De procureur-generaal vordert bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van gekwalificeerde doodslag, het onder 2 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van ontvoering onder strafverzwarende omstandigheden en het onder 3 tenlastegelegde medeplegen vuurwapenbezit. Het openbaar ministerie stelt voorop dat het er niet langer vanuit gaat dat [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [verdachte] nog op de finca waren toen het slachtoffer levend werd begraven. Daar staat echter tegenover dat er voorafgaand aan de ontvoering een vuurwapen is geregeld en dat [medeverdachte 2], in de aanwezigheid van de anderen, telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 2] over het graven van een kuil. Deze omstandigheden, gevoegd bij de bijdrage die de verdachte heeft geleverd aan ontvoering, maken dat de verdachte niet alleen welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer de ontvoering/beroving niet zou overleven, ook heeft hij een significante bijdrage geleverd aan het feitencomplex dat tot de dood van het slachtoffer heeft geleid, waarop hij dus, minst genomen in voorwaardelijke zin, ook opzet op heeft gehad. Gelet daarop is het vertrek van [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [verdachte] vóór het moment waarop het slachtoffer levend is begraven niet meer relevant. Daar komt bij dat dit vertrek moet worden gezien als de ‘doorstart’ naar de tweede fase. De verdachten hadden het immers ook gemunt op [slachtoffer 2]. Dit volgt uit de verklaringen van [medeverdachte 1], de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij die nacht twee maal is gebeld door een hem onbekend nummer en uit het telefoongesprek tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] om 00:27 uur. Nu [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [verdachte] samen zijn vertrokken, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] samen naar de finca zijn terug gegaan en uit de telecomgegevens kan worden afgeleid dat [medeverdachte 3] [verdachte] pas om 03:36 bij diens woning heeft afgezet, geldt ten aanzien van [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] dat hun actieve bedrage aan het plan niet is geëindigd met hun vertrek van de finca. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] de tenlastegelegde (gekwalificeerde) doodslag en ontvoering heeft (mede)gepleegd. Zijn opzet was daarop nimmer gericht. Hij was slechts ter plaatste in verband met het verkrijgen van een verblijfsvergunning. De onbetrouwbare en tegenstrijdige verklaringen van [medeverdachte 1] kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd. [Verdachte] had geen wapen bij zich. Ook voor het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen bestaat onvoldoende bewijs. Het oordeel van het Hof Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting neemt het Hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan. [slachtoffer] is in de nacht van 8 op 9 februari 2020 om het leven gebracht op een open terrein van de finca. Het slachtoffer is levend in een kuil begraven. Zijn benen waren met tie-rips vastgebonden. Zijn hoofd was bedekt met een jute zak of kledingstuk, er is een canvasriem om de nek en handen van het slachtoffer gebonden. Deze riem was zo aan de onderarmen verbonden dat wanneer het slachtoffer zijn handen naar beneden bracht de lus rond de hals/nek werd dichtgeschoven. Uit het sectierapport is gebleken dat de doodsoorzaak zeer verdacht is voor een niet natuurlijke dood. De doodsoorzaak kan zijn gelegen in verwurging door de wijze van vastbinden en/of door verstikking omdat het slachtoffer levend is begraven. De auto van het slachtoffer is diezelfde nacht in brand gestoken in de buurt van de finca (op de Kaya Parnaso, zijnde een onverharde weg in de richting van “Dam Pretu”). Beschouwingen omtrent het gebruik van verklaringen van de verdachten voor het bewijs De verdachten hebben in de loop van de procedure bij de politie, als verdachte en soms als getuige in elkaars zaak, en voor zover van belang telkens in de eigen zaak: ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, verklaringen afgelegd omtrent de gang van zaken voorafgaand aan en gedurende de nacht van 8 op 9 februari 2020. Evenals de rechter in eerste aanleg stelt het Hof vast dat de door de verdachten afgelegde verklaringen omtrent de gang van zaken voorafgaand aan en gedurende de nacht van 8 op 9 februari 2020 op soms meer, soms minder belangrijke onderdelen, afwijken van eerder door die verdachte afgelegde verklaringen. Ook kan worden vastgesteld dat de door een verdachte gegeven lezing niet altijd (op alle onderdelen) overeenkomt met de lezing van (een van) de andere verdachten. Bij die stand van zaken kan worden vastgesteld dat onderdelen van de afgelegde verklaringen onjuist en dus onbetrouwbaar moeten zijn. Dit brengt echter niet mee dat daarom alle onderdelen van de afgelegde verklaringen en dus de desbetreffende verklaringen in hun geheel, wegens onbetrouwbaarheid terzijde moeten