Parketnummer: 500.00131/24 Uitspraak: 23 oktober 2024 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], volgens eigen opgave ter terechtzitting: verblijvende in Curaçao en in Nederland, thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao. Onderzoek van de zaak Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzittingen van 22 mei 2024, van 31 mei 2024, van 11 september 2024 en van 2 oktober 2024. De verdachte is ter terechtzittingen van 22 mei 2024 en van 11 september 2024 verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C. Vaders, advocaat in Curaçao. De verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht om ter terechtzitting van 31 mei 2024 en bij de sluiting van het onderzoek op 2 oktober 2024 te verschijnen. De raadsvrouw van de verdachte is met voorafgaande kennisgeving niet op laatstgenoemde zitting aanwezig geweest. Door mr. A.M. Tromp, advocaat in Curaçao, is namens de aangever [slachtoffer] op voorhand ter zake van schade die het gevolg zou zijn van het aan de verdachte ten laste gelegde handelen een vordering ingediend. De officier van justitie, mr. S.M. Scheer, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de onder 1, 2 tweede alternatief cumulatief en 3 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Haar vordering behelst voorts: de verbeurdverklaring van het in beslag genomen voorwerp, te weten een geldbedrag van USD 1.182,00; de toewijzing van de vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding tot een bedrag van NAf 50.000,00 en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, subsidiair dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Meer subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 11 september 2024 - ten laste gelegd: FEIT 1: WEDERRECHTELIJKE VRIJHEIDSBEROVING/GIJZELING dat hij op of omstreeks 10 januari 2024, althans in of omstreeks de maand januari 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden gedurende een tijdsverloop van ongeveer 12 uren, in elk geval een aantal uren, gedurende een lange tijd, met het oogmerk (een) ander(en), te weten familieleden en bekenden, van die [slachtoffer], althans een persoon, te dwingen iets te doen, te weten om een bedrag van NAF 200.000 en/of NAF 180.000,- althans een (groot) geldbedrag te betalen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)met dat opzet: gemaskerd en/of gewapend met een of meerdere vuurwapens, althans (een) soortgelijk(
- e)voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp(
- en)het bedrijf waar die [slachtoffer] zich bevond binnengelopen en/of die [slachtoffer] geblinddoekt en/of zijn handen vastgebonden met (een) tiewrap(
- s)en/of gedwongen met hem mee te gaan en in een auto geduwd en/of meegenomen en/of die [slachtoffer] naar een woning gelegen te [adres] gebracht en/of die [slachtoffer] gedurende lange tijd, tegen zijn wil in een kamer opgesloten en/of een vuurwapen althans (een) soortgelijk(
- e)voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp tegen de nek van die [slachtoffer] geplaatst en daarbij tegen hem gezegd om NAF 100.000,- althans een geldbedrag moet betalen en/of regelen; (artikel 2:249 j° 2:250 j° 1:123 van het Wetboek van Strafrecht) FEIT 2: AFPERSING/DIEFSTAL MET GEWELD dat hij op of omstreeks 10 januari 2024, althans in of omstreeks de maand januari 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van: een IPhone model 13 en/of NAf 15.000,-, althans een of meerdere geldbedragen en/of NAf 180.000,- en/of NAf 200.000,- althans een of meerdere geldbedragen en/of een armband en/of twee ringen in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(
- en)uit, een vuurwapen, althans een soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp tevoorschijn halen en/of voorhouden aan en/of tonen aan en/of gericht houden op en/of plaatsen aan het hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer] en/of het met de kolf van een vuurwapen, althans (een) soortgelijk(
- e)voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp, die [slachtoffer] op het hoofd slaan; (artikel 2:294/2:291 j° 1:123 van het Wetboek van Strafrecht) EN/OF dat hij op of omstreeks 10 januari 2024, althans in of omstreeks de maand januari 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een IPhone model 13 en/of NAf 15.000,-, althans een of meerdere geldbedragen en/of NAf 180.000,- en/of NAf 200.000,- althans een of meerdere geldbedragen en/of een armband en/of twee ringen in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(
