AUA2024H00073, AUA2024H00074 en AUA2024H00075 Datum uitspraak: 8 april 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [Belanghebbende], gevestigd te Aruba, belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 7 februari 2024 in de zaak met BBZ nrs. AUA202103317, AUA202103318 en AUA202302310 in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur der belastingen, zetelend te Aruba, de Inspecteur. betreffende de hierna te vermelden aanslagen. 1Procesverloop 1.
(2020)? 4.26 Artikel 35 LGB bepaalt dat ter zake van gebouwen of afzonderlijke gedeelten van gebouwen met hun aanhorigheden, die gedurende een tijdvak van minstens zes achtereenvolgende maanden ongebruikt en onverhuurd gebleven zijn, ontheffing kan worden verleend van (een gedeelte van) de aanslag grondbelasting. 4.27 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat van de aanslag van Afl. 888.000 tot een bedrag van Afl. 838.982 ontheffing dient te worden verleend. Aan deze ontheffing ligt de redenering ten grondslag dat gedurende de periode 21 maart 2020 tot en met 23 juli 2020 de onroerende zaak op last van de Arubaanse regering volledig was gesloten en dat de bezettingsgraad van de onroerende zaak in de twee daarop volgende maanden beperkt was tot tussen de 5% en 20%. De gemiddelde bezettingsgraad gedurende de periode van zes maanden, van 21 maart 2020 tot en met 21 september 2020, bedroeg 5,52%. Belanghebbende meent dat toepassing van artikel 35 en 36 LGB ertoe leidt dat ontheffing dient te worden verleend van 94,48% (100% - 5,52%) van de aanslag (Afl. 888.000 x 94,48% = Afl. 838.982). Het Gerecht wijst op de bijzonderheid dat belanghebbende de ontheffing niet tijdsevenredig toepast, maar de gemiddelde bezettingsgraad van 5,52% ‘omslaat’ over een heel jaar. 4.28 De Inspecteur is van mening dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor ontheffing op grond van artikel 35 LGB, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de onroerende zaak gedurende de door belanghebbende aangegeven periode ‘ongebruikt’ was. Volgens de Inspecteur was de onroerende zaak in de periode maart tot en met september 2020 niet ‘ongebruikt’ omdat alle gedeelten van de onroerende zaak voorzien waren van roerende goederen, zoals meubels, die immers een gebruikersfunctie hebben. Bovendien heeft belanghebbende, aldus nog steeds de Inspecteur, niet aangetoond dat gedurende de aangegeven periode de onroerende zaak hermetisch op slot was, waardoor niemand geautoriseerd was om de kamers te ontluchten, schoon te maken en te onderhouden. De Inspecteur meent ten slotte dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de onroerende zaak van maart tot en met september 2020 onverhuurd en ongebruikt is. 4.29 Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende een lijst verstrekt met de bezettingsgraden per dag gedurende de periode 21 maart 2020 tot en met 21 september 2020, resulterende in een gemiddelde bezettingsgraad van 5,52%. Uit genoemd overzicht blijkt inderdaad dat gedurende de periode van 21 maart 2020 tot en met 23 juli 2020 de bezettingsgraad 0% bedroeg en in de periode van 23 juli 2020 tot en met 21 september 2020 de bezettingsgraad beweegt tussen de 5,57% op 23 juli 2020 en de 24,23% op 5 september 2020. 4.30 Ter zitting van het Gerecht is belanghebbende erop gewezen dat de onroerende zaak slechts gedurende vier maanden aaneengesloten was gesloten en dat in artikel 35 LGB als voorwaarde is vermeld dat de onroerende zaak minstens zes achtereenvolgende maanden ongebruikt en onverhuurd moet zijn gebleven. Belanghebbende heeft daarop aangevoerd dat afzonderlijke gedeelten van het hotel gedurende minstens zes achtereenvolgende maanden hebben leeggestaan, zonder daarvan op dat moment enig bewijs te kunnen leveren. Desgevraagd door het Gerecht heeft de Inspecteur ter zitting toegezegd bereid te zijn om samen met belanghebbende te onderzoeken of wellicht ontheffing voor een gedeelte van de onroerende zaak zou kunnen worden verleend, gesteld dat belanghebbende het bewijs zou kunnen leveren dat afzonderlijke gedeelten van het gebouw minstens zes maanden achtereenvolgens hebben leeggestaan. Ter zitting van het Gerecht is afgesproken dat de zaak gedurende een maand zou worden aangehouden en partijen het Gerecht zouden informeren over hun bevindingen. 4.31 Op 13 december 2023 heeft belanghebbende het Gerecht laten weten geen verdere informatie te verstrekken en dat zij een uitspraak wenst te ontvangen op basis van wat reeds is verstrekt. Daarop heeft het Gerecht partijen gevraagd of het onderzoek kon worden gesloten en beide partijen hebben ter zake bevestigend geantwoord. 4.32 De bewijslast dat op grond van artikel 35 ontheffing van belasting dient te worden verleend rust op belanghebbende. Dat betekent dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat de onroerende zaak gedurende een periode van minstens zes maanden achtereenvolgens ongebruikt en onverhuurd is gebleven. Het Gerecht acht belanghebbende daarin niet geslaagd. Het overzichtje met de bezettingsgraden gedurende de periode 21 maart 2020 tot en met 21 september 2021 is daartoe volstrekt onvoldoende. Uit dit overzicht kan enkel worden opgemaakt dat gedurende slechts vier maanden de onroerende zaak onverhuurd is gebleven. Indien belanghebbende aannemelijk had willen maken dat afzonderlijk gebruikte gedeelten gedurende minstens zes maanden aaneengesloten onverhuurd gebleven zijn, dan had belanghebbende daarvoor aanvullend bewijs moeten leveren. Belanghebbende is daartoe in een zeer laat stadium de kans geboden, maar belanghebbende heeft daarvan om haar moverende reden bij nader inzien afgezien. De vraag of sprake is van het ‘ongebruikt zijn gebleven’ gedurende minstens zes achtereenvolgende maanden kan onbeantwoord blijven, nu reeds een beroep op het ‘onverhuurd zijn gebleven’ gedurende minstens zes achtereenvolgende maanden faalt. Nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 35 LGB is het gelijk aan de Inspecteur en bestaat geen recht op ontheffing van (een gedeelte van) de belasting. Is sprake van gehele of gedeeltelijke vernieling (2020 en 2021)? 