worden gesteld. In de verklaringen van de verdachten zijn wel duidelijke gemeenschappelijke elementen te onderscheiden met betrekking tot de gang van zaken voorafgaand aan en gedurende de nacht van 8 op 9 februari 2020. Tevens geldt dat onderdelen van de verklaringen worden ondersteund door ander (objectief) bewijsmateriaal. Voor zover onderdelen in die verklaringen ondersteuning vinden in onderdelen van andere verklaringen of ander bewijsmateriaal acht het Hof het verantwoord daaruit het bewijs te putten dat de gang van zaken aldus is geweest. Het spreekt voor zich dat het Hof met behoedzaamheid gebruik maakt van de in deze zaak afgelegde (onderdelen van) verklaringen. Het Hof overweegt nog dat het de ter terechtzitting in hoger beroep van 10 april 2024 door de verdachten in hun eigen zaak afgelegde verklaringen op 2 mei 2024 heeft gevoegd in de dossiers van de andere verdachten. Daar waar het Hof hierna zonder nadere aanduiding verwijst naar een verklaring van een verdachte, doelt het telkens op de door die verdachte op 10 april 2024 ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring. De aanloop naar – de planning van de ontvoering/beroving van het slachtoffer Het Hof leidt uit de verklaring van [betrokkene 1] af dat [medeverdachte 1] op zoek was naar mensen die het slachtoffer konden beroven en dat hij [medeverdachte 1] vervolgens met zijn neef [medeverdachte 3] in contact heeft gebracht. In de woning van [betrokkene 1] heeft daarna een bijeenkomst plaatsgevonden over de aanstaande beroving van het slachtoffer. [betrokkene 1] heeft [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] toen in zijn woning gezien. Van zijn vriend [medeverdachte 4] heeft hij later gehoord dat het plan van [medeverdachte 1] inhield dat [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] het slachtoffer zouden ontvoeren en zouden afleveren bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij een finca, alwaar het slachtoffer zou worden gedwongen zijn banktoken en pincode af te geven, zodat zijn bankrekening kon worden leeggehaald. Tijdens de bijeenkomst is ook over de (verdeling van
- de)buit gesproken. Hij heeft ook verklaard dat hij een vuurwapen aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. [medeverdachte 3] heeft bevestigd dat er twee bijeenkomsten hebben plaatsgevonden, waarbij is gesproken over de ontvoering en beroving van het slachtoffer en waarvan er één plaatsvond in de woning van [betrokkene 1]. De door [betrokkene 1] genoemde personen waren ook volgens [medeverdachte 3] bij die bijeenkomst aanwezig. De tweede bijeenkomst vond plaats op 8 februari 2020 bij Parera. Daar was hij – [medeverdachte 3] - samen met [verdachte], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] heeft bevestigd dat [medeverdachte 1] een vuurwapen van [betrokkene 1] heeft ontvangen. Ook de verklaring van [medeverdachte 2] biedt steun voor hetgeen [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] hebben verklaard. In de door hem ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring bevestigt hij hetgeen [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] hebben verklaard. De dan door hem afgelegde verklaring houdt in dat hij betrokken was bij de ontvoering/beroving van het slachtoffer, dat dit van te voren is besproken en dat hij bij die besprekingen aanwezig was. Ook verklaart hij dat hij wist wat er op de finca ging gebeuren. Over de bijeenkomst bij Parera verklaart hij dat [verdachte], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en hij met z’n vijven in de auto zaten. Hij zat op de achterbank in het midden. [medeverdachte 1] heeft hem toen opgedragen om [betrokkene 2] te bellen om te zeggen dat [betrokkene 2] een kuil moest graven om iets in te verschuilen. [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 2] toen gebeld en heeft de boodschap doorgegeven. Volgens hem heeft iedereen dit gehoord. Dat [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] (het Hof begrijpt: op 8 februari 2020 om 10:04 uur) telefonisch contact met elkaar hebben gehad blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen analyse aansluitnummer #916. Dat er toen is gesproken over het graven van een kuil wordt bevestigd door [medeverdachte 1], die ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard: “Toen wij bij Parera waren, is hij ([betrokkene 2]) al gebeld. Ten slotte volgt ook uit de door [medeverdachte 1] op 10 april 2024 als getuige ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring dat het de bedoeling was om het slachtoffer te ontvoeren en te beroven en dat er in de aanloop naar de ontvoering/beroving twee bijeenkomsten hebben plaatsgevonden. Eerste tussenconclusie Het Hof leidt uit het voorgaande af dat er in de aanloop naar de nacht van 8 op 9 februari 2020 ten minste twee bijeenkomsten hebben plaatsgevonden, waarbij ook [verdachte] aanwezig is geweest en dat tijdens die bijeenkomsten is gesproken over de ontvoering en beroving van het slachtoffer. Er was sprake van een