- s)hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(
- en)uit, een vuurwapen, althans een soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp tevoorschijn halen en/of voorhouden aan en/of tonen aan en/of gericht houden op en/of plaatsen aan het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] en/of het met de kolf van een vuurwapen, althans (een) soortgelijk(
- e)voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp, die [slachtoffer] op het hoofd slaan; (artikel 2:294/2:291 j° 1:123 van het Wetboek van Strafrecht) FEIT 3: BEZIT VUURWAPEN hij op of omstreeks 10 januari 2024, althans in of omstreeks de maand januari 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), althans (een) soortgelijk(
- e)voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp(
- en)in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft/hebben gehad; (artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930). Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De verdediging heeft (primair) de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit. Daartoe is, zakelijk weergegeven, in de eerste plaats in de kern aangevoerd dat de verbalisanten een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, door in strijd met de waarheid processen-verbaal met onjuiste vermelding van een mobiele telefoonnummer welke aan de verdachte zou toebehoren op te maken, waardoor doelbewust, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte, het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling tekort is gedaan. Al met al is op grote schaal getracht om ten onrechte bewijs tegen de verdachte te fabriceren door in strijd met de waarheid bewijs te verzamelen en vast te leggen. Dit handelen levert een onherstelbaar vormverzuim op, aldus de raadsvrouw. Ter beoordeling staat of een verzuim in de fase van de opsporing zodanig richting heeft gegeven aan het onderzoek dat dit tot nadeel van de verdachte heeft geleid, waarbij dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert. Het Gerecht deelt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier blijkt het volgende. Door tussenkomst van het ICC (Intelligence Centrum Curaçao) werd onderzoek gedaan naar de verdachte, waaruit onder meer is gebleken dat de verdachte de bijnaam [verdachte] heeft. Uit onderzoek in het verkeersongevallensysteem Forensys is voorts gebleken dat de verdachte onder meer het telefoonnummer [telefoonnummer 1] als zijn mobiele contactnummer heeft opgegeven. Met de raadsvrouw constateert het Gerecht dat binnen het onderzoek in (alle) processen-verbaal van bevindingen waarin wordt verwezen naar analyse van telecommunicatie- en historische telefoongegevens van het telefoonnummer in gebruik bij de verdachte het telefoonnummer [telefoonnummer 2] in plaats van [telefoonnummer 1] wordt vermeld, aldus een telefoonnummer dat niet overeenkomt met het door de verdachte opgegeven telefoonnummer zoals vermeld in het verkeersongevallensysteem Forensys. In de processen-verbaal wordt telkens 1 (één) onjuist cijfer vermeld hetgeen naar het oordeel van het Gerecht met zich brengt dat twijfel ontstaat aan de betrouwbaarheid van het door de verbalisanten verrichte onderzoek, welke gebaseerd is op een niet bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer. En juist met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] is op 10 januari 2024, derhalve op de dag van de ontvoering, van 14.52.39 uur tot en met 14.53.10 uur een voor de verdachte zeer belastend telefooncontact geregistreerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] dat blijkens het onderzoek op dat moment bij G.O.R. Eisden aan wie losgeld is gevraagd, in gebruik was. Zulks terwijl [telefoonnummer 2] niet het telefoonnummer is dat blijkens het formulier van Forensys aan de verdachte kan worden toegeschreven, te weten [telefoonnummer 1] (pagina 530 dossier). Het Gerecht overweegt in dit verband dat uit het dossier niet is gebleken dat de verbalisanten die het onderzoek hebben verricht een aanvullend proces-verbaal hebben opgemaakt ter verduidelijking dat er wellicht sprake is van niet meer