4.33 Zowel in artikel 24, lid 1, onderdeel e LGB als in artikel 37 LGB is bepaald dat in het geval van gehele of gedeeltelijke vernieling door onvoorziene rampen een vermindering kan plaatsvinden van de belastbare waarde en de aanslag van de onroerende zaak, zoals die in het eerste jaar van het vijfjarige tijdvak is vastgesteld. De reden om deze mogelijkheid tot vermindering van de aanvankelijk vastgestelde belastbare waarde neer te leggen in twee afzonderlijke wettelijke bepalingen begrijpt het Gerecht aldus. De ‘hoofdregel’ is neergelegd in artikel 24, lid 1, onderdeel e LGB. Aldaar is bepaald dat de leggers in de loop van het vijfjarige tijdperk geen wijzigingen ondergaan (dus ook de vastgestelde belaste waarde ondergaat geen wijziging) behoudens die het gevolg zijn van in artikel 24 LGB genoemde gevallen, waaronder het geval van ‘gehele of gedeeltelijke vernieling door onvoorziene rampen’. Echter, ingevolge artikel 24, lid 3 LGB vindt de vermindering van de belastbare waarde van de onroerende zaak plaats met ingang van het belastingjaar volgend op het jaar waarin de wijziging plaatsvond. Met andere woorden: in het jaar waarin de onvoorziene ramp zich voordoet, vindt op grond van artikel 24 LGB nog geen vermindering van de belastbare waarde en de aanslag plaats, maar pas in het daaropvolgende jaar. Deze systematiek geldt in beginsel voor alle gevallen die in artikel 24, lid 1 LGB zijn vermeld. Kennelijk heeft de wetgever het (bij nader inzien) onredelijk gevonden om in het jaar waarin de onvoorziene ramp zich voordoet, geen vermindering van de belastbare waarde van de onroerende zaak en de aanslag te verlenen, en om die reden artikel 37 LGB in het leven geroepen. Krachtens die bepaling wordt voor gehele of gedeeltelijke vernieling van gebouwen door onvoorziene rampen, ook in het jaar waarin de ramp zich voordoet, ontheffing (= vermindering) verleend. 4.34 Het Gerecht gaat er vanuit dat de begrippen ‘gehele of gedeeltelijke vernieling (van gebouwen)[ De tekst ‘van gebouwen’ is wel opgenomen in artikel 37 LGB, maar niet in artikel 24, lid 1, letter e LGB.] door onvoorziene rampen’ in artikel 24, lid 1, letter e LGB en 37 LGB eenzelfde betekenis hebben. Hetgeen hierna wordt overwogen en geoordeeld wordt dan ook geacht te gelden voor het jaar 2020 (toepassing van artikel 37 LGB) en het jaar 2021 (toepassing van artikel 24, lid 1, onderdeel e LGB). 4.35 Volgens belanghebbende moet de coronapandemie worden beschouwd als een onvoorziene ramp die door overheidsmaatregelen, zoals het sluiten van grenzen voor niet-ingezetenen, het verplicht sluiten van niet essentiële bedrijven en het instellen van een avondklok, geleid heeft tot (gehele of gedeeltelijke) vernieling in economische zin. De coronapandemie heeft voor belanghebbende geleid tot een forse omzetdaling in de jaren 2020 en 2021. Volgens belanghebbende leidt de afnemende verdiencapaciteit tot een daling van de waarde van de onroerende zaak ten opzichte van de belastbare waarde van Afl. 148.000.000, zoals deze is vastgesteld door de Inspecteur. Als onderbouwing voor die waardedaling verwijst belanghebbende naar het door [advieskantoor] opgestelde taxatierapport van 5 februari 2021 (hierna: het [advieskantoor]-rapport). Volgens belanghebbende bedraagt de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2020 Afl. 162.532.000, per 1 januari 2021 Afl. 76.612.000 De waarde die belanghebbende verdedigt voor het jaar 2020 en 2021. ] [en per 1 januari 2022 Afl. 97.913.000. 4.36 Volgens de Inspecteur is er geen aanleiding om de belastbare waarde van de onroerende zaak voor de jaren 2020 en 2021 opnieuw vast te stellen, omdat geen sprake is van vernieling in de zin van artikel 24, lid 1, onderdeel e, LGB en artikel 37 LGB. De Inspecteur is namelijk van mening dat geen sprake is van ‘vernieling’, omdat ‘vernieling’ enkel zou zien op materiële schade en evenmin van een ‘onvoorziene ramp’, omdat daarvan slechts sprake zou zijn in het geval van buiten komende schade veroorzakende gebeurtenissen, zoals hagelslag, overstroming, windschade, brandschade en dergelijke onheilen. Daarnaast kan de Inspecteur zich niet verenigen met de door [advieskantoor] vastgestelde waarde, in het bijzonder niet, omdat in het [advieskantoor]-rapport volgens de Inspecteur wordt uitgegaan van een te hoge capitalization en discount rate. 4.37 Artikel 24, lid 1, letter e, LGB en artikel 37 LGB, alsmede de parlementaire toelichting daarop bieden geen (nadere) aanknopingspunten voor de duiding van ‘vernieling door onvoorziene rampen’. Raadpleging van de online ‘Dikke Van Dale’ levert de volgende betekenissen op. ‘Vernieling’ wordt beschreven als ‘1. Het vernielen of vernield worden = verwoesting’ en 2 ‘wat is vernield’. ‘Vernielen’ is gedefinieerd als ‘1. onbruikbaar maken = stukmaken, afbreken’ met als voorbeeld ‘een hek vernielen’, ‘2. Verwoesten’ met als voorbeeld ‘de stad werd door brand vernield’ en ‘3 verouderd mbt. personen doden’ met als voorbeelden ‘het zwaard zal hen vernielen; nog wel als bedreiging ik zou hem kunnen vernielen’. ‘Onvoorzien’ wordt beschreven als ‘zich onverwacht voordoend = onverhoeds, plotseling’ met als gegeven voorbeelden ‘ik geloof dat mijn onvoorziene komst je aan het schrikken heeft gemaakt; de tijding van de dood kwam zo onverwacht, zo onvoorzien’, ‘2. niet vooruit te berekenen’ met als voorbeeld ‘onvoorziene uitgaven, omstandigheden’ en ‘3. Op een bepaald ogenblik van iets ontbloot, het niet bij zich hebbend’ met als voorbeeld ‘van wapens onvoorzien zijn’. ‘Ramp’ voor zover hier van belang wordt gedefinieerd als ‘groot ongeluk = onheil, fataliteit. De vele gegeven voorbeelden doen in dit verband niet ter zake, behoudens het volgende voorbeeld ‘een chemische, ecologische, economische, financiële, humanitaire, nucleaire ramp’. 