Burgerlijke zaken over 2024 Registratienummers: CUR202004857 – CUR2022H00152 Uitspraak: 18 juni 2024 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: 1[appellant 1], 2[appellant 2], beiden wonende in Curaçao, appellanten, in eerste aanleg gedaagden, gemachtigde: mr. M.W.J.H. Welten, tegen [DE LEVENSPARTNER], wonende in Curaçao, geïntimeerde, in eerste aanleg eiseres, gemachtigde: mr. R.E.F.A. Bijkerk. Appellant sub 1 wordt hierna aangeduid als [appellant 1], appellant sub 2 als [appellant 2] en gezamenlijk worden zij ook aangeduid als de erfgenamen. Geïntimeerde wordt aangeduid als [de levenspartner]. 1. De zaak in het kort Deze zaak betreft de uitleg van een legaat van gebruik en bewoning ten behoeve van de levenspartner van een erflater. In het testament is dat legaat gevestigd op een woning waar de erflater op dat moment samenwoonde met zijn levenspartner. Die woning is in het jaar van overlijden van de erflater verkocht. Het voornemen tot verhuizing naar een andere al aangekochte woning is doorkruist door het overlijden van de erflater. Met verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad (van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023) oordeelt het Hof dat het legaat ook ziet op de woning waarnaar erflater en zijn partner zouden gaan verhuizen en dat het niet is vervallen. Het Gerecht kwam tot hetzelfde oordeel. 2. Het verloop van de procedure 2.1 Bij op 30 juni 2022 ingekomen akte van appel zijn de erfgenamen in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 23 mei 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). 2.2 Bij op 11 augustus 2022 ingediende memorie van grieven hebben de erfgenamen grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [de levenspartner] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [de levenspartner] – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft [de levenspartner] de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van appellanten in de proceskosten in hoger beroep. 2.4 Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities ingediend. 2.5 Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag. 3. De feiten 3.1 Op [datum overlijden] 2019 is [de erflater] (hierna: de erflater) overleden. [appellant 1] en [appellant 2] zijn kinderen van de erflater. 3.2 Ten tijde van zijn overlijden (en al geruime tijd daarvoor) woonde de erflater ongehuwd samen met [de levenspartner] in een aan de erflater toebehorende woning, gelegen in [WONING] in Curaçao (hierna: [WONING]). 3.3 De erflater heeft op 15 juli 2016 een testament laten opmaken, waarin hij zijn kinderen tot zijn enige erfgenamen heeft benoemd, onder de last van de uitkering van legaten aan [de levenspartner], die in het testament ook als zijn partner wordt aangeduid. Dat testament luidt onder meer als volgt: “ (…) III LEGATEN EN ERFSTELLINGEN Op voorwaarde dat ik ten tijde van mijn overlijden nog duurzaam met haar samenwoon en een gemeenschappelijke huishouding met haar voer: A. legateer ik aan mijn partner (…) een lijfrente ten bedrage van (…) USD 11.250 per kalenderkwartaal, zolang zij op Curaçao woont en (…) € 11.250 per kalenderkwartaal, zodra en zolang zij elders woont (…). Gemelde lijfrenten zijn niet cumulatief. (…) B. legateer ik- en voor zoveel nodig leg ik aan mijn erfgenamen de last op tot het vestigen van het zakelijk recht van gebruik en bewoning van mijn woning met erf en ondergrond, plaatselijk bekend als [woonwijk] kavel [WONING], alsmede de zich daarin ten tijde van mijn overlijden bevindende inboedel en mijn personenauto aan mijn partner, zulks onder de volgende bepalingen: Met betrekking tot de gemeld legaat inhoudende het recht van gebruik en bewoning en de legaten van inboedel en personenauto bepaal ik dat deze zullen eindigen: 1. bij haar overlijden; (…) 3. wanneer zij in aanmerking komt voor financiële steun van de overheid omdat haar inkomsten niet (meer) toereikend zijn voor de voorziening in de kosten van haar levensonderhoud en zij, voordat zij aanspraak kan maken op deze steun moet gaan interen op haar vermogen; 4. wanneer zij de woning geheel of gedeeltelijk verhuurt of op andere wijze voor bewoning aan derden ter beschikking stelt, alsmede wanneer zij de woning metterwoon verlaat; (…) 6. bij haar trouwen of het aangaan van een geregistreerd partnerschap of enige wijze van samenwoning; (…) C. Met betrekking tot gemelde legaten bepaal ik voorts: b. Gemelde legaten moeten worden afgegeven binnen drie maanden na mijn overlijden; (…) d. Mijn partner is verplicht het woonhuis met aanhorigheden voor haar eigen rekening in goede staat te onderhouden en de daarop drukkende Onroerende Zaakbelasting en de verplichte bijdrage aan de Vereniging van Eigenaren [woonwijk] tijdig te voldoen. (…) D. Onder de last van het bovenstaande benoem ik tot mijn enige erfgenamen, tezamen en voor gelijke delen, met inachtneming van plaatsvervulling zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek voor erfopvolging bij versterf: mijn kinderen.(…) ”. 3.4 [ [appellant 1] is in het testament als executeur benoemd. Over de nalatenschap als geheel en over het erfdeel van [appellant 2] is bewind ingesteld, waarbij [appellant 1] in beide gevallen tot bewindvoerder is benoemd. De erfgenamen hebben de erfenis bij verklaring van 4 september 2020 beneficiair aanvaard. 