Burgerlijke zaken over 2024 Registratienummer: CUR202100817 – CUR2022H00070 Uitspraak: 30 juli 2024 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS In de zaak van:
(1a). De grieven 2 en 3 zijn gericht tegen de inleidende overwegingen van het bestreden vonnis (rov. 4.3 en 4.4) en betreffen de vraag naar de intensiteit van de toetsing door de rechter. Grief 4 ziet op de rechtsoverweging die ingaat op de stellingen van Aventa c.s. als hiervoor weergegeven onder 1 b. Grief 5 heeft betrekking op de rechtsoverweging die ingaat op de stellingen van Aventa c.s. als hiervoor weergegeven onder 1 d. Grief 6 is gericht tegen rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis, waar het Gerecht heeft overwogen dat Aventa c.s. niet hebben onderbouwd dat het de importeurs van spécialités onmogelijk wordt gemaakt om te overleven, respectievelijk dat uitval van een hele sector (medicijngroothandel in spécialité) respectievelijk een financieel drama voor de bedrijven in kwestie dreigt (zie hiervoor onder 5.1 sub 3). Grief 7 heeft betrekking op de vraag of het Land gehouden was voorafgaand aan de Regeling in overleg te treden met VIPP (zie hiervoor onder 5.1 sub 2a). 5.3 Het Hof zal allereerst ingaan op de bevoegdheid (grief 1). Vervolgens komt aan de orde de vraag naar de intensiteit van de toetsing door de rechter aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waar de grieven 2 tot en met 7 betrekking op hebben. Het Hof komt thans niet toe aan een eindoordeel over deze grieven omdat, zoals hierna zal blijken, eerst een mondelinge behandeling zal worden bepaald. De Minister is bevoegd prijzenvoorschriften vast te stellen 5.4 De eerste grief is gericht tegen de overweging van het Gerecht dat de bevoegdheid om in het algemeen belang maximumprijsvoorschriften te geven toekomt aan een individuele minister, in dit geval de Minister van Economische Ontwikkeling en niet, zoals Aventa c.s. betogen, aan de regering, althans zo begrijpt het Hof de stelling van Aventa c.s. dat prijzenvoorschriften slechts bij Landsbesluit houdende algemene maatregelen (h.a.m.) kunnen worden vastgesteld. 5.5 De Regeling 2019 is gebaseerd op de Prijzenverordening 1961, op 19 juli 1961 vastgesteld als landsverordening van het land de Nederlandse Antillen. Bij de vaststelling van de Prijzenverordening 1961 werd de bevoegdheid om prijzen te reguleren opgedragen aan de Minister van Economische Zaken van de Nederlandse Antillen. In 1991 is deze bevoegdheid van het Land overgedragen aan het Eilandgebied Curaçao. In de Overdrachtslandsverordening XXV is bepaald dat de zorg voor de regeling van de prijzen van goederen en diensten aan de eilandgebieden wordt overgedragen. De Prijzenverordening 1961, zoals deze voor de staatkundige hervormingen van 10 oktober 2010 van kracht was, verleende in artikel 2 lid 1 aan het Bestuurscollege de bevoegdheid om in het algemeen belang prijzen voor goederen en diensten te reguleren. Ingevolge artikel 5 lid 1 van de Overgangsregeling heeft de Prijzenverordening 1961 sinds de staatkundige hervormingen te gelden als Landsverordening van het land Curaçao. 5.6 Ingevolge artikel 6 lid 1 van de Overgangsregeling vinden in de tekst van de regelingen die ingevolge artikel 5 de staat van landsverordening, landsbesluit houdende algemene maatregelen of ministeriële regeling van Curaçao verkrijgen, met toepassing van de volgende leden van dit artikel de aanpassingen plaats die als gevolg van het verkrijgen van deze nieuwe hoedanigheid noodzakelijk zijn. Op grond van artikel 6 lid 5 van de Overgangsregeling (rov. 4.1.12 hiervoor) treden, waar melding wordt gemaakt van ambten, organen, instellingen, diensten of kantoren van de Nederlandse Antillen of van het eilandgebied Curaçao, daarvoor in de plaats de overeenkomstige met inachtneming van de Staatsregeling ingestelde ambten, organen, instellingen, diensten of kantoren van het Land Curaçao. De Prijzenverordening geeft een bevoegdheid tot het voorschrijven van maximumprijzen aan het Bestuurscollege. De Overgangsregeling voorziet niet in een voorschrift voor de vervanging van het Bestuurscollege. Partijen verschillen van mening over de vraag of de bevoegdheid die voorheen toekwam aan het Bestuurscollege, thans toekomt aan de Minister (bij ministeriële regeling), zoals het Land meent, dan wel aan de Regering (bij Landsbesluit h.a.m.), zoals Aventa c.s. betogen. 