Burgerlijke zaken over 2024 Registratienummers: CUR202102997 en CUR2023H00200 Uitspraak: 23 april 2024 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba B E S C H I K K I N G in de zaak van: [DE MOEDER], wonende in Curaçao, appellante, in eerste aanleg verzoekster, hierna: de moeder, gemachtigde: mr. N.B. Louisa, tegen [DE VADER], wonende in Nederland, geïntimeerde, in eerste aanleg verweerder, hierna: de vader, gemachtigde: mr. V.S. La Fleur, 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij op 6 juli 2023 ingekomen beroepschrift, met producties, is de moeder in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 25 mei 2023 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende haar zal belasten met het eenhoofdig gezag over de hierna te noemen minderjarige. 1.2 Op 19 maart 2024 heeft een mondelinge behandeling door het Hof plaatsgevonden. Aanwezig in het gerechtsgebouw in Curaçao waren de moeder met haar gemachtigde, de gemachtigde van de vader en S. Chirino namens de Voogdijraad. De vader heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. De gemachtigde van de moeder heeft het hoger beroep nader toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. De gemachtigde van de vader heeft ter zitting een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden beschikking. 1.3 Beschikking is aangezegd en nader bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1 [ [de minderjarige] (hierna: de minderjarige) is op [geboortedatum] 2018 geboren uit een relatie tussen partijen. 2.2 Bij beschikking van 7 april 2020 heeft dit Hof: - vervangende toestemming verleend aan de vader voor erkenning van de minderjarige; - bepaald dat na erkenning de geslachtsnaam van de minderjarige zal luiden zoals in 2.1 weergegeven; - een omgangsregeling bepaald (samengevat) zo dat de vader als hij in Nederland is ten minste drie keer per week via videobellen contact heeft met de minderjarige en als hij in Curaçao is in 2020 de minderjarige een dagdeel per week mag meenemen naar het huis van zijn vader; als hij na 2020 Curaçao bezoekt mag dat gedurende een dag per week; -het verzoek van de vader afgewezen om de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag over de minderjarige. 2.3 Nadien is de minderjarige door de vader erkend. 3De procedure bij het Gerecht 3.1 De moeder heeft verzocht de Hofbeschikking van 7 april 2020 op het punt van de omgangsregeling zodanig te wijzigen (samengevat) dat de vader twee keer per week kan videobellen met de minderjarige en als de vader in Curaçao is de minderjarige minstens twee keer in de week gedurende drie uur kan zien. 3.2 De vader heeft bij zijn verweer zelfstandige tegenverzoeken ingediend. In de eerste plaats verzoekt hij (samengevat) een meer uitgebreide omgangsregeling vast te stellen en daarnaast een informatie- en consultatieverplichting op te leggen aan de moeder. In de tweede plaats verzoekt hij de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag over de minderjarige. 3.3 Bij beschikking van 19 mei 2022 heeft het Gerecht een voorlopige omgangsregeling en een voorlopige informatie/consultatieregeling vastgesteld, en heeft het de zaak overigens aangehouden (ter zake het gezag en voor evaluatie van de omgang/informatieregeling). 3.4 Bij beschikking van 15 december 2022 heeft het Gerecht een omgangsregeling en een informatie/consultatieregeling vastgesteld, en heeft het de zaak ter zake het gezag aangehouden voor advies door de Voogdijraad. 3.5 Nadat de Voogdijraad op 16 maart 2023 een rapport had uitgebracht heeft het Gerecht bij de bestreden beschikking van 25 mei 2023 het verzoek om gezamenlijk gezag van de vader toegewezen en de omgangsregeling gehandhaafd zoals door de vader verzocht. 4De beoordeling 4.1 In hoger beroep gaat het alleen nog om het gezag over de minderjarige. De vader heeft in de procedure bij het Gerecht verzocht om alsnog samen met de moeder met het gezag over de minderjarige te worden belast. Het Gerecht heeft dat verzoek toegewezen en de moeder is het daar niet mee eens. 4.2 Wijziging van het gezag is in dit geval mogelijk indien de omstandigheden na de Hofbeschikking van 7 april 2020 zijn gewijzigd of als het Hof bij de eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het Hof is namelijk van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 1: 253o lid 1 BW (ondanks de letterlijke tekst daarvan: ”Beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast…kunnen worden gewijzigd…”) met zich meebrengt dat dit artikel ook van toepassing is op de situatie in deze zaak. In de Hofbeschikking van 7 april 2020 is immers een inhoudelijke beslissing gegeven over het eerdere verzoek van de vader om hem naast de moeder met het gezag te belasten. 4.3 De omstandigheden zijn naar het oordeel van het Hof in die zin gewijzigd dat de vader de minderjarige na 2020 heeft erkend en hij inmiddels ook meerdere keren fysiek contact met het kind heeft gehad (gedurende zijn verblijf in Curaçao in 2021, 2022 en 2023). Het Hof zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen. 4.4 De moeder heeft aangevoerd dat er zorgsignalen aanwezig zijn die een gezamenlijk gezag niet kunnen rechtvaardigen en waar de Voogdijraad in haar rapport onvoldoende rekening mee heeft gehouden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.