3.5 Vóór zijn overlijden heeft de erflater woning [WONING] verkocht. De levering was gepland op 1 oktober 2019. Vanwege het overlijden van erflater heeft [appellant 1] in zijn plaats aan de levering meegewerkt, die heeft plaatsgevonden op 29 november 2019. 3.6 De erflater heeft op 22 april 2019 een koop/aannemingsovereenkomst gesloten voor een appartement, aangeduid als [appartement 1] (hierna [appartement 1]) in het appartementencomplex [appartementencomplex] dat in aanbouw was. De oorspronkelijke opleverdatum van 1 september 2019 werd niet gehaald. Na het overlijden van erflater heeft levering niet plaatsgevonden en is de overeenkomst tot koop van [appartement 1] door [appellant 1] in zijn hoedanigheid van executeur ontbonden. 3.7 Ten tijde van het overlijden van erflater was het zijn bedoeling (vanwege het feit dat [WONING] per 1 oktober 2019 leeg moest worden opgeleverd) dat hij en [de levenspartner] tijdelijk zouden verhuizen naar een appartement in [woonwijk], [appartement 2]. [de levenspartner] is alleen naar dat appartement verhuisd. 4. De procedure bij het Gerecht 4.1 [ [de levenspartner] heeft gevorderd te verklaren voor recht: a. primair: dat zij recht heeft op bewoning van het (gemeubileerde) appartement [appartement 1]; b. subsidiair: dat zij recht heeft op een door de erfgenamen ter beschikking te stellen gelijkwaardige vervangende woonruimte; c. meer subsidiair: dat zij recht heeft op een vergoeding voor vervangende woonruimte van NAf 4.500 per maand zolang haar door de erfgenamen geen adequate woonruimte ter beschikking gesteld is; en voorts dat de erfgenamen worden veroordeeld tot nakoming van de legaten. 4.2 Bij het bestreden vonnis (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:OGEAC:2022:372) heeft het Gerecht voor recht verklaard dat [de levenspartner] jegens de erfgenamen dan wel jegens de nalatenschap recht heeft op bewoning van een gelijkwaardige vervangende woonruimte als [appartement 1], dan wel op een vergoeding ter zake van NAf 4.500 per maand, in geval aan haar geen adequate woonruimte ter beschikking wordt gesteld. Het Gerecht heeft de erfgenamen voorts veroordeeld tot nakoming van beide legaten en heeft hen in de proceskosten veroordeeld. 5. De beoordeling ontvankelijkheid 5.1 [ [de levenspartner] heeft in deze procedure [appellant 1] en [appellant 2] in persoon (want zonder enige andere aanduiding) gedagvaard voor verplichtingen die (naar haar stelling) de nalatenschap jegens haar heeft vanwege de legaten. Erflater heeft in het testament (onder D) zijn kinderen als erfgenamen benoemd en een legaat komt ten laste van de gezamenlijke erfgenamen (artikel 4:117 lid 2 BW). De (gezamenlijke) erfgenamen zijn dus de materiële procespartij en kunnen in die hoedanigheid gedagvaard worden. 5.2 Daarbij gaat het Hof er met partijen van uit dat [appellant 1] en [appellant 2] de enige kinderen zijn van erflater en daarmee zijn enige erfgenamen, hoewel geen verklaring van erfrecht is overgelegd waaruit dat blijkt. Nu [appellant 1] en [appellant 2] de erfenis op 4 september 2020 beneficiair hebben aanvaard, zijn zij als erfgenamen ook allebei vereffenaar en oefenen zij die bevoegdheid tezamen uit (artikel 4:195 lid 1 en 4:198 BW). 5.3 Het feit dat [appellant 1] ook in hun formele hoedanigheid (als executeur/afwikkelingsbewindvoerder/vereffenaar) en [appellant 2] ook als vereffenaar had kunnen worden gedagvaard, heeft echter niet tot gevolg dat [de levenspartner] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, zoals de erfgenamen betogen. De erfgenamen hebben geen in rechte te respecteren belang bij dit verweer, nu zij in dit geval de formele hoedanigheden van erfgenamen en vereffenaars in zich verenigen en aangenomen kan worden dat er geen andere erfgenamen/vereffenaars zijn. uitleg testament en legaat 5.4 In deze zaak is de vraag hoe het testament van erflater moet worden begrepen, met name hoe het legaat van gebruik en bewoning moet worden uitgelegd. De erfgenamen hebben niet betwist dat de erflater [de levenspartner] op enige wijze verzorgd wilde achterlaten, maar verzetten zich met name tegen het oordeel van het Gerecht dat het legaat van gebruik en bewoning na de verkoop van [WONING] ook op [appartement 1] ziet en dat [de levenspartner] daarom recht heeft op vervangende woonruimte gelijk aan [appartement 1] dan wel op een woonvergoeding die daarop is afgestemd. Daarmee rekt het Gerecht de verzorgingsgedachte in het testament te veel op, aldus de erfgenamen. 5.5 In hoger beroep handhaven de erfgenamen kennelijk niet meer de stelling dat het legaat van gebruik en bewoning is geëindigd doordat [de levenspartner] [WONING] vrijwillig (“metterwoon”) heeft verlaten. Het Gerecht heeft deze stelling verworpen (in 4.2) en daartegen is geen grief gericht. Voor zover in de memorie van grieven toch een bezwaar tegen dit oordeel valt te lezen geldt dat het Hof het eens is met het oordeel van het Gerecht en dat overneemt, inclusief de motivering daarvoor. 5.6 De erfgenamen betogen dat het testament en de bewoordingen van het legaat duidelijk zijn, in die zin dat het legaat alleen ziet op de situatie dat [de levenspartner] na het overlijden van erflater in Curaçao zou blijven wonen en wel in [WONING]. De erfgenamen wijzen daarbij op de volgende feiten en omstandigheden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.