Burgerlijke zaken over 2024 Registratienummers: CUR202201001 en CUR2023H00003 Uitspraak: 18 juni 2024 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S [verzekerde 1], [verzekerde 2], [verzekerde 3], allen woonplaats gekozen hebbende in Curaçao, in eerste aanleg: eisers, thans: appellanten, gemachtigden: aanvankelijk mr. A.I. Martis, thans mr. J.E. Lovert. tegen de naamloze vennootschap FATUM GENERAL INSURANCE N.V., gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg: gedaagde, thans: geïntimeerde, gemachtigden: mr. J.C. Meulens en R.G. Spinhoven. Partijen worden hierna aangeduid als de verzekerden en de verzekeraar. 1De zaak in het kort Op 2 mei 2019 is op de benedenverdieping van het pand [het pand] te Curaçao brand ontstaan. Het pand is eigendom van verzekerden en was door hun moeder en rechtsvoorganger verhuurd aan [huurder], wiens echtgenote het pand in gebruik had, onder meer voor kooklessen (hierna tezamen aangeduid als de huurders). In deze procedure gaat het om de dekking van de geleden schade onder de brandverzekering. In de gevoegde zaak van dezelfde eisers tegen de huurders gaat het om de aansprakelijkheid van de huurders voor de geleden schade (CUR2023H00004). Het Gerecht heeft in beide zaken de vorderingen afgewezen. Het Hof komt in deze zaak tot een ander oordeel en wijst de vorderingen tegen de verzekeraar toe. 2Het verloop van de procedure 2.1 Net als het Gerecht heeft gedaan zal het Hof in beide gevoegde zaken gelijktijdig vonnis wijzen. 2.2 Bij op 6 januari 2023 ingekomen akte van hoger beroep zijn de verzekerden in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 28 november 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). 2.3 Bij op 17 februari 2023 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben de verzekerden acht grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht, onder aanbieding van bewijs van hun stellingen. Zij concluderen tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en vorderen, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de verzekeraar tot vergoeding van de door hen geleden schade vanwege de brand op 2 mei 2019 in het pand aan de [het pand], ter hoogte van een geïndexeerd bedrag van de kostenraming van 9 december 2020, dan wel een door een door het Hof te benoemen deskundige te bepalen bedrag, dan wel door de verzekeraar op te dragen om de schade binnen een week opnieuw te doen vaststellen door middel van een bouwkundige expertise, met veroordeling van de verzekeraar om dat bedrag binnen drie weken te doen uitkeren, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met veroordeling van de verzekeraar in de proceskosten. 2.4 Bij op 4 april 2023 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft de verzekeraar de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van de verzekerden in de proceskosten en nakosten. 2.5 Op 4 juli 2023 hebben partijen pleitnotities overgelegd. 2.6 Op 19 september 2023 is vonnis gevraagd dat nader bepaald is op heden. 3De beoordeling 3.1 Het Hof gaat uit van de feiten zoals vastgesteld door het Gerecht in rechtsoverweging 2 van het vonnis waarvan beroep (ECLI:NL:OGEAC:2022:339), nu partijen daartegen geen bezwaren hebben aangevoerd en het Hof er geen bedenkingen bij heeft. eiswijziging 3.2 De verzekerden hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd in die zin dat thans schadevergoeding in geld wordt gevorderd (en niet langer (ook) herstel in natura). De verzekeraar heeft tegen de wijziging van eis geen bewaar gemaakt en het Hof staat haar toe op de voet van artikel 278 jo. 109 Rv nu zij niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. standpunten partijen 3.3 De verzekerden hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de verzekeraar op grond van de tussen partijen geldende verzekeringsovereenkomst – naast de huurder (op grond van wanprestatie) en zijn echtgenote (op grond van onrechtmatige daad) – gehouden is tot vergoeding van de door hen geleden schade. 3.4 De verzekeraar beroept zich op artikel 7.2 van de (als productie 2 bij conclusie van antwoord overgelegde) polisvoorwaarden betreffende de Perfect Woonhuisverzekering, op grond waarvan de verzekerde in geval van wijziging van de bestemming van het gebouw gehouden is daarvan zo spoedig mogelijk (maar in ieder geval binnen twee maanden) schriftelijk aan de verzekeraar kennis te geven. Na het aangaan van de huurovereenkomst op 1 maart 2018 werd de benedenverdieping van het pand gebruikt voor kookcursussen en andere kookactiviteiten, dus voor bedrijfsmatige activiteiten. Daarmee is de bestemming van het pand veranderd hetgeen de verzekerden bij de verzekeraar hadden moeten melden, maar ten onrechte hebben nagelaten. Daarom is op grond van artikel 7.2 sub c van