4.38 Een grammaticale uitleg van ‘vernieling door onvoorziene rampen’ leidt er naar het oordeel van het Gerecht toe dat daaronder niet kan worden begrepen een door belanghebbende bedoelde vernieling in economische zin. De coronapandemie was grammaticaal weliswaar 'onvoorzienbaar’ en te kenschetsen als een ‘ramp’, maar is volgens het Gerecht niet te duiden als ‘vernieling’. In grammaticale zin dient ‘vernieling’ veeleer als fysieke of materiële schade te worden begrepen. 4.39 Ook een wetshistorische interpretatie leidt er naar het oordeel van het Gerecht niet toe dat de coronapandemie kan worden geduid als ‘vernieling door onvoorziene rampen’, zoals bedoeld in artikel 24, lid 1, letter e LGB en artikel 37 LGB, zoals hierna zal worden uiteengezet. 4.39.1 Artikel 24 LGB vertoont een nauwe verwantschap met het bepaalde in artikel 7 van de Wet van 1870 op de grondbelasting (hierna: de Wet van 1870); het Gerecht gaat er vanuit dat artikel 24 LGB is gebaseerd op de Wet van 1870. In artikel 7 van de Wet van 1870 was het volgende bepaald: ‘Door verandering, in het vorig artikel bedoeld, wordt verstaan: 1º. Voor de gebouwde eigendommen: a… bij-, op of aanbouw of gedeeltelijke vernieuwing; b. gedeeltelijke vernieling door onvoorziene rampen; c. gedeeltelijke afbraak; d. verandering van bestemming; e. splitsing; f. vereeniging; (….)’. De ‘veranderingen’ opgesomd in artikel 7 van de Wet van 1870 zijn gelijk aan de ‘gevallen’ die zijn genoemd in artikel 24, lid 1, letters c tot en met g LGB[In artikel 24 LGB zijn voorts nog opgenomen ‘a. overvang van een goed’ en ‘b. het geheel of gedeeltelijk belastbaar worden van onbelastbare goederen en omgekeerd’.] 4.39.2 De ‘gedeeltelijke vernieling door onvoorziene rampen’ is gedefinieerd in artikel 53 van de Wet van 1870, alwaar is bepaald: ‘Ontheffing of vermindering van belasting in evenredigheid tot het geleden verlies wordt toegestaan voor eigendommen, waarvan onvoorziene rampen de opbrengst of het genot met meer dan 20 ten honderd hebben verloren doen gaan.’ Genoemd artikel 53 van de Wet van 1870 borduurt voort op een gedeelte van artikel 2 van de Wet van 24 april 1853, Stb. Nummer 14 Verz. nummer 51, dat luidde: ‘Indien het inkomen van een ongebouwd of gebouwd eigendom, door onvoorziene rampen, zoals hagelslag, overstrooming, overzanding, windschaden, brand of andere dergelijke onheilen, tijdelijk geheel of gedeeltelijk mocht verloren gaan, zal de grondbelasting, op de tot dusverre gevolgde wijs, geheel of gedeeltelijk worden vergoed uit het fonds voor kwade posten; doch zal de aanslag der provincie niet worden verminderd. De wetgeving uit die tijd werd geflankeerd door instructies (tot uitvoering) en resoluties en daaruit wordt duidelijk dat Nederland in die tijd nog een voornamelijk agrarische samenleving was en dat de voorbeelden van ‘vernieling door onvoorziene rampen’ met name zien op fysieke of materiële schade veroorzaakt aan landbouwproducten – en gewassen. Illustratief in dit verband is ‘§ 57 der Instructie tot Toelichting V. 1870 nº 154’: Art. 53’ “Dit artikel stemt overeen met de vroeger bestaande verordening, zooals die bij de artt. 31 en volgende der Instructie, vastgesteld bij Resolutie van den 1sten Januari 1862 nº 1 (Verzameling nº 1) werd toegelicht). Het geleden verlies in zuivere opbrengst komt als maatstaf voor de berekening ter ontheffing of vermindering in aanmerking. Tot dat einde behoort bij schade geleden aan de opbrengst der landerijen, ook het verlies in zaad, mest en werkloon in rekening gebracht te worden, ook wanneer de uitgaven daarvan in het vorige jaar zijn gedaan. Ter bepaling van de schade aan de ter veld staande gewassen te weeg gebracht, behooren deze vergeleken te worden met andere op naburige landerijen van gelijke hoedanigheid vergeleken te worden, waarvan de vruchten geene schade hebben geleden. Door onvoorziene rampen worden niet verstaan die, waaraan de gewassen ten gevolge van de ligging der landerijen, de afwisseling van het weder of der temperatuur in het land of den aard van het gewas gewoonlijk zijn blootgesteld. Overstrooming van buitendijks gelegen landerijen, schade geleden door nachtvorsten, door muizen of insecten, door ziekte van het gewas en door misgewas zijn geen onvoorziene rampen en geven mitsdien geene aanleiding tot ontheffing of vermindering. Evenmin schade geleden aan dijken, dammen, waterleidingen, sluizen, kaden of bruggen; noch aan gewassen op gronden waarvoor nog geen belastbare opbrengst van gecultiveerde grond is vastgesteld. Ten aanzien der gebouwde eigendommen behoort gelet te worden op het verlies in zuivere huur over het loopende jaar, en wordt de ontheffing of vermindering berekend vanaf den dag waarop het verlies is geleden.”’ 