dan enkel een schrijf- of typefout waarbij abusievelijk een verkeerd cijfer wordt weergegeven, hetgeen wellicht mogelijk is. Naar het oordeel van het Gerecht raakt de omstandigheid dat het geanalyseerde telefoonnummer niet aan de verdachte kan worden gekoppeld dan wel toegeschreven, alhoewel het getuigt van slordigheid, echter niet de integriteit van het opsporingsonderzoek als zodanig. Dit levert tevens in de omstandigheden van het geval geen vormverzuim op en is niet van zodanige aard dat deze afzonderlijk dan wel in gezamenlijkheid met andere feiten of omstandigheden kan leiden tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie op grond van schending van het recht op een eerlijk proces niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de officier van justitie, geconfronteerd met het verweer van de raadsvrouw dat op het Forensys-formulier het telefoonnummer [telefoonnummer 1] als mobiele telefoonnummer van de verdachte is opgenomen en niet het nummer [telefoonnummer 2], direct te kennen heeft gegeven het belastende bewijs op basis van het abusievelijk aan de verdachte gekoppelde telefoonnummer [telefoonnummer 2] niet tot het bewijs jegens de verdachte op te zullen voeren. Voor zover de verdediging heeft willen aanvoeren dat deze onzorgvuldigheden of onduidelijkheden van de politie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt, is hiervan geen sprake. Het Gerecht zal, voor zover die onzorgvuldigheden of onduidelijkheden de deugdelijkheid van de verantwoording van het resultaat van het opsporingsonderzoek aantasten, die processen-verbaal of delen daarvan niet voor het bewijs bezigen. Dit geldt in elk geval voor alle processen-verbaal van bevindingen en alle overige stukken waarin (nader) onderzoek is gedaan naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Op grond van het voorgaande komt het Gerecht tot de conclusie dat het verweer niet kan leiden niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Het verweer wordt daarom verworpen. Ook overigens is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging. Vrijspraak Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende. Op 10 januari 2024 is een melding bij de Centrale Meldkamer van het Korps Politie Curaçao (hierna: KPC) binnengekomen inhoudende dat de eigenaar van een bedrijf gevestigd in de wijk [wijk] , te weten het slachtoffer [slachtoffer], door drie mannen, onder bedreiging van vuurwapens, is ontvoerd. [slachtoffer] kreeg een klap op zijn achterhoofd en werd gedwongen in een auto plaats te nemen, waarin een vierde man als bestuurder van deze auto optrad. In de auto werd hij meteen geblinddoekt en met tie-wrap aan zijn polsen vastgebonden. Tijdens de autorit werd onder meer zijn mobiele telefoon van hem afgenomen, alsmede een geldbedrag van NAf 15.000,00 en een armband. [slachtoffer] werd naar een leegstaande woning, niet ver van zijn eigen bedrijf, vervoerd alwaar hij in een ruimte werd opgesloten. Vervolgens werd hij gedwongen de pincode van zijn mobiele telefoon te geven en moest hij middels zijn mobiele telefoon een spraakbericht naar zijn neef toesturen, waarin hij hem verzocht om NAf 100.000,00 te regelen voor zijn vrijlating. Door onder meer de zus van [slachtoffer] werd een geldbedrag van NAf 30.000,00 verzameld welke voor de vrijlating van het slachtoffer werd betaald. Bovendien werd [slachtoffer] meerdere malen ermee bedreigd dat de ontvoerders hem anders zouden vermoorden. In de avond van 10 januari 2024 werd na het inzetten van technische hulpmiddelen om de locatie van [slachtoffer] door middel van zijn mobiele telefoonnummer te achterhalen, zijn mobiele telefoon in een betonnen greppel in de wijk (Ser’