5.7 Bij de beoordeling hiervan is van belang dat de bevoegdheid van art. 2 lid 1 van de Prijzenverordening 1961 betrekking heeft op het aanbieden en verkopen van goederen, terwijl lid 2 betrekking heeft op honoraria, prijzen of tarieven van vrije beroepsbeoefenaren. Art. 2 lid 1 van de Prijzenverordening kent aan het Bestuurscollege de bevoegdheid toe om te verbieden dat goederen tegen een hogere of lagere prijs dan door het Bestuurscollege vastgesteld worden aangeboden of verkocht. Hoe aan die bevoegdheid toepassing moet worden gegeven staat niet vermeld. Art. 2 lid 2 van de Prijzenverordening bepaalt daarentegen dat in afwijking van het bepaalde in lid 1, een verbod als daar bedoeld, indien het gaat om honoraria, prijzen of tarieven van vrije beroepsbeoefenaren, moet worden vastgesteld bij Eilandsbesluit h.a.m. Lid 2 regelt dus uitdrukkelijk op welke wijze aan de daar bedoelde bevoegdheid toepassing dient te worden gegeven, namelijk bij Eilandsbesluit h.a.m. (sinds 10 oktober 2010: Landsbesluit h.a.m.). 5.8 Gelet op het gemaakte onderscheid tussen de leden 1 en 2 zoals hiervoor weergegeven, ligt het niet voor de hand dat ook in het geval van het eerste lid (thans) een Landsbesluit h.a.m. vereist is tot het vaststellen waarvan de Regering (en niet een individuele Minister) bevoegd is. Het verschil tussen de twee leden zou anders betekenisloos zijn. Het navolgende draagt aan dit oordeel bij. 5.9 De memorie van toelichting op de Prijzenverordening 1961 vermeldt dat de overheid de mogelijkheid moet hebben op korte termijn corrigerende maatregelen te nemen, waarbij nadrukkelijk wordt opgemerkt dat een zo laag mogelijk prijsniveau een levensbelang is (zie hiervoor onder 4.1.2). Hiermee zou niet in overeenstemming zijn dat de bevoegdheid om verboden uit te vaardigen op grond van art. 2 lid 1 Prijzenverordening, bij Landsbesluit h.a.m. moet geschieden. Op grond van art. 83 van de Staatsregeling worden Landsbesluiten h.a.m. immers door de regering vastgesteld waarbij ingevolge art. 64 van de Staatsregeling de Raad van Advies moet worden gehoord. De wijze van totstandkoming van Ministeriële Regelingen is daarentegen niet geregeld en de besluitvormingsprocedure is vormvrij, waarbij de Raad van Advies niet behoeft te worden gehoord. Een Ministeriële Regeling kan dus op kortere termijn tot stand komen. 5.10 In vergelijkbare regelingen in de andere landen van het Koninkrijk wordt de bevoegdheid, vergelijkbaar met die van artikel 2 lid 1 Prijzenverordening 1961 toegekend aan de Minister (dan wel het Bestuurscollege). Het Hof verwijst naar art. 2 lid 1 onder 1 Prijzenwet, art. 2 lid 1 sub a Prijzenwet BES en art. 2 lid 1 onder a van de Prijzenverordening van Aruba. 5.11 Op grond van het overwogene onder 5.7 tot en met 5.10 komt het Hof tot de conclusie dat een verbod op grond van art. 2, lid 1, van de Prijzenverordening 1961 kan worden uitgevaardigd bij ministeriële regeling. 5.12 Hiermee is grief 1 behandeld. De grief faalt. De toetsing van materiële wetgeving aan geschreven en ongeschreven recht 5.13 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 september 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1360) onder meer als volgt overwogen: Toetsing aan algemene rechtsbeginselen (…) 3.2.2 In HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:729 (Binnenvaart-arrest), rov. 3.9.1, is overwogen: “De Besluiten (…) behelzen geen wetgeving in formele zin. Het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet is daarop niet van toepassing. Dergelijke wetgeving kan de rechter dan ook wel toetsen aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Bij die toetsing heeft de rechter echter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Voorts brengen zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in het Nederlandse staatsbestel mee dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten (HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9354, NJ 1987/251 (Landbouwvliegers), rov. 6.1; zie voorts o.m. HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0146, NJ 2010/53, rov. 3.6). De rechter kan onder meer toetsen of de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regeling of regel heeft kunnen komen (art. 3:4 Awb, dat op grond van art. 3:1 lid 1, aanhef en onder a, Awb ook van toepassing is op algemeen verbindende voorschriften).” 3.2.3 Op 1 juli 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep ten aanzien van de zogeheten exceptieve toetsing geoordeeld: “7.5.1 (…) Algemeen verbindende voorschriften, die geen wet in formele zin zijn, kunnen worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. Daarnaast komt in de rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld in de uitspraak van 19 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2441, tot uitdrukking dat aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige gebreken kunnen kleven dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren beslissingen. Dit betekent dat aan de rechter de bevoegdheid toekomt te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding betrokken besluit. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindende voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. De intensiteit van die beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. In dat laatste geval heeft de rechter niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Wat betreft de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(