4.39.3 Niet gebleken is dat de wetgever met het bepaalde in artikel 24, lid 1, letter e LGB een wezenlijk andere betekenis voor ogen heeft gestaan dan ‘gedeeltelijke vernieling door onvoorziene rampen’ zoals bepaald in de Wet van 1870. Met belanghebbende is het Gerecht van oordeel dat begrippen die (erg) lang geleden zijn geformuleerd (enigszins) dynamisch moeten worden geïnterpreteerd (zie ook de uitspraak van Hof Arnhem, hierna). Voor wat betreft de (wetshistorische) interpretatie van ‘vernieling door onvoorziene rampen’ is het Gerecht echter van oordeel dat de wetgever heeft bedoeld slechts in een beperkt aantal gevallen ontheffing of vermindering te verlenen, namelijk alleen in die gevallen dat sprake is van een verlies aan opbrengsten die wordt veroorzaakt door fysieke of materiële schade als gevolg van niet te voorziene meteorologische of klimatologische onheilen. Het meest expliciet is de wetgever geweest in artikel 2 van de Wet van 24 april 1853, alwaar onder andere is bepaald: ‘Indien het inkomen van een ongebouwd of gebouwd eigendom, door onvoorziene rampen, zoals hagelslag, overstrooming, overzanding, windschaden, brand of andere dergelijke onheilen [cursivering Gerecht].’ Het Gerecht wijst erop dat, voor zover het Gerecht dit kan overzien, in de parlementaire geschiedenis van de (Nederlandse) grondbelasting met geen woord gerept wordt over de mogelijkheid dat onder ‘vernieling door onvoorziene rampen’ mede kan worden begrepen een ramp/schade veroorzaakt door een ziekte of pandemie. Dit terwijl de negentiende eeuw bij uitstek een periode in de geschiedenis is met vele epidemieën en pandemieën, zoals cholera, typus, pokken en tering. Ook deze ziektes zullen er toentertijd toe hebben geleid dat onroerende zaken minder opbrengsten hebben gegenereerd. 4.40 De rechtspraak op het terrein van ‘vernieling door onvoorziene rampen’ is zeer schaars. Tijdens de behandeling van de onderhavige zaak zijn twee rechterlijke (Nederlandse) uitspraken aan de orde geweest, te weten een uitspraak van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland van 12 april 1949, ECLI:NL:XX1949:21 (hierna: uitspraak GS) en een arrest van de Hoge Raad van 22 juni 1969, ECLI:NL:HR:1969:AY1328 (hierna: arrest Hoge Raad), voorafgegaan door een uitspraak van Hof Arnhem. 4.40.1 In de uitspraak GS ging het om een woonhuis gelegen in de onmiddellijke nabijheid van uitgevoerde heiwerken. Aan het woonhuis was schade ontstaan vanwege het heien en de in geschil zijnde vraag was of de door verzoeker aangevoerde omstandigheden/schade kon worden aangemerkt als vernieling door een onvoorziene ramp als bedoeld in artikel 53 van de Wet van 1870. In de uitspraak GS wordt genoemde vraag ontkennend beantwoord en wordt een beperkte uitleg gegeven aan de reikwijdte van artikel 53 van de Wet van 1870. Gerefereerd wordt aan de voorloper van genoemd artikel 53, artikel 2 van de Wet van 24 april 1843, alwaar ‘onvoorziene rampen’ zijn gedefinieerd als hagelslag, overstroming, windschade, brandschade en dergelijke onheilen. Geoordeeld wordt dat uit de parlementaire behandeling van artikel 53 niet kan worden afgeleid dat de wetgever een ruimere strekking heeft willen geven aan ‘onvoorziene rampen’ dan daaraan voordien werd toegekend, en dat artikel 53 van de Wet van 1870 slechts het oog heeft op natuurrampen. 4.40.2 In het arrest van de Hoge Raad ging het om schade aan boomgaarden veroorzaakt door nachtvorst. In geschil was of nachtvorst kon worden beschouwd als een onvoorziene ramp in de zin van artikel 53 van de Wet van 1870. Hof Arnhem oordeelde dat het begrip ‘onvoorziene ramp’ niet voor elke tijdsgewricht eenzelfde inhoud heeft, maar beoordeeld dient te worden in het licht van de opvattingen, geldend ten tijde dat ’omtrent haar toepasselijkheid moet worden beslist.’ Hof Arnhem oordeelt vervolgens: ‘dat naar ’s Hofs oordeel onder onvoorziene rampen moet worden verstaan van buiten komende schade veroorzakende gebeurtenissen die en onverwacht en onafwendbaar zijn. Dat door de voortgaande ontwikkeling van de meteorologie en van de techniek het aantal soorten van gebeurtenissen, die naar de voorgaande omschrijving als onvoorziene rampen aangemerkt kunnen worden kleiner wordt, terwijl ook het klimaat niet overal en altijd gelijk blijft, zodat een natuurverschijnsel, hetwelk een eeuw geleden of langer als een onvoorziene ramp kan worden beschouwd, in latere jaren een normaal gebeuren kan zijn. Hof Arnhem komt vervolgens tot de conclusie dat nachtvorst in de maand mei in ‘de laatste tientallen jaren’[Het Hof heeft uitspraak gedaan op 8 januari 1960] als een normaal weerverschijnsel moet worden beschouwd en dat daaruit volgt dat geen sprake is van een ‘onvoorziene ramp’. 4.40.3 De Hoge Raad casseert de uitspraak van Hof Arnhem, maar doet dit enkel op de grond: ‘dat hierbij niet slechts behoort te worden gelet op de categorie waartoe de gebeurtenis behoort – in het onderhavige geval: nachtvorst in de maand Mei – doch mede op zich voordoende bijzonderheden, waardoor de gebeurtenis zich van het merendeel der tot de categorie behorende gevallen onderscheidt; dat mitsdien het Hof in het onderhavige geval zijn beslissing enkel heeft dien steunen op het oordeel, dat in de laatste tientallen jaren nachtvorst in de maand Mei als een normaal weersverschijnsel moet worden beschouwd, doch had moeten onderzoeken of de omstandigheden, welke de schade hebben veroorzaakt – zijnde volgens belanghebbende een nachtvorst van 5 oc in Mei zich voordoende na een vroege vruchtzetting – als abnormaal zijn te beschouwen.’ 4.40.4 De hierboven vermelde jurisprudentie is erg specifiek en met name toegespitst op ‘onvoorziene ramp’. Uit zowel de uitspraak van GS en die van Hof Arnhem/Hoge Raad kan worden geconcludeerd dat het begrip ‘onvoorziene ramp’ beperkt moet worden opgevat en beperkt is tot natuurverschijnselen of abnormale weerverschijnselen. Het Gerecht ziet geen reden om daar anders over te denken. 