Burgerlijke zaken over 2024 Registratienummers: CUR2022H00147 - CUR202103185 Uitspraak: 23 april 2024 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S [GEÏNTIMEERDE], wonende in Curaçao, in eerste aanleg eiser, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. N.B. Louisa, tegen [APPELLANTE], wonende in Curaçao, in eerste aanleg gedaagde, thans appellante, gemachtigde: mr. G.C.A. Scheperboer-Parris. Partijen worden hierna aangeduid als [geïntimeerde] en [appellante]. 1De zaak in het kort Inzet van de procedure is een vordering uit een geldlening. Partijen zijn verdeeld over de omvang van de restschuld. Het Gerecht heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. Het Hof beoordeelt de vordering opnieuw. 2Het verloop van de procedure 2.1 Bij op 24 juni 2022 ingekomen akte van hoger beroep is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 16 mei 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). 2.2 Bij op 16 augustus 2022 ingekomen gedingstuk, getiteld “EJ-beroepschrift”, met producties, heeft [appellante] drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zij concludeert dat het Hof haar ontvankelijk zal verklaren en haar toestemming zal verlenen kosteloos te procederen. Zij stelt dat het verschuldigde bedrag NAf 815,- bedraagt, welk bedrag zij middels een vaststellingsovereenkomst wenst te voldoen. 2.3 Bij op 19 december 2022 ingekomen memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd dat het Hof [appellante] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep en het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met eventuele correctie van de hoofdsom, en met veroordeling van [appellante] in de kosten van deze procedure. 2.4 Op 6 juni 2023 hebben partijen pleitnotities overgelegd. Aan de pleitnotitie van [appellante] is een productie gehecht. 2.5 Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag. 3De beoordeling 3.1 Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof [appellante] toelating verlenen om in hoger beroep kosteloos te procederen. 3.2 Het Hof vat het “EJ-beroepschrift” op als een memorie van grieven. Ingevolge artikel 271 Rv dient een memorie van grieven binnen zes weken te worden ingediend na de dag die de griffier aantekent als de dag waarop de verklaring van hoger beroep is afgelegd of ontvangen. In het onderhavige geval – waarin de griffier 24 juni 2022 heeft aangetekend als de dag waarop de verklaring van hoger beroep is ontvangen – is de op 16 augustus 2022 ingediende memorie van grieven niet binnen zes weken ingediend, en derhalve tardief. Het daartoe strekkende verweer van [geïntimeerde] slaagt in zoverre. 3.3 De in artikel 271 Rv genoemde termijn is van openbare orde en derhalve niet verlengbaar. [appellante] betoogt in haar pleitnotitie dat zij per e-mail om uitstel heeft gevraagd maar daarop geen antwoord van de griffie heeft ontvangen. Dat betoog – zelfs indien juist – leidt daarom niet tot een ander oordeel. [geïntimeerde] concludeert in zijn pleitnotitie tot niet-ontvankelijkheid van [appellante] in het door haar ingestelde hoger beroep. Anders dan [geïntimeerde] betoogt is het rechtsgevolg van een te laten indiening van de memorie van grieven niet dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, maar dat het Hof op de inhoud van de memorie van grieven (inclusief de daarbij gevoegde producties) geen acht slaat. Dit laat onverlet dat het Hof kennis neemt van de pleitnotitie van [appellante]. 3.4 In dit geding staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist vast dat [geïntimeerde] en [appellante] een overeenkomst van geldlening hebben gesloten. Blijkens de als productie 3 bij inleidend verzoekschrift overgelegde en mede door [appellante] ondertekende schuldbekentenis van 8 januari 2013 heeft zij een bedrag NAf. 9.000,- ontvangen (waarin is begrepen de hoofdsom van NAf. 8.800,- en NAf. 200,- commissie) en heeft zij zich verbonden deze lening af te lossen in maandelijkse termijnen van minimaal NAf. 375,-. Het betoog van [appellante] dat zij (slechts) NAf 3.000,- heeft ontvangen is door het Gerecht als onvoldoende gemotiveerde betwisting verworpen. 3.5 In hoger beroep onderbouwt [geïntimeerde] zijn betoog door overlegging van een door [appellante] op 8 januari 2013 ondertekend ontvangstbewijs voor NAf 8.800,- alsmede een door [appellante] ondertekend verzoek aan de bank tot een maandelijkse overboeking van NAf 375,-ingaande 26 januari 2013 (producties 1 en 2 bij memorie van antwoord). [appellante] stelt hier (thans) tegenover dat zij een bedrag van NAf 8.800,- heeft geleend (en derhalve niet langer: NAf 3.000,-). In de schuldbekentenis staat dat in het uitgeleende bedrag van NAf 9.000,- een bedrag van NAf 200,- aan commissie is begrepen. Hierop is [appellante] niet ingegaan. Gelet hierop gaat het Hof ervan uit dat [appellante] NAf 9.000,- heeft geleend en dat er NAf 200,- is ingehouden aan commissie. Hoewel zij destijds dus waarschijnlijk NAf 8.800,- heeft ontvangen, dient bij de berekening van de restschuld toch te worden uitgegaan van een geleend bedrag van NAf 9.000,-. 3.6 Partijen verschillen van mening over de (omvang van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.