- i)Mahuma aangetroffen. Vervolgens is enkele uren later een melding bij de Centrale Meldkamer van het KPC binnengekomen dat [slachtoffer]door de ontvoerders was vrijgelaten en dat hij bij een woning gelegen in de wijk Rancho was aan komen lopen om voor hulp te vragen. Later werden foto-opnames van zijn verwondingen gemaakt. Hieruit is gebleken dat hij verwondingen aan zijn achterhoofd (opgezwollen) en linker- en rechtspols (opgezwollen) veroorzaakt door mishandeling heeft opgelopen. In het eerste kwartaal van 2024 is bij de politie via de Criminele Inlichtingen Dienst van de Kustwacht van het Koninkrijk der Nederlanden van het Caribisch gebied (hierna: CID-Kustwacht) de informatie binnengekomen dat een man met de bijnaam [medeverdachte 1] , met wie wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 1], in opdracht van [medeverdachte 2] , met wie wordt bedoeld [medeverdachte 2], een ondernemer, met wie wordt bedoeld het slachtoffer [slachtoffer], heeft ontvoerd. Vervolgens is via de CID-Kustwacht in het eerste kwartaal van 2024 de informatie binnengekomen dat een man met de bijnaam [verdachte] , met wie wordt bedoeld [verdachte], van Kwartier in een witte [automerk/model 1] in opdracht van [medeverdachte 2] met wie wordt bedoeld [medeverdachte 2], het losgeld heeft opgehaald om de gegijzelde ondernemer, met wie wordt bedoeld het slachtoffer [slachtoffer], vrij te kopen. De informatie ontvangen door de CID-Kustwacht is daarbij als betrouwbaar aangemerkt. Daaropvolgend is via het Team Criminele Inlichtingen bij het Recherche Samenwerkingsteam (hierna: TCI) in het eerste kwartaal van 2024 de informatie binnengekomen dat [medeverdachte 1], met wie wordt bedoeld [medeverdachte 1], in het bezit is van een [vuurwapen] met een lange patroonhouder die hij altijd bij zich heeft, dat [medeverdachte 1] op verschillende momenten dit wapen aan mensen heeft laten zien, ook daarmee heeft gedreigd, en dat [medeverdachte 1] in het bezit is van een rode [automerk/model 2]. Van deze informatie kon door het TCI geen oordeel over de betrouwbaarheid worden gegeven. In het eerste kwartaal van 2024 is eveneens via het TCI de informatie binnengekomen dat voor de vrijlating van [slachtoffer], met wie wordt bedoeld het slachtoffer [slachtoffer], NAf 180.000,00 is betaald, dat na de vrijlating nog een bedrag van NAf 50.000,00 betaald moest worden, dat er in totaal NAf 200.000,00 van dat bedrag voor [medeverdachte 2], met wie wordt bedoeld [medeverdachte 2], bestemd is, dat de rest naar [verdachte], met wie wordt bedoeld [verdachte], gaat en dat [verdachte] de man is die het losgeld bij [betrokkene 1], met wie wordt bedoeld [betrokkene 1], de neef van [slachtoffer], heeft opgehaald. Van deze informatie kon door het TCI eveneens geen oordeel over de betrouwbaarheid worden gegeven. Uit de verklaring van een anonieme melder is onder meer gebleken dat de verdachte [medeverdachte 1] samen met anderen, in opdracht van [medeverdachte 2], het slachtoffer heeft ontvoerd, dat er door de ontvoering veel onrust in de familie van het slachtoffer heerst en dat de familie wordt bedreigd. Door het voorgaande rees het vermoeden dat de verdachte [medeverdachte 1], samen met anderen, betrokken is bij de gijzeling van het slachtoffer [slachtoffer]en daarin een prominente rol heeft. De verdachte heeft zelf heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting elke vorm van betrokkenheid bij de gijzeling van het slachtoffer stellig ontkend, waardoor extra behoedzaamheid geboden is bij de interpretatie van hetgeen uit het de verdachte belastende materiaal valt af te leiden. Voor de betrokkenheid van de verdachte bij dit misdrijf, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, is om te beginnen de belastende verklaring van [betrokkene 2](hierna: [betrokkene 2]) van belang. [betrokkene 2] is voor het eerst op 10 januari 2024 door de politie verhoord, vervolgens op 8 maart 2024 en op 9 maart 2024. Zij verklaart op 8 maart 2024 nadat zij met de hulpofficier van justitie tevens inspecteur heeft gesproken, gevraagd naar details over het geldbedrag dat voor de vrijlating van het slachtoffer [slachtoffer] is verzameld en afgegeven, als volgt. (-) ik wil openheid van zaken geven. Ik heb dit door angst en vrees voor represailles tegen mijn broer, mijn familie en mezelf niet eerder gedaan; (-) nadat [betrokkene 1] mij had verteld dat men NAf 200.000,00 wilde voor de vrijlating van [slachtoffer], heeft hij gezegd dat hij zal proberen om NAf 50.000,00 te verzamelen en dat de groep vrienden dat ook zal doen. Ik had zelf alleen maar NAf 30.000,00 verzameld; (-) ik heb aan [betrokkene 1] gevraagd aan wie het geld geleverd moest worden en hij zei tegen mij dat het geld aan een persoon genaamd [verdachte] geleverd moest worden; (-) ik ben met [betrokkene 1] naar de wijk Kwartier gereden. Wij hebben op de parkeerplaats achter de voormalige Las Vegas Supermarket gewacht