4.41 Het Gerecht komt op basis van een grammaticale en wetshistorische interpretatie en na kennisneming van de beperkt gewezen jurisprudentie tot de conclusie dat ‘vernieling door onvoorziene rampen’ niet mede ziet op economische schade die is veroorzaakt door de coronapandemie. Daarbij gaat het Gerecht er vanuit dat ‘vernieling door onvoorziene rampen’ in de zin van artikel 24, lid 1, letter e, LGB, en in het kielzog daarvan artikel 37 LGB, is gebaseerd op ‘vernieling door een onvoorziene ramp’ zoals vermeld in de Wet van 1870 en haar voorgangers, althans daar ten minste door is geïnspireerd. Er is geen sprake van vernieling, omdat vernieling dient te worden begrepen in termen van fysieke en/of materiële schade, verwoesten, stukmaken. Daarnaast lijkt er ook geen sprake te zijn van een ‘ramp’, omdat ‘ramp’ beperkt moet worden uitgelegd en zich niet mede uitstrekt tot een ramp in economische zin. Slotsom 4.42 Doende wat de Inspecteur zou behoren te doen, zal het Gerecht, gelet op het bovenstaande, de inhoudelijke bezwaren tegen de aanslagen grondbelasting 2019, 2020 en 2021 ongegrond verklaren. (…) 6 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT Kosten bezwaar 6.1 Het gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Kosten beroep 6.2 Het Gerecht ziet aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. De Inspecteur heeft niet tijdig uitspraak op het bezwaar gedaan, waarna belanghebbende daartegen beroep heeft ingesteld. De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten die redelijkerwijs moesten worden gemaakt voor het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (vgl. HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4638). Zie in dit verband artikel 15, lid 1 van de Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB). 6.3 De regels over de (hoogte van
- de)vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken. In artikel 1 van dit Landsbesluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. 6.4 De ingevolge artikel 1 van het Landsbesluit voor vergoeding in aanmerking te nemen kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand kunnen worden berekend op Afl. 700, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting [Zie de bijlage bij het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken, alwaar is bepaald dat de vergoeding per punt Afl. 700 bedraagt]. In plaats van de reguliere wegingsfactor van 1 zal in dit geval een wegingsfactor van 0,5 worden gehanteerd, omdat het een beroep niet tijdig beslissen betreft. Griffierecht 6.5 Artikel 18, lid 4 van de LBB bepaalt dat, indien het Gerecht het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, de uitspraak tevens inhoudt dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt. In dit geval is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar gegrond verklaard en dient de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal Afl. 300 te vergoeden.” 5Gronden 5.1. Belanghebbende heeft in haar nader stuk van 10 januari 2025 onder meer gesteld dat de aanslagen grondbelasting 2019, 2020 en 2021 vernietigd dienen te worden aangezien de Inspecteur (structureel) de wet overtreedt. Belanghebbende heeft voorts ter zitting van het Hof verklaard dat voor de hoger beroepsgronden (alleen) kan worden uitgegaan van dit nader stuk. Belanghebbende brengt voor deze stelling in voornoemd nader stuk onder meer naar voren: “1. Er is geen uitspraak op bezwaar gedaan en er is geen schriftelijk mededeling gedaan van de reden waarom nog geen uitspraak kan worden gedaan (schending artikel 18 leden 1, 3, 4 en 6 ALB). 2. Er is geen hoorgesprek gehouden (schending artikel 18 lid 5 ALB), terwijl de belanghebbende daar wel om verzocht heeft. 3. De inspecteur heeft vertrouwelijke informatie verstrekt aan een derde zonder wettelijke basis en in strijd met de geheimhoudingsverplichting van de inspecteur (schending artikel I.16 lid 2 en lid 3 van de Staatsregeling van Aruba en artikel 8 EVRM). Dit is naast de schending van de wet ook een schending van het fundamentele recht op privacy van belanghebbende. 4. Er heeft een aanslagoplegging door een extern bedrijf plaatsgevonden (schending artikel 5 lid 1 ALB); 5. Er heeft een verhoging van het bedrag van de aanslag grondbelasting plaatsgevonden in het vijfjarige tijdvak (schending artikelen 14, 21, 22 en 24 Lgb); 6. Er zijn geen leggers bijgehouden (althans in de visie van de inspecteur) (schending artikel 22 jo. artikel 24 Lgb).” Belanghebbende stelt daarbij dat deze schendingen structureel van aard zijn. 5.2. Het Hof zal de onder 1 tot en met 4 genoemde onderwerpen eerst behandelen (waarbij de punten 3 en 4 tezamen worden behandeld). Daarna zal het Hof onderzoeken of het Gerecht (en het Hof) bevoegd is ten aanzien van de ontheffingsverzoeken. Hetgeen onder 5 en 6 is opgenomen komt aan de orde bij het kopje ”de tariefskwestie”. Gevolgen uitblijven van de uitspaken op bezwaar en uitblijven schriftelijke mededeling 5.3.1. Bij het Gerecht is aan de orde geweest (zie 4.1-4.4.) dat de Inspecteur, in weerwil van het bepaalde in artikel 18, lid 2, Algemene landsverordening belastingen (ALB), niet binnen één jaar na ontvangst van de bezwaarschriften grondbelasting uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Het Gerecht heeft beslist dat de beroepen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren gegrond dienen te worden verklaard en heeft om die reden een proceskostenveroordeling uitgesproken (6.2 -6.4.). Voorts heeft het Gerecht er om proceseconomische redenen van afgezien om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op de bezwaren en hebben partijen ter zitting van het Gerecht ermee ingestemd dat een inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden. 5.3.2. De consequenties die het Gerecht heeft verbonden aan het uitblijven van tijdige beslissingen op bezwaar (en het derhalve niet nakomen van de in artikel 18, lid 2, ALB opgenomen verplichting) acht het Hof juist. Het Hof ziet, anders dan belanghebbende voorstaat, geen reden om