- n)en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn. 7.5.2 Bij de toetsing van de wijze waarop aan de beslissingsruimte inhoud is gegeven kunnen het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 van de Awb) en het ongeschreven beginsel van een deugdelijke motivering een rol spelen. Anders dan de conclusie (zie 8.5 van de conclusie) is de Raad van oordeel, dat enkele strijd met de hiervoor genoemde formele beginselen niet kan leiden tot het onverbindend verklaren van een algemeen verbindend voorschrift. Dat laat onverlet dat, indien als gevolg van een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding door de rechter niet kan worden beoordeeld of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dit ertoe kan leiden dat de bestuursrechter een algemeen verbindend voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend uitvoeringsbesluit om die reden vernietigt. Als het vaststellende orgaan bij het voorbereiden en nemen van een algemeen verbindend voorschrift de negatieve gevolgen daarvan voor een bepaalde groep uitdrukkelijk heeft betrokken en de afweging deugdelijk heeft gemotiveerd, voldoet deze keuze aan het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en beperkt de toetsing door de bestuursrechter zich tot de vraag of de regeling in strijd is met het beginsel van een niet-onevenredige belangenafweging.” 3.2.4 De maatstaf zoals geformuleerd in het hiervoor in 3.2.2 aangehaalde Binnenvaart-arrest verschilt naar zijn strekking niet van de maatstaf die de Centrale Raad van Beroep in zijn hiervoor in 3.2.3 aangehaalde uitspraken van 1 juli 2019 heeft geformuleerd. 3.2.5 Het hof heeft in rov. 3.35 overwogen dat de rechter zich bij de beoordeling van de vraag of de Gemeente in redelijkheid tot vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift heeft kunnen komen, terughoudend opstelt. De rechter heeft, aldus het hof, niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Uit deze overweging blijkt dat het hof is uitgegaan van de maatstaf zoals geformuleerd in het Binnenvaart-arrest. Mede in aanmerking genomen de overweging van het hof dat aan de gemeenteraad beleidsruimte toekomt bij het vaststellen van een verordening en dat de invoering van een opt-in-systeem past binnen het gemeentelijk beleid en bovendien aansluit op het landelijk afvalbeheerplan (rov. 3.35), geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de intensiteit van de te verrichten toetsing. 5.14 Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft bij uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) onder meer als volgt overwogen: 6.3 Uit onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016), de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:452), de arresten van de Hoge Raad van 11 december 2020 (ECLI:HR:NL:2020:1988) en van 24 september 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1360) en de uitspraken van (de voorzieningenrechter van) het College van 9 maart 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:240) en van 15 maart 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:116) volgt dat algemeen verbindende voorschriften zonder beperkingen exceptief aan geschreven dan wel ongeschreven hoger recht kunnen worden getoetst. 6.4 Tot het hogere recht waaraan algemeen verbindende voorschriften kunnen worden getoetst behoren de, al dan niet geheel of gedeeltelijk gecodificeerde, materiële algemene rechtsbeginselen: het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en ook het evenredigheidsbeginsel. Voor besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften is het evenredigheidsbeginsel gecodificeerd in artikel 3:1, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, met de toevoeging “voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet”. Voorts geldt het gebod om de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend (het verbod van “détournement de pouvoir”), op grond van artikel 3:1, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 3:2 van de Awb, ook voor het nemen van besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, ook hier met de toevoeging “voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet”. Wat dit laatste betreft verwijst het College naar de conclusie van 22 december 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:1209). Een algemeen verbindend voorschrift dat in strijd is met een materieel rechtsbeginsel of het verbod van détournement de pouvoir, is onverbindend en kan daarom in geen enkel geval toepassing vinden. 