vooropgezet plan, waarvan – zo begrijpt het Hof de woorden: “Een kuil graven om iets in te verschuilen” het overlijden van het slachtoffer deel uitmaakte. De gang van zaken in de nacht van 8 op 9 februari 2020 a. de ontvoering Uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt verder dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] samen het slachtoffer hebben ontvoerd en met het slachtoffer naar de finca zijn gereden om daar de banktoken en het wachtwoord van de bankrekening van het slachtoffer te bemachtigen. Dit vindt steun in de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. [Verdachte] heeft ter zake nog verklaard dat het slachtoffer zijn gezicht en de gezichten van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft gezien omdat zij bij het slachtoffer in de auto zaten en dat het slachtoffer, toen hij bij de Gosieweg in een andere auto werd gezet een kap over zijn hoofd kreeg. [medeverdachte 1] heeft op 10 april 2024 als getuige in de zaken van de andere verdachten verklaard dat zij alle vijf op de finca aanwezig waren op het moment van de ondervraging van het slachtoffer. Dit wordt ook door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] verklaard ten overstaan van de politie op 23 juni 2020 respectievelijk 30 juni 2020. Aanknopingspunten voor de juistheid van deze verklaringen vindt het Hof verder in een op 9 februari 2020 om 00:27 uur door [medeverdachte 3] met [betrokkene 1] gevoerd telefoongesprek. De telefoon van [medeverdachte 3] straalt op dat moment een zendmast op het terrein van de finca aan. [betrokkene 1]: Wat is er aan de hand. [medeverdachte 3]: Actief. [betrokkene 1]: Tito? [medeverdachte 3]: Ja, ik heb de gevangene/gedetineerde al. We gaan kijken of (iets onverstaanbaars). [betrokkene 1]: Is hij aan het los laten of wat? [medeverdachte 3]: Haa. [betrokkene 1]: Laat hij de soep los of wat? (Manier in het Spaans om naar een bekentenis te refereren) [medeverdachte 3]: Ja, pas nu gaan wij hem verhoren [betrokkene 1]: "Naguebona" (een uitdrukking in het Spaans dat aangeeft dat iemand verbaast is). [medeverdachte 3]: Oplettend zijn. Ik ga hier regelen om aldaar rustig aan te komen, zodat wij de andere kunnen doen. [betrokkene 1]: De gekke. [medeverdachte 3]: Natuurlijk, maar die gaan we in een andere auto doen, want de witte auto moet bewaard worden. [medeverdachte 3] heeft in hoger beroep verklaard dat dit gesprek ging over het geld dat ‘we’ volgens [medeverdachte 1] van het slachtoffer konden pakken. Het Hof overweegt nog dat niet is gebleken dat het slachtoffer van zijn vrijheid is beroofd teneinde de Banco di Caribe te dwingen om iets te doen. Evenals de rechter in eerste aanleg zal het Hof de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde. de beroving Op de finca is inderdaad de banktoken van het slachtoffer afgepakt. Met het van het slachtoffer verkregen wachtwoord heeft [medeverdachte 1] geprobeerd om in te loggen op de bankrekening van het slachtoffer om zo geld van die rekening af te halen. Dat is niet gelukt. Dit volgt niet alleen uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maar ook uit het onderzoek naar de bankrekening van het slachtoffer. Uit de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte] blijkt dat er een vuurwapen op de finca aanwezig was. Dit vuurwapen is door [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] gegeven, zo volgt ook uit de verklaring van [medeverdachte 3], waarin hij zegt dat zij ([medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]) via [betrokkene 1] bij [medeverdachte 1] terecht zijn gekomen en dat [betrokkene 1] ook betrokken was bij het plan door het vuurwapen te leveren. Dit vuurwapen maakte derhalve deel uit van het plan, zodat zij het gezamenlijk voorhanden hebben gehad. Het overlijden van het slachtoffer Uit de verklaringen van [medeverdachte 3] en [verdachte] kan worden afgeleid dat zij samen met [medeverdachte 4] de finca hebben verlaten en dat het slachtoffer op dat moment nog in leven was. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], inhoudende dat zij beiden, samen met [betrokkene 2] op de finca aanwezig waren toen het slachtoffer levend werd begraven. Hun verklaringen houden verder in dat [betrokkene 2] een kuil heeft gegraven en dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het slachtoffer, dat door de tie-rips om zijn voeten zelf niet kon lopen, naar de rand van de kuil hebben gebracht, waarna het slachtoffer in de kuil is geduwd. [betrokkene 2] heeft de kuil vervolgens volledig met zand gevuld, waardoor het slachtoffer levend is begraven. Eindconclusie Hoewel vaststaat dat [medeverdachte 4], en ook [verdachte] en [medeverdachte 3] de finca hebben verlaten toen het slachtoffer nog in leven was, is het Hof, op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat [medeverdachte 4] samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3] betrokken was bij een vooropgezet plan om het slachtoffer te ontvoeren en te beroven en dat van dit plan ook het doden van