de aanslagen op deze grond te vernietigen. Dat er door de Inspecteur geen schriftelijk mededeling (artikel 18, lid 3 ALB) is gedaan van de reden waarom nog geen uitspraak kan worden gedaan brengt zulks ook niet mee. 5.3.3. Ook ten aanzien van de door belanghebbende gestelde situatie (onder verwijzing naar een uitspraak van het GEA van Aruba van 25 augustus 2015, ECLI:NL:OGEAA:2015:247) bij de Belastingdienst (er zou volgens belanghebbende sprake zijn van het structureel uitblijven van het tijdig doen van uitspraken op bezwaar en het structureel niet doen van een schriftelijke mededeling) acht het Hof het niet geraden om thans over te gaan tot het bieden van soelaas in de vorm van, bijvoorbeeld, vernietiging van de aanslagen, zoals door belanghebbende bepleit. Dit mede in het licht van de omstandigheid dat de Inspecteur ter zitting van het Hof, onbetwist, naar voren heeft gebracht dat inmiddels (vanaf vorig jaar) een speciale taskforce bestaande uit 8 FTE’s in het leven is geroepen om de voorraad bezwaarschriften binnen een redelijke termijn af te handelen (waarbij er naar wordt gestreefd om recht te doen aan de verplichtingen van de ALB) en ook van het sinds vorig jaar geopende belastingportal een efficiëntieslag wordt verwacht. Gevolgen uitblijven van hoorgesprekken 5.4.1. Belanghebbende stelt (voor het eerst in hoger beroep) dat de aanslagen dienen te worden vernietigd omdat de hoorplicht, zoals opgenomen in artikel 18, lid 5, ALB, is geschonden (in de zaken omtrent de aanslagen grondbelasting). Anders dan in de uitspraak van dit Hof van 29 november 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:245) heeft belanghebbende in deze zaak ter zitting van het Hof desgevraagd (herhaald) verklaard niet te verzoeken om terugwijzing naar de Inspecteur (en een inhoudelijke behandeling door het Hof wenst). De Inspecteur bestrijdt dat de aanslagen moeten worden vernietigd en stelt dat zij in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad inzake de grondbelasting was en daarom belanghebbende niet gehoord heeft. 5.4.2. Belanghebbende heeft onweersproken aangevoerd dat zij ondanks haar verzoeken daartoe in de bezwaarfase niet is gehoord. Dit betekent dat de hoorplicht is geschonden. Schending van de hoorplicht brengt met zich mee dat het hoger beroep op dit punt slaagt (en het Hof zal daartoe een proceskostenveroordeling gelasten; zie 6.1). Het Hof ziet, anders dan belanghebbende voorstaat, geen reden om de aanslagen op deze grond te vernietigen. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende te kennen gegeven dat zij geen terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur voorstaat. Het Hof zal (daarbij in het midden latend of terugwijzing in het licht van het bepaalde in artikel 17h, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken wel tot de mogelijkheden behoort) de zaak zelf inhoudelijk behandelen. Het Hof zal hierna beoordelen of de aanslagen in stand moeten blijven. Ten aanzien van het gestelde structurele karakter van het niet horen in de bezwaarfase heeft hetzelfde te gelden als hetgeen is overwogen onder 5.3.3. [bedrijf 1]-IT 5.5.1. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur vertrouwelijke informatie (van belastingplichtigen) verstrekt aan een derde (een Australisch bedrijf: [bedrijf 1]) zonder wettelijke basis en in strijd met de geheimhoudingsverplichting van de Inspecteur (schending artikel I.16 lid 2 en lid 3 van de Staatsregeling van Aruba en artikel 8 EVRM). Dit is naast de schending van de wet ook een schending van het fundamentele recht op privacy van (in casu) belanghebbende. Volgens belanghebbende is de aanslagoplegging door een onbevoegde autoriteit ([bedrijf 1]-IT) geschied en bestond daarvoor geen wettelijke bevoegdheid. Er is ook hier sprake van een structureel karakter van de wetsschending. De aanslagen dienen ook om deze reden vernietigd te worden, aldus belanghebbende. 5.5.2. Volgens de Inspecteur zijn de aanslagen rechtsgeldig opgelegd en is van de door belanghebbende gestelde schendingen geen sprake. Zij verwijst daartoe naar de onder 2.4 opgenomen brief van 14 november 2024 waarin een omschrijving is opgenomen van de wijze waarop de aanslagen grondbelasting jaarlijks worden vastgesteld. Ook heeft zij een “productiekalender” met daarop de jaarlijkse werkzaamheden voor het GB kohier 2024 overgelegd en een Non Disclosure Agreement (zie 2.5). Voorts is zij in haar pleitnota en in haar toelichting ter zitting van het Hof nog nader ingegaan op de werkwijze en de juridische consequenties. 5.5.3. Het Hof heeft over het proces van aanslagoplegging grondbelasting en de rol van ([bedrijf 1]-IT daarin het volgende opgemaakt. Jaarlijks maakt de afdeling Grondbelasting van de Belastingdienst in samenwerking met de afdeling Informatie Management (IM) van het DIMP een tijdschema (vastgelegd in een productiekalender) op met daarin chronologisch de te ondernemen acties (en wie “owner” is van de actie) voor het (jaarlijks) opleggen van aanslagen grondbelasting. De procedure is (ook) in algemene zin beschreven in de brief van 14 november 2024 en daaruit komt naar voren dat bij stap 5 (het opstellen van het massale Grondbelastingkohier: de afdeling Grondbelasting en afdeling IM stellen het kohier- met technische ondersteuning van ([bedrijf 1]-IT -indien nodig-