totdat er een kleine auto kwam aanrijden. Ik heb hem mijn NAf 30.000,00 gegeven, [betrokkene 1] stapte uit en liep met de tas met geld naar de auto toe waarin hij vervolgens rechts voor aan de bijrijderszijde van die auto instapte; (-)nadat hij terug in de auto stapte zei hij tegen mij dat [verdachte] het geld zou brengen zodat mijn broer in vrijheid gesteld zou worden; (-) nadat wij naar de wijk Sta Rosa achter Ritz waren gereden, reden wij vervolgens richting Lunapark waar wij gingen wachten. Na een uur belde [verdachte] [betrokkene 1] weer op zijn telefoon en vertelde [betrokkene 1] dat wij richting de wijk Saliña moesten rijden. Wij gingen op de parkeerplaats van KFC wachten, aldus [betrokkene 1], zijn vriendin [betrokkene 3] en ik; (-) omstreeks 22:00 uur belde [verdachte] weer naar [betrokkene 1] en hoorde ik hem zeggen dat zij de man in de wijk Rancho hadden vrijgelaten. Tot slot verklaart [betrokkene 2], gevraagd naar wie met [verdachte] wordt bedoeld, bij gelegenheid van het verhoor op 9 maart 2024 als volgt. (-) [betrokkene 1] heeft nooit aan mij verteld wie [verdachte] is. Ik liet mij door anderen vertellen dat [verdachte] een man is die ik op feesten had ontmoet, dat hij een slank postuur en een kale kop heeft, dat hij samen met [betrokkene 4], de nummer verkoper, vertoeft en dat ik hem gelijk zou herkennen als ik een foto van hem zie. Het Gerecht stelt voorop dat bij toetsing van de verklaring van [betrokkene 2] het Gerecht is gebleken dat, waar het de vermeende betrokkenheid van de verdachte en de daarbij vermelde feiten en omstandigheden betreft, haar verklaring geen steun vindt in de verklaring van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). Dat blijkt uit het navolgende. [betrokkene 1] is op 11 januari 2024 en op 8 maart 2024 door de politie verhoord. Zo verklaart hij, gevraagd naar details over het betalen van een geldbedrag voor de vrijlating van het slachtoffer [slachtoffer]op 8 maart 2024, als volgt. (-) ik weet niet wie de twee personen zijn bij wie [betrokkene 2] geld heeft gekregen en ook niet wat zij heeft gekregen; (-) er was geen betaling verricht om [slachtoffer] vrij te krijgen. Op straat werd gezegd dat zij, de ontvoerders, geen geld hebben gekregen. Ik weet niet of er losgeld werd betaald; (-)geconfronteerd met de verklaring van [betrokkene 2] dat hij samen met haar was op het moment dat hij werd gebeld en op de hoogte werd gesteld dat [slachtoffer] in de wijk Rancho was vrijgelaten, verklaart hij als volgt: “Ik heb de hele dag met [betrokkene 2] samen gereden, maar op het moment dat [slachtoffer] werd aangetroffen was ik niet met haar.”; (-) geconfronteerd met een tapgesprek waarin [betrokkene 2] tegen haar vader zegt dat [betrokkene 1] 50 heeft en een andere jongen ook 50, verklaart hij tot slot als volgt: “Bullshit. Het klopt niet. Ik weet niet waar zij dat vandaan heeft.”. Dan volgt het proces-verbaal inhoudende de door een persoon (omwille van de leesbaarheid verder: hij), die anoniem wenste te blijven, op 17 januari 2024 tegenover de verbalisant [verbalisant 1] afgelegde de auditu-verklaring. Het Gerecht overweegt met betrekking tot deze verklaring dat deze onbekend gebleven getuige heeft verklaard dat de informatie over de betrokkenheid van [verdachte] van Groot Kwartier bij de ontvangst van het losgeld aan hem is verteld door het slachtoffer [slachtoffer]. Met zijn verklaring wijst deze getuige aldus in de richting van de verdachte als het om betrokkenheid bij de gijzeling van het slachtoffer gaat. Daarbij geldt dat het slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard dat deze informatie door zijn zus [betrokkene 2] en zijn neef [betrokkene 1] aan hem is verteld. In het licht van het voorgaande staat [betrokkene 2]’s bij de politie afgelegde verklaring over de levering van het losgeld door [betrokkene 1] aan de verdachte en de strekking daarvan in relatie tot de andersluidende verklaring van [betrokkene 1] op zichzelf. Het Gerecht overweegt daarbij dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij tijdens de levering van het losgeld de [verdachte] in kwestie niet heeft gezien en dat [betrokkene 1] nooit aan haar heeft verteld wie [verdachte] is. Daarnaast heeft er geen (meerkeuze) fotoconfrontatie met [betrokkene 2] plaatsgevonden teneinde