SXM2023H00160 Datum uitspraak: 12 juni 2024 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 2 oktober 2023 in zaak nr. SXM202201212, in het geding tussen: appellant en de minister van Justitie van Sint Maarten (hierna: de minister) Procesverloop Bij beschikking van 14 mei 2021 heeft de minister het verzoek van [appellant] om een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel gezinsvorming, afgewezen. Bij beschikking van 15 september 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking). Bij uitspraak van 2 oktober 2023 heeft het Gerecht het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift in gediend. Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 april 2024. [appellant], vertegenwoordigd door E.I. Maduro, rechtsbijstandverlener, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is op [geboortedatum] 1957 geboren in Saint Kitts en Nevis en heeft die nationaliteit. Hij is op 24 augustus 2018 in Anguilla gehuwd met [echtgenote], die de Dominicaanse nationaliteit heeft. [echtgenote] beschikt sinds 2013 over een vergunning tot verblijf. Op 9 september 2020 heeft [appellant] verzocht om een vergunning tot tijdelijk verblijf (hierna: vttv) voor het verblijfsdoel gezinsvorming. Dat verzoek heeft de minister afgewezen omdat de echtgenote van [appellant] niet over voldoende middelen van bestaan beschikt (hierna: middelenvereiste). Het daartegen op 9 juli 2021 gemaakte bezwaar heeft de minister bij de bestreden beschikking ongegrond verklaard wegens opnieuw het niet voldoen aan het middelenvereiste. Daaraan is toegevoegd dat er onjuiste informatie is verstrekt voor het verkrijgen van een vttv omdat er drie verschillende werkgeversverklaringen zijn ingebracht met drie verschillende salarissen die niet corresponderen met de bijbehorende loonstrookjes. Aangevallen uitspraak 2. Het Gerecht heeft overwogen dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] met de door hem ingebrachte stukken niet voldoende objectief en verifieerbaar heeft aangetoond dat aan het middelenvereiste is voldaan. Een aangifte inkomstenbelasting of inkomensverklaring van de belastingdienst is volgens vaste rechtspraak daarvoor niet voldoende. Verder kan op basis van de werkgeversverklaring niet eenduidig worden vastgesteld dat het maandelijks inkomen van [echtgenote] minstens NAf 2.000,- is. Dat dit salaris wordt aangevuld met fooien, is niet onderbouwd met objectief verifieerbare gegevens, aldus het Gerecht. Hoger beroep 3. [ [appellant] voert aan dat het niet mogelijk is om met objectief verifieerbare gegevens aan te tonen dat zijn echtgenote aan het middelenvereiste voldoet, omdat de belastingdienst achterloopt met het opmaken en verzenden van belastingaanslagen. Het Gerecht heeft daar ten onrechte geen rekening mee gehouden. 3.1. Op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Ltu kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door de minister worden geweigerd indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. Voor de toepassing van deze bepaling hanteert de minister het beleid zoals opgenomen in de "Richtlijnen van de minister met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012". Op grond van paragraaf 3.7.1 van de richtlijnen, zoals deze luidde ten tijde van de aanvraag en de bestreden beschikking, geldt bij aanvragen van een echtgeno(o)t(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.