- op)[bedrijf 1]-IT in beeld komt. [bedrijf 1]-IT wordt beschreven als de configuratiepartner van het door de belastingdienst gebruikte SAP-systeem; [bedrijf 1]-IT is de beheer- en onderhoudspartner zodat de nodige technische ondersteuning geboden kan worden met betrekking tot de productiesystemen van DIMP. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat het om (louter) technische ondersteuning gaat; alle elementen van de aanslag (zoals de waarde van het perceel, de eigenaar, de locatie en de dagtekening) worden door de Belastingdienst bepaald. Uit al die bij de Belastingdienst digitaal aanwezige informatie met betrekking tot alle belastingplichtigen wordt door [bedrijf 1]-IT een run gedraaid (waarbij deze informatie samenkomt). De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof verklaard dat de Belastingdienst zelf voor dit gedeelte van het proces onvoldoende technisch onderlegd is (zij kunnen de aanwezige informatie niet zelf configureren) en ze daarom het ICT bedrijf [bedrijf 1]-IT hebben ingehuurd. De Belastingdienst bepaalt ook dat de implementatie moet plaatsvinden op basis van de regels en criteria waaraan een aanslag en het administratieve systeem moeten voldoen. [bedrijf 1]-IT helpt dus (alleen) met het beheer en onderhoud van de werkzaamheden van de Belastingdienst. Het DIMP is en blijft eigenaar van alle/gegevens van derden die aan haar ter beschikking zijn gesteld ten behoeve van de belastingheffing. Om dit te waarborgen zijn er Non Disclosure Agreements (NDA) tussen DIMP en [bedrijf 1]-IT afgesloten. In deze overeenkomst is onder meer bepaald dat er een geheimhoudingsplicht voor [bedrijf 1]-IT geldt (zie 2.5.: paragraaf 6) en dat bij het verwerken van persoonsgegevens geen inbreuk mag worden gemaakt op de rechten volgens de Landsverordening persoonsregistratie (LBR) (zie 2.5: paragraaf 7). 5.5.4. Het Hof acht de door de Inspecteur gegeven toelichting (ook in het licht van de overige door de Inspecteur verstrekte informatie) van de rol van [bedrijf 1]-IT in het proces van de aanslagoplegging grondbelasting geloofwaardig en aannemelijk. Door de ondersteunende rol in het proces van aanslagoplegging (beheer en onderhoud van de werkzaamheden) van [bedrijf 1]-IT is het de Inspecteur die de regie over het vaststellen en het opleggen van de aanslagen grondbelasting heeft; immers de Inspecteur bepaalt alle elementen van de aanslag en stelt ook de aanslagdatum vast. Belanghebbende wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat het [bedrijf 1]-IT is die de aanslagen oplegt. Ook is er naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden dat onvoldoende waarborgen voor de privacy van derden in acht zijn genomen. Uit de onder 2.5 deels geciteerde NDA (waarbij het Hof geloofwaardig acht dat ook voor de voorliggende jaren een overeenkomst van gelijke strekking is gesloten) volgt dat er een geheimhoudingsplicht voor [bedrijf 1]-IT geldt ten aanzien van de “Personal Data” van de DIMP, en [bedrijf 1]-IT alleen deze persoonlijke gegevens verwerkt in opdracht van DIMP (en niet op andere wijze mag gebruiken) en verder geen controle over deze data heeft. Van de door belanghebbende gestelde schending van artikel 8 EVRM (waarin het recht op respect voor privé- en familieleven, het eigen huis en het briefgeheim is neergelegd) acht het Hof geen sprake. Ook de (gestelde) schending van artikel 1.16 van de Staatsregeling (waarin het recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer is neergelegd) acht het Hof niet aannemelijk geworden. Van een schending van de bepalingen van de Landsverordening persoonsregistratie (belanghebbende noemt de artikelen 1, 9 en 10) acht het Hof gelet op de rol van [bedrijf 1]-IT in het proces van de aanslagoplegging en hetgeen is overeengekomen in de NDA (zie onder meer 2.5; paragraaf 7) ook geen sprake. Voorgaande brengt mee dat aan de ook in dit verband gestelde structurele schending niet wordt toegekomen. 5.5.5. Aldus bestaat er op deze grond geen reden om de aanslagen grondbelasting te vernietigen. Bevoegdheid ten aanzien van ontheffingsverzoeken 5.6. Ook het Hof ziet zich gesteld voor de vraag of er ten aanzien van de verzoeken om ontheffing op grond van artikel 35 en 37 LGB (1.3 en 1.4) een bevoegdheid van het Hof is. Hoewel, indien (sec) wordt uitgegaan van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, deze vraag in principe negatief moet worden beantwoord ziet het Hof, om dezelfde redenen die door het Gerecht van belang zijn geacht (in 4.7 tot en met 4.13 van de uitspraak van het Gerecht), ook reden om zich bevoegd te achten om uitspraak te kunnen doen op de (hoger) beroepen inzake de door de Inspecteur afgewezen ontheffingsverzoeken op grond van de artikelen 35 en 37 LGB. Daarbij merkt het Hof op dat ter zitting van het Hof partijen desgevraagd de uitdrukkelijke wens naar voren hebben gebracht dat de belastingrechter (en dus niet een andere rechter) zich over deze kwestie buigt. Voorts merkt het Hof op dat op 29 oktober 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:233) door de civiele kamer van dit Hof (in een Curaçaose zaak) prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld waarbij ook aan de orde is of, bij ontbreken van een rechtsgang naar de belastingrechter, in alle gevallen de gang naar de LAR-rechter moet worden gemaakt. Omdat de daar aan de orde zijnde Curaçaose zaak (te veel) verschilt van de onderhavige ziet het Hof geen aanleiding de zaak aan te houden (dit is ook niet verzocht door partijen). Tariefkwestie 5.7.1. Belanghebbende heeft omtrent de tariefkwestie in haar schrijven van 10 januari 2025 onder meer het volgende naar voren gebracht: “In geschil is of de per 1 januari 2019 ingevoerde tariefsverhoging van 0,4% naar 0,6% en de gelijktijdige afschaffing van de belastingvrije som van de grondbelasting gevolgen heeft voor de aanslagengrondbelasting 2020 en 2021 van belanghebbende. 1. In geschil is of er sprake is van leggers. 2. In geschil is of er tweede aanslagen grondbelasting 2020 en 2021 zijn opgelegd. 3. Indien er sprake is van eerste aanslagen grondbelasting 2020 en 2021, is in geschil of het bedrag van de aanslag mag worden gewijzigd binnen het vijfjarige tijdvak 2017-2021. 