6.5 Bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel, heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling van een algemeen verbindend voorschrift is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen betreft, geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(
- n)en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn. Het College verwijst voor het voorgaande naar 7.5.1 van de uitspraak van de Centrale Raad van 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016), naar 6, eerste en tweede alinea, van de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:452) en naar 9.2 van de uitspraak van het College van 15 maart 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:116). Het College verwijst ook naar het arrest van de Hoge Raad van 24 september 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1360). 5.15 Het Hof neemt, mede gelet op voormeld arrest van de Hoge Raad, het toetsingskader zoals hiervoor weergegeven onder 5.14 over. Faillissement [appellant 2] 5.16 Op grond van art. 23 van het Faillissementsbesluit 1931 wordt, indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding op verzoek van de gedaagde geschorst, teneinde deze de gelegenheid te geven de curator tot overneming van het geding op te roepen. Een dergelijk verzoek heeft het Land niet gedaan (en behoeft ook niet te worden gedaan indien er geen behoefte aan bestaat). Indien het Land het verzoek doet, raakt dat alleen het geding tussen [appellant 2] en het Land. Het geding tussen de andere oorspronkelijk eiseressen en het Land kan in elk geval ongehinderd voortgaan. Het Hof bepaalt een comparitie van partijen 5.17 Voordat het Hof verdere beslissingen neemt wenst het nadere inlichtingen van partijen te verkrijgen. Het Hof verzoekt partijen zich dan in ieder geval uit te laten over het hiervoor vermelde toetsingskader. Ook over de stelling van Aventa c.s. dat de Regeling 2019 nadelige gevolgen voor VIPP meebracht, die onevenredig zijn aan het met het besluit te dienen doel en dat de Minister heeft nagelaten te inventariseren behoeft het Hof nadere inlichtingen van partijen. Verder zal aan de orde komen de bij grief 7 ingenomen stelling dat het Land gehouden was om in overleg te treden met VIPP bij het vaststellen van de Regeling 2019. Mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak zal ook gevraagd worden naar de actuele stand van zaken. Ten slotte verzoekt het Hof het Land zich uit te laten omtrent het overwogene onder 5.16. 5.18 Aventa c.s. stellen dat de Regeling 2019 in strijd is met artikel 6:162 BW en hen in ernstige financiële problemen brengt. Het Gerecht heeft onder 4.11 van het bestreden vonnis overwogen dat de gevorderde verklaring voor recht dat het Land onrechtmatig heeft gehandeld jegens VIPP en dat het Land schadeplichtig is op dezelfde argumenten is gebaseerd als weergegeven onder 3.2. sub i. tot en met v. van het bestreden vonnis en daarom die vorderingen afgewezen. Daartegen richt zich grief 8. Grief 9 is gericht tegen de afwijzing van de vorderingen van Aventa c.s. en hun veroordeling in de proceskosten. Het Hof houdt de beoordeling van deze grieven aan tot na de hierna te bepalen comparitie van partijen. 5.19 Het Hof zal een comparitie van partijen bepalen waarbij in ieder geval het overwogene onder 5.17 aan de orde zal komen. Indien Aventa c.s. alsnog cijfers in het geding willen brengen dienen zij die tijdig voorafgaand aan de mondelinge behandeling naar het Hof en de wederpartij toe te sturen. 5.20 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. B E S L I S S I N G Het Hof: bepaalt een comparitie van partijen tot het verstrekken van inlichtingen als bedoeld onder 5.19 en wel op donderdag 19 september 2024 om 14.00 uur in het Kas di Korte; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en M.E.B. de Haseth, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curacao uitgesproken op 30 juli 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.