de polisvoorwaarden de dekking opgeschort, aldus de verzekeraar. oordeel en beslissing Gerecht 3.5 Het Gerecht heeft dit verweer gehonoreerd. De vorderingen van de verzekerden zijn afgewezen. grieven 3.6 De verzekerden bestrijden het vonnis waarvan beroep met acht grieven die ertoe strekken het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen. Zij betogen in de kern dat de benedenverdieping van het pand [het pand] al sinds 2012 als bedrijfspand werd gebruikt – eerst als nummerverkoopkantoor, vervolgens als kapsalon, en tenslotte voor sociaal-culturele activiteiten waaronder kooklessen – zodat van een bestemmingswijziging geen sprake is. Artikel 7.2 van de poliswaarden is derhalve niet van toepassing. Zelfs indien dat anders zou zijn, zo vervolgen de verzekerden, dan nog wordt de dekking niet opgeschort omdat die regel uitzondering lijdt indien de verzekering ook na kennisgeving zou zijn gecontinueerd (artikel 7.2 sub c van de polisvoorwaarden). Artikel 7:930 BW wijst eveneens in deze richting; maatstaf daarbij is de redelijk handelend verzekeraar (vlg. HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1841). Voorts betogen de verzekerden dat zowel de verzekeraar als tussenpersoon [tussenpersoon] van meet af aan van deze bestemming op de hoogte waren, althans daarvan op de hoogte hadden moeten zijn, mede gelet op artikel 10 van de polisvoorwaarden inhoudende dat de maatschappij zich voldoende bekend acht met het gebouw en zijn inrichting, ten aanzien van onder meer de dekking en het omschreven gebruik daarvan, zoals die waren ten tijde van het aangaan van de verzekering of bij voortzetting na verhuizing. Door desondanks de dekking onder de verzekering op te schorten schendt de verzekeraar haar zorgplicht. De omstandigheid dat het onderscheid in bestemming tussen de benedenverdieping (bedrijfspand) en de bovenverdieping (woonhuis) niet op het polisblad van de in 2012 afgesloten verzekering staat vermeld, is een omstandigheid die voor risico komt van de verzekeraar. Voorts betogen de verzekerden dat artikel 7.2 van de polisvoorwaarden slechts opschorting van de dekking rechtvaardigt, en niet opheffing van de dekking. Zij betwisten eveneens dat sprake is van een risico-verzwaring door het gebruik voor kooklessen in het kader van sociaal-culturele activiteiten; dat gebruik is immers beperkt tot één keer per week en verschilt niet met die van het koken in een woonhuis. wel of niet bestemmingswijziging 3.7 Het Hof stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de schade die de verzekerden ten gevolge van de brand op 2 mei 2019 in zijn pand [het pand] hebben geleden in beginsel door de tussen partijen in 2012 gesloten Perfect woonhuisverzekering wordt gedekt. Het geschil draait om de vraag of het verweer van de verzekeraar doel treft, inhoudende dat de verzekerden de bestemming van het verzekerde object (in strijd met artikel 7.2 van de polisvoorwaarden) hebben gewijzigd zonder daarvan mededeling te doen aan de verzekeraar. Dat verweer is door de verzekerden bestreden met het (meest verstrekkende) betoog dat de bestemming niet is gewijzigd omdat de benedenverdieping van meet af aan een bedrijfsmatige bestemming had. Sedert het aangaan van de huurovereenkomst met de huurders op 26 februari 2018 – en dus ook ten tijde van de brand op 2 mei 2019 - werd de benedenverdieping gebruikt voor sociaal-culturele activiteiten waaronder het verzorgen van kooklessen (gemiddeld één keer per week). Daarvóór was de benedenverdieping in gebruik als kapsalon en dáárvoor (ten tijde van de eerste brandverzekering in 1986 bij de verzekeraar) als nummerverkoopkantoor. 3.8 De verzekeraar heeft daartegen aangevoerd dat weliswaar de benedenverdieping sedert 6 augustus 1986 als bedrijfspand was verzekerd, maar dat de sedert 6 augustus 2012 geldende opstalverzekering een woonhuis betrof. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst zij naar de polis uit 1986 (waarop vermeld staat: “verzekerd is: (…) bedrijfspand, verzekerd naar herbouwwaarde; t.w. een verdiepingspand, boven dienende tot woonhuis en beneden tot nummerverkoopkantoor”) (productie 1 bij conclusie van antwoord) en naar de polis uit 2012 (die op de eerste bladzijde vermeldt: “verzekerd is: BAA01 woonhuis, verzekerd naar herbouwwaarde”) (productie 7 bij memorie van grieven). de verzekeraar komt geen beroep toe op artikel 7.2 polisvoorwaarden 3.9 De kern van het betoog van de verzekerden is dat – in weerwil van de bovenstaande vermeldingen op de respectieve polisbladen uit 1986 en 2012 – de verzekeraar geen beroep toekomt op artikel 7.2 van de polisvoorwaarden. Aan die conclusie leggen de verzekerden de volgende feitelijke omstandigheden ten grondslag:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.