4. Indien er geen sprake is van leggers, is in geschil of de inspecteur handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het zorgvuldigheidsbeginsel, legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. 5. Indien er geen sprake is van leggers, is in geschil of de aanslag grondbelasting 2017, dient te worden beschouwd als dé vastgestelde aanslag voor de belastingjaren 2020 en 2021. 6. In geschil is of de tussentijdse verhoging van het grondbelasting tarief en de afschaffing van de belastingvrije som binnen het vijfjarige tijdvak een inbreuk vormt op artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en of dit in strijd is met artikel I.19 van de Staatsregeling van Aruba. Dit mede gelet op de vele (structurele) wetsovertredingen van de Inspecteur.” Ook heeft belanghebbende (zie 5.1) naar voren gebracht dat er sprake is van een (structurele) wetsschending omdat er een verhoging van het bedrag van de aanslag grondbelasting heeft plaatsgevonden in het vijfjarige tijdvak en er geen leggers zijn bijgehouden (althans in de visie van de Inspecteur). 5.7.2. De Inspecteur weerspreekt dat bij aanvang van het vijfjarige tijdvak 2017-2021 de aanslagen over de jaren 2018, 2019, 2020 en 2021 al waren vastgesteld en in de fysieke leggers waren opgenomen. In een computerapplicatie worden, aldus de Inspecteur, door de Belastingdienst de relevante gegevens voor de vaststelling van de aanslag grondbelasting bijgehouden. De Inspecteur stelt jaarlijks de aanslag grondbelasting vast waarbij de dagtekening bij aanvang van elk belastingjaar wordt bepaald door de Directeur van de Belastingdienst in samenspraak met de chef van de afdeling grondbelasting. Ten bewijze hiervan verwijst de Inspecteur naar een bijlage bij het verweerschrift. Dit betreft een overzicht van het “systeem” waaruit de datum van de facturatie van de aanslagen grondbelasting voor onder andere de belastingjaren 2017 t/m 2021 blijkt. Er kan niet worden geconcludeerd dat bij aanvang van het vijfjarig tijdvak 2017-2021 de aanslagen voor die belastingjaren reeds waren vastgesteld en om die reden is er ook geen sprake van tweede aanslagen. De Inspecteur stelt verder dat het vaststellen van de aanslagen grondbelasting 2019, 2020 en 2021 dient ter formalisering van de materiële belastingschuld die uit de LGB voortvloeit. Het tweeledig karakter van de aanslag, namelijk declaratoir en constitutief, brengt naar de mening van de Inspecteur met zich dat hij de aanslagen jaarlijks dient op te leggen. De beperkte mogelijkheid om bezwaar te maken (zie artikel 28 LGB) heeft naar de mening van de Inspecteur te maken met het feit dat de belastbare waarde van de onroerende zaak voor de duur van het vijfjarige tijdvak is vastgesteld. Slechts in het eerste jaar van het vijfjarig tijdvak of in de gevallen voorzien in artikel 24, lid 1, LGB kan de Inspecteur de belastbare waarde vaststellen, aldus de Inspecteur. Voorts is geen sprake van de gestelde inbreuk op artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens noch van strijd met artikel I.19 van de Staatsregeling van Aruba. Van de gestelde (structurele) wetsschendingen is eveneens geen sprake, aldus nogmaals de Inspecteur. 5.7.3. Hetgeen het Gerecht heeft overwogen in 4.14-4.20 (omtrent belanghebbendes stelling dat er wel degelijk sprake is van leggers en daarmee van een tweede aanslag alsmede omtrent de beperkte bewegingsvrijheid van de rechter in zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld) acht het Hof juist en neemt het Hof over. Daarbij merkt het Hof op dat ook het Hof geen reden heeft te twijfelen aan de door de Inspecteur gegeven beschrijving van de wijze waarop de aanslagen grondbelasting worden opgelegd. Het Gerecht heeft juist geoordeeld dat jaarlijks de aanslag wordt vastgesteld en jaarlijks een dagtekening wordt vastgesteld. De onderhavige aanslagen zijn dan ook geen tweede aanslagen. Het is daarbij in wezen niet relevant of er al dan niet leggers zijn: er is nog geen sprake van een aanslag als het biljet niet is voorzien van een dagtekening. Met de door de Inspecteur ook in hoger beroep gegeven toelichting op de werkwijze acht het Hof geloofwaardig dat deze aanslag jaarlijks wordt vastgesteld. Voorts staat het de wetgever vrij om bij Landsverordening, zijnde een wet in formele zin, het geldende tarief in de loop van een vijfjarig tijdvak te wijzigen. (vgl. Hoge Raad 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:488). De aanslag grondbelasting 2017 dient, anders dan belanghebbende betoogt, niet te worden beschouwd als dé vastgestelde aanslag voor de belastingjaren 2020 en 2021. 5.7.4. Ook hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd omtrent de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur slaagt niet. Hetgeen het Gerecht daartoe heeft overwogen in rechtsoverwegingen 4.23-4.24 acht het Hof juist en neemt het Hof over. Hetzelfde heeft te gelden voor hetgeen het Gerecht heeft overwogen in rechtsoverweging 4.25. Voorts is er geen sprake van de door belanghebbende gestelde inbreuk op artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens noch van strijd met het bepaalde in artikel I.19 van de Staatsregeling van Aruba. Alhoewel het er op lijkt dat de werkwijze voor de aanslagoplegging grondbelasting (alsook de werkwijze zoals deze voor de aanvang van het tijdvak 2017-2021 gold) niet (geheel) overeenkomt met de wijze waarop artikel 22 LGB is geredigeerd, brengt dit niet mee dat de aanslagen om die grond vernietigd dienen te worden. Het Hof acht geen sprake van een (dusdanige) structurele (wets)schending waaraan juridische gevolgen verbonden dienen te worden. Artikel 35 LGB