haar een objectieve keuzemogelijkheid te bieden om een eventuele (betrouwbare) herkenning mogelijk te maken. Gezien de stellige ontkenning van [betrokkene 1] dat er losgeld voor de vrijlating van het slachtoffer [slachtoffer] is betaald en dat hij voor de levering daarvan heeft gezorgd dan wel daarbij aanwezig is geweest, doet het voorgaande afbreuk aan de bruikbaarheid van [betrokkene 2]’s verklaring voor het bewijs. Dat geldt ook ten aanzien van de afgelegde de auditu-verklaring welke is gebaseerd op wat de getuige van het slachtoffer [slachtoffer] stelt te hebben vernomen, die op zijn beurt heeft verklaard zulks van [betrokkene 1] (die ontkent) en [betrokkene 2] (die [verdachte] niet heeft gezien en die de verdachte niet heeft geïdentificeerd als zijnde [verdachte]) te hebben vernomen. Bezien in het licht van het voorgaande zijn de verklaring van [betrokkene 2] en de auditu-verklaring van [verdachte] onvoldoende om daarop een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te baseren. Het voorgaande wordt niet anders indien het Gerecht bij de bewijsvraag de twee op 26 april 2024, de dag waarop de verdachte werd aangehouden, tussen [betrokkene 3](tel nr. [telefoonnummer]) en [getuige] (tel nr. [telefoonnummer]), de broer van de verdachte, gevoerde en door de politie onderschepte en uitgeluisterde telefoongespreken en de naar aanleiding daarvan door [betrokkene 3] en [getuige] voornoemd bij de politie afgelegde verklaringen betrekt. In de desbetreffende telefoongesprekken maakt [betrokkene 3] er kort gezegd melding van dat de verdachte het losgeld in ontvangst heeft genomen. [getuige], bijgenaamd [getuige], is op 1 mei 2024 door de politie verhoord. Hij verklaart, onder meer geconfronteerd met de op 26 april 2024 opgenomen en afgeluisterde vertrouwelijke communicatie gevoerd tussen de gebruikers van het telefoonnummer [telefoonnummer] en het telefoonnummer [telefoonnummer], als volgt. (-) ik herken de stem van [betrokkene 3], die volgens mij [betrokken 3] heet, en mijn stem; (-) mijn broer heet [verdachte] en hij wordt [verdachte] genoemd; (-) het klopt dat wij met [verdachte] in het gesprek [verdachte] bedoelen; (-) [betrokkene 3] wist van de ontvoering, hij had de mensen gesproken en gehoord dat [verdachte] bij de ontvoering betrokken was; (-) [betrokkene 3] vertelde mij dat mijn broer, [verdachte], geld voor de vrijlating had gekregen; (-) [betrokkene 3] zei tegen mij dat [verdachte] NAf 200.000,00 had gehaald om naar de mensen te brengen. [betrokkene 3], bijgenaamd ‘[betrokkene 3]’, is op 22 mei 2024 door de politie verhoord. Hij verklaart, onder meer geconfronteerd met de op 26 april 2024 opgenomen en afgeluisterde vertrouwelijke communicatie gevoerd tussen de gebruikers van het telefoonnummer [telefoonnummer] en het telefoonnummer [telefoonnummer], als volgt. (-) ik herken de stem van [getuige], met wie ik bedoel [getuige], en mijn stem; (-) in deze gesprekken vertel ik wat ik op straat heb gehoord en bespreek ik waarover ik met iedereen op straat heb gesproken met [betrokkene 1]; (-) ik had het over de ontvoering in de wijk Veeris wat in de krant stond; (-) in reactie op de vraag of met [verdachte], de verdachte, [verdachte] wordt bedoeld, verklaart hij: “Ze hebben tegen mij gezegd dat ‘[verdachte]’ was aangehouden voor de ontvoering. […].”; (-) in reactie op de vraag wat ermee bedoeld wordt dat [verdachte] geld ging halen, verklaart hij: “[…]. Zo heb ik ook gehoord dat [verdachte] geld ging halen.”; (-) in reactie op de vraag hoe hij zo specifiek over de ontvoering praat, verklaart hij: “Ik heb het op straat gehoord.”. Op basis van het voorgaande stelt het Gerecht vast dat geen van deze getuigen, aldus [getuige] en [betrokkene 3], ten aanzien van de vermeende betrokkenheid van de verdachte bij hetgeen op 10 januari 2024 heeft plaatsgevonden uit directe, eigen waarneming of ondervinding hebben verklaard. Het Gerecht overweegt met betrekking tot de verklaring van [betrokkene 3] dat hij heeft verklaard dat de informatie over de betrokkenheid van de verdachte aan hem is verteld (door derden op straat) of in de media is verspreid. Naar het oordeel van het Gerecht doet het voorgaande afbreuk aan de bruikbaarheid van de verklaring van [betrokkene 3] voor het bewijs. Nu de verklaring van [getuige] gebaseerd is op hetgeen hij stelt van [betrokkene 3] te hebben vernomen, deelt diens verklaring hetzelfde lot. Op grond van al het voorgaande is het Gerecht aldus van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich op 10 januari 2024 schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van gijzeling van het slachtoffer. Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich op die dag schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van diefstal met geweld c.q. afpersing en het bezit van een vuurwapen dan wel voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp. Het Gerecht zal de verdachte daarom vrijspreken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Voorlopige hechtenis Gelet op de algehele vrijspraak van het ten laste gelegde zal het bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven. In beslag genomen voorwerpen Aan de orde is voorts het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Geldbedrag van USD 1.182,00 Het geldbedrag behoort toe aan de verdachte. Nu het Gerecht de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde handelen, zal het Gerecht de teruggave daarvan aan de verdachte gelasten, aangezien het geldbedrag niet vatbaar is voor verbeurdverklaring. Schadevergoeding Door mr. A.M. Tromp, advocaat in Curaçao, is per e-mailbericht van 11 september 2024 namens de aangever [slachtoffer] op voorhand ter zake van schade die het gevolg zou zijn van het aan de verdachte ten laste gelegde handelen een vordering ingediend. Deze vordering strekt tot vergoeding van een bedrag van totaal NAf 100.000,00, welke is beperkt tot een bedrag van NAf 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2024. De verdediging heeft de vordering betwist. Ingevolge artikel 374, derde lid, Sv, vindt de voeging als benadeelde partij plaats ter terechtzitting door een opgave van de vordering voordat de officier van justitie zijn requisitoir heeft gehouden. Het Gerecht overweegt dat nu de aangever [slachtoffer] niet ter terechtzitting is verschenen noch zijn gemachtigde mr. Tromp gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om namens hem ter terechtzitting aanwezig te zijn, de vordering niet volgens de wettelijke eisen is ingediend. Dit betekent dat er formeel geen vordering tot schadevergoeding is ingediend en het Gerecht daar dus ook geen beslissing over kan nemen. BESLISSING Het Gerecht: verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; gelast de teruggave van een geldbedrag van USD 1.182,00 (zegge: duizend honderd tweeëntachtig Amerikaanse dollar) aan de verdachte. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door R.A. Caupain, (zittingsgriffier), en op 23 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao. Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 maart 2024, proces-verbaalnummer: 20240315400.PVB, map 3, pagina 529-531. Proces-verbaal van CID-proces-verbaal, d.d. 18 januari 2024, proces-verbaalnummer: 2024006, map 2, pagina 135. Proces-verbaal van CID-proces-verbaal, d.d. 18 januari 2024, proces-verbaalnummer: 2024007, map 2, pagina 136. Proces-verbaal [is in bezit van een vuurwapen, d.d. 19 januari 2024, proces-verbaalnummer: TCI2024-002, map 2, pagina 137. Proces-verbaal geld betaald voor ontvoering, d.d. 24 januari 2024, proces-verbaalnummer: TCI2024-005, map 2, pagina 142-143. Proces-verbaal van 2de verhoor getuige [betrokkene 1], d.d. 8 maart 2024, proces-verbaalnummer: 20240308.1540GET, map 5, pagina 929-946. Proces-verbaal van 3de verhoor getuige[betrokkene 1] , d.d. 9 maart 2024, proces-verbaalnummer: 20240309.1038/GET, map 5, pagina 947-950. Proces-verbaal van verhoor getuige[betrokkene 2], d.d. 8 januari 2024, proces-verbaalnummer: 202403081500.GET, map 5, pagina 959-990. Proces-verbaal van bevinding anonieme melder, d.d. 17 januari 2024, proces-verbaalnummer: 202401171345/AMB, map 2, pagina 127-128. Proces-verbaal van aanvullend verklaring aangever [slachtoffer], d.d. 21 maart 2024, proces-verbaalnummer: 202403211115/AV, map 5, pagina 845 e.v. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], d.d. 1 mei 2024, proces-verbaalnummer: 202405011300.GET, map 5, pagina 1102-1115. Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3], d.d. 22 mei 2024, proces-verbaalnummer: 202405221031.GET, aanvulling slotdossier, pagina 1911-1929.