het slachtoffer deel uitmaakte. Niet is gebleken dat een van de verdachten hierin aanleiding heeft gezien om zich aan de uitvoering van het plan te onttrekken, of zich daarvan te distantiëren dan wel de uitvoering van het plan te verijdelen door het slachtoffer of de officiële instanties te waarschuwen. Ook de verdachte niet. Sterker nog, hij was actief betrokken bij de ontvoering van het slachtoffer en het vervoer van het slachtoffer naar de afgelegen finca. De verdachte heeft aldus op cruciale momenten bijgedragen aan het welslagen van het voorgenomen plan. Zijn bijdrage was van zodanig gewicht dat sprake is van medeplegen. Het ter zake door de raadsvrouw gevoerde verweer wordt dan ook verworpen. Gelet hierop zijn de afzonderlijke daders gezamenlijk verantwoordelijk voor de gedragingen van ieder van hen, alsmede voor de gevolgen daarvan. De omstandigheid dat [verdachte] niet bij het begraven van het slachtoffer aanwezig was, maakt dat als gezegd niet anders. Het Hof merkt ten slotte nog op dat [verdachte] op 15 juni 2020 is aangehouden. Hij heeft bij zijn voorgeleiding verklaard over een incident waarbij mannen hem begin 2020 hebben bedreigd om iemand te vermoorden. In de daaropvolgende verhoren heeft hij zich op vragen betreffende de onderhavige strafbare feiten telkens op zijn zwijgrecht beroepen. In zijn zesde verhoor op 23 november 2020 heeft hij verklaard dat hij via [betrokkene 1] met [medeverdachte 1] in contact is gekomen omdat [medeverdachte 1] hem zou kunnen helpen met zijn verblijfsvergunning. [medeverdachte 1] heeft daartoe een afspraak voor hem gemaakt met het slachtoffer. Toen [medeverdachte 1] hem kwam ophalen, bleken ook [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in de auto te zitten. Zij zijn toen met het slachtoffer via de Gosieweg naar de finca gereden. Daar heeft [verdachte] [medeverdachte 1] 4.000 gulden gegeven. Daarna heeft [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] en hem in de auto van het slachtoffer naar huis gebracht. Hij heeft nog aangegeven dat hij wordt bedreigd door [medeverdachte 1] en door leden van “Los Silenciosos”, de groepering waarvan [medeverdachte 1] de baas is. Nog daargelaten dat niet valt in te zien waarom [verdachte] dit niet meteen vanaf zijn eerste verhoor naar voren heeft gebracht, verhoudt dit zich totaal niet met de verklaringen van de anderen over de aanloop naar en de gang van zaken die nacht en de rol van [verdachte] in dat geheel. Het Hof schuift deze verklaring dan ook als ongeloofwaardig terzijde. Strafverzwarende omstandigheid Het Hof zal de verdachte vrijspreken van de onder feit 2 tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid: de dood ten gevolge hebbend, omdat de dood van het slachtoffer niet het gevolg is geweest van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Bewezenverklaring Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat: 1 hij in de periode van 8 februari 2020 tot en met 9 februari 2020 tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk die [slachtoffer] met een riem om de nek levend begraven ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit: te weten het medeplegen van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en (poging tot) diefstal met geweld in vereniging, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en zijn mededaders aan voormeld feit straffeloosheid of bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Feit 2 subsidiair dat hij in de periode van 8 februari 2020 tot en met 9 februari 2020, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders opzettelijk voornoemde [slachtoffer] tegen zijn wil meegenomen in een personenauto en zijn handen vastgebonden en zijn hoofd met iets bedekt en hem naar een landgoed meegevoerd. Feit 3 hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2020 tot en met 9 februari 2020, tezamen en in vereniging met anderen, één vuurwapen, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, althans één soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerp, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad. Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het bewezen wordt als volgt gekwalificeerd: ten aanzien van feit 1 medeplegen van doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Ten aanzien van feit 2 subsidiair medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven. Ten aanzien van feit 3 medeplegen van overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Oplegging van straf Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag, aan het medeplegen van ontvoering en aan het medeplegen van vuurwapenbezit. De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer, volgens vooropgezet plan, in de late uren van 8 februari 2020 bij zijn woning ontvoerd en hebben hem meegenomen naar een afgelegen finca. Wat zich na de aankomst van het slachtoffer op de finca precies heeft afgespeeld is onduidelijk en zal dat ook wel blijven. De diverse verklaringen over een ruzie tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] en de aanwezigheid en het gebruik van het vuurwapen op de finca, zijn daarvoor te verschillend. Wel staat vast dat het slachtoffer is bewogen tot de afgifte van een banktoken en zijn wachtwoord dan wel dat de banktoken van hem is afgepakt en dat [medeverdachte 1] heeft geprobeerd om met die gegevens in te loggen op de bankrekening van het slachtoffer om zodoende het geld van het slachtoffer te stelen. Dit is niet gelukt omdat er geen geld op die rekening bleek te staan. Uiteindelijk is het slachtoffer met geboeide handen en voeten in een kuil geduwd, waarna de kuil volledig met aarde is gevuld. Het slachtoffer is levend begraven. Onduidelijk is hoelang het daarna nog heeft geduurd voordat het slachtoffer is overleden. Evenmin is duidelijk of hij is overleden doordat hij zichzelf heeft verwurgd door de riem om zijn handen en hals of dat hij om het leven is gekomen door verstikking ofwel doordat zand in zijn luchtpijp hem het ademen heeft bemoeilijkt of dat hij door het gewicht van het zand op zijn borstkas niet meer kon ademen. Bedolven onder de aarde heeft hij de strijd om zijn leven in ieder geval verloren. Het is alleszins denkbaar dat hij gedurende die strijd zal hebben beseft dat hij alleen, op een afgelegen finca, onvindbaar voor zijn dierbaren zou sterven. Dit onderstreept de wreedheid van hetgeen de verdachte en zijn mededaders het slachtoffer hebben aangedaan. De verdachte heeft zich door zo te handelen samen met anderen schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Daarbij is het slachtoffer, echtgenoot en vader van twee nog jonge kinderen, het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Het behoeft geen betoog dat het overlijden van het slachtoffer diepe wonden heeft geslagen in de levens van zijn dierbaren. Zij hebben vijf weken tussen hoop en vrees geleefd. Zij zullen de gevolgen van dit onherroepelijke en onverwachte verlies voor altijd met zich meedragen. Feiten als deze schokken de rechtsorde en versterken gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Bij het plegen van deze strafbare feiten heeft de verdachte samen met anderen een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp en daarmee een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van een dergelijk voorwerp brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het Gerecht rekent dit de verdachte zwaar aan. Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. De procureur-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren. Het Hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met de door de procureur-generaal gevorderde straf. De ernst van het bewezenverklaarde komt daarin onvoldoende tot uitdrukking. Het Hof acht, alles afwegende, met eenparigheid van stemmen, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren voor deze feiten passend en geboden. Bij de duur van de op te leggen gevangenisstraf neemt het Hof tevens in aanmerking dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In het geval een verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit in voorlopige hechtenis verkeert geldt als uitgangspunt dat de behandeling ter terechtzitting per fase binnen zestien maanden na aanvang van de redelijke termijn dient te zijn afgerond. De berechting in eerste aanleg heeft voortvarend plaatsgevonden. Immers, de verdachte is op 15 juni 2020 aangehouden en op 17 februari 2021 heeft het Gerecht vonnis gewezen. Dat geldt niet voor de berechting in hoger beroep. Het Hof gaat er vanuit dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 2 maart 2021, met het instellen van het hoger beroep door de officier van justitie. Tussen die datum en de datum waarop het Hof vonnis wijst (12 juli 2024) ligt een periode van bijna veertig maanden waar een periode van zestien maanden gerechtvaardigd was. Het Hof constateert dat ook voor de procedure in z’n geheel geldt dat sprake is van een schending van de redelijke termijn. Waar de berechting 32 maanden mocht duren heeft de berechting in totaal bijna 48 maanden geduurd. Nu deze overschrijding niet in zodanige mate te wijten is aan de ingewikkeldheid van de zaak of de invloed van de verdediging, komt deze overschrijding voor compensatie in de vorm van strafvermindering in aanmerking. Daarbij geldt dat bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden, zoals in deze zaak, naar bevind van zaken dient te worden gehandeld. Het Hof zou zonder even genoemde constatering, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren hebben opgelegd. Gelet echter op de vastgestelde aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, moet worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren en 6 maanden. Schadevergoeding De benadeelde partij [vrouw slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 133.757,- maar dient in het kader van het strafrechtelijke proces te worden beperkt tot een bedrag van NAf 50.000,-. De procureur-generaal heeft gerequireerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van NAf 50.000,-. De verdediging heeft in hoger beroep de vordering niet betwist. Het Hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de kosten van levensonderhoud voor de minderjarige kinderen niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor beslissing in de strafzaak. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet worden ontvangen en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De overige posten zijn voldoende onderbouwd en uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van NAf 42.512,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2020. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het Hof ziet aanleiding een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Het Hof zal aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan het Land Curacao van een bedrag van NAf 42.512,- ten behoeve van de benadeelde partij, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 247 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk, met dien verstande dat voor zover genoemde bedragen geheel of gedeeltelijk door één van de medeverdachten zijn betaald aan de benadeelde partij en/of het Land, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen, alsmede dat betalingen aan de benadeelde partijen in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan het Land en dat betalingen aan het Land in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:78, 1:123, 1:136, 2:249 en 2:260 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Vuurwapenverordening 1930. BESLISSING Het Hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) jaar en 6 (zes) maanden. Beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht. Wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [vrouw verdachte] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 42.512,- (tweeënveertigduizend vijfhonderdtwaalf gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2020 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij; Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [vrouw verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken; Legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [vrouw verdachte] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 42.512,- (tweeënveertigduizend vijfhonderdtwaalf gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 247 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2020 tot aan de dag van de voldoening; Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen; Bepaalt dat indien en voor zover een van de mededaders van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan het Land. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. S. Verheijen en mr. W. Foppen, leden van het Hof, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op 12 juli 2024 ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao. Mr. Verheijen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. De hierna aangeduide processen-verbaal zijn, voor zover niet anders aangegeven, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Proces-verbaal ter terechtzitting van 10 en 11 april 2024. Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 29 juni 2020 (pagina 1030 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 20 mei 2020 (pagina 554) en proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] van 15 juni 2020 (pagina 744 e.v.) en proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 29 juni 2020 (pagina 1037 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] van 15 juni 2020 (pagina 737 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] van 29 juli 2020 (pagina 1122 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] van 15 juni 2020 (pagina 835 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 19 maart 2020 (pagina 491) en een proces-verbaal van [medeverdachte 2] van 29 juni 2020 (pagina 1053). Proces-verbaal van forensisch onderzoek naar aanleiding van opgraving van een stoffelijk overschot te Plantage Kunuku op 19 maart 2020 van 17 juli 2020 (pagina 87 e.v.). Een forensisch autopsierapport van 25 maart 2020, opgemaakt door patholoog (pagina 120 e.v.). Een proces-verbaal van bevinding met betrekking tot de personenauto [kenteken] (pagina 18 e.v.). Proces-verbaal van het eerste verhoor van [betrokkene 1], pagina 828 e.v. Proces-verbaal van het vijfde verhoor van [betrokkene 1], pagina 863 e.v. Proces-verbaal van vijfde verhoor van [medeverdachte 2], pagina 1079 e.v. proces-verbaal van zesde verhoor van [medeverdachte 2], pagina 1091 e.v. Proces-verbaal van bevindingen analyse aansluitnummer #916, pagina 1342 e.v. Proces-verbaal van het eerste verhoor van [betrokkene 1], pagina 828 e.v. Proces-verbaal van bevindingen analyse aansluitnummer #916, pagina 1342 e.v. De door [medeverdachte 1] op 20 januari 2021 ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring, de door [medeverdachte 2] op 18 december 2021 ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring en het proces-verbaal van bevinding en analyse bank en IP adresgegevens , pagina 38 e.v.