Burgerlijke zaken over 2025 Registratienummer: CUR202004135 – CUR2023H00180 Uitspraak: 18 februari 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS In de zaak van: [appellant], wonende in [woonplaats], oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiser in reconventie, thans appellant, gemachtigde: mr. A.C. Herrera, tegen de naamloze vennootschap ORCO BANK N.V., gevestigd in Curaçao, oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. B.M. Nagelmakers. De partijen worden hierna [appellant] respectievelijk de Bank genoemd. De zaak in het kort Appellant is een ex-werknemer van de Bank. Hij is op staande voet ontslagen wegens verduistering van gelden. De Bank heeft met haar gedupeerde klanten een minnelijke schikking bereikt welke is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst. De schade is daarbij vastgesteld op NAf 410.000,-. De Bank vordert in deze procedure betaling van dat bedrag van de ex-werknemer. Het Gerecht heeft een deskundigenbericht gelast. De ex-werknemer heeft het door het Gerecht bepaalde voorschot niet betaald. Het Gerecht heeft vervolgens de vordering toegewezen. In hoger beroep vraagt de ex-werknemer opnieuw om een deskundigenbericht. Het Hof wijst dat toe. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij akte van appel, ingekomen ter griffie op 25 mei 2023 is [appellant] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 17 april 2023 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, hierna: het Gerecht. 1.2 Bij memorie van grieven met producties, ingekomen ter griffie op 6 juli 2023, heeft [appellant] toestemming verzocht om kosteloos te procederen, twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende een deskundigenbericht zal gelasten, met veroordeling van de Bank in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep. 1.3 De Bank heeft op 11 september 2023 een memorie van antwoord ingediend waarbij zij de grieven heeft bestreden en heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, de nakosten inbegrepen, vermeerderd met wettelijke rente als [appellant] niet binnen zeven dagen het vonnis nakomt. 1.4 Op 23 april 2024 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. 1.5 Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. 2.2 [ appellant] is van 1 juli 2015 tot 16 juni 2020 in dienst geweest bij de Bank in de functie van teller. Hij werkte aan de kassa en had onder meer als taak om door rekeninghouders van de Bank gestorte gelden te tellen en administratief te verwerken, er in resulterend dat deze gelden op hun rekening werden gestort. 2.3 [ appellant] heeft tijdens zijn werkzaamheden als teller niet alle door twee rekeninghouders (Wet & Wild Beach Club N.V en BBC Curaçao N.V.) afgegeven bedragen op de juiste manier verwerkt, waardoor er een verschil is ontstaan tussen het door de rekeninghouders afgegeven geld aan de teller en het daadwerkelijk op hun rekening gestorte bedrag, 2.4 Op 15 juni 2020 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [hoofd bedrijfsvoering] (hoofd bedrijfsvoering) en [hoofd compliance] (hoofd compliance) van de Bank en [appellant]. [appellant] heeft bij die gelegenheid erkend dat hij gelden van een bepaalde klant heeft verduisterd. 2.5 [ appellant] is vanwege het verduisteren van gelden op 16 juni 2020 op staande voet ontslagen. Het ontslag is bij brief van 17 juni 2020 schriftelijk bevestigd. [appellant] heeft in het ontslag berust. 2.6 In een interne rapportage van 17 juni 2020 opgesteld door de veiligheidsmanager (hierna: het interne rapport) is geconcludeerd dat in de periode van 27 mei 2020 tot 15 juni 2020 een totaalbedrag van NAf 9.825,- door [appellant] is verduisterd. Deze bevindingen zijn gebaseerd op camerabeelden van 27 mei 2020, 1, 3 en 15 juni 2020, het aantal gestorte geldpakketjes door de klant op die dagen en de daarmee gemoeide bedragen, de door [appellant] getelde bedragen en de naar aanleiding daarvan op de rekening van de klant bijgeboekte bedragen. 2.7 De Bank heeft, na daartoe verkregen verlof, op 24 juni 2020 ten laste van [appellant], conservatoir derdenbeslag gelegd onder Maduro & Curiel’s bank, Royal bank of Canada, Banco di Caribe, Ambtenaren Credit Union, Vidanova Bank, First Caribbean International Bank, Postspaarbank en Girobank. Op 30 juni 2020 heeft de Bank beslag gelegd op de zich in de woning van [appellant] aan de [adres] bevindende inboedel, een [auto 1] en een [auto 2]. De personenauto’s zijn in gerechtelijke bewaring genomen. 2.8 Op 29 juli 2020 heeft de Bank aangifte gedaan van verduistering door [appellant]. 2.9 Na het ontslag van [appellant] is er nader onderzoek gedaan door InFocus Accountants & Adviseurs. Dit onderzoek is gericht op de periode oktober 2015 tot en met december 2017 voor Wet & Wild Beach Club N.V. (hierna: W&W) en op de periode januari 2018 tot en met juni 2020 voor BBC Curaçao N.V. (hierna: BBC). Hierbij is gebruik gemaakt van de kasstaten, de bankafschriften, de Quickbooks administraties, print-outs van grootboeken en jaarrekeningen en mondelinge toelichtingen. Dit onderzoek heeft geleid tot een rapport van feitelijke bevindingen van 28 augustus 2020 (hierna: het rapport),waarin is opgenomen dat een totaal van NAf 560.670,- aan verschil is geconstateerd tussen hetgeen is gestort en hetgeen op de bankrekeningen van die twee rekeninghouders is bijgeschreven. Deze verschillen zijn als volgt nader gespecificeerd. W&W NAf BBC NAf Oktober-december 2015 22.369 2018 123.387 2016 157.975 2019 110.643 2017 123.505 Januari- juni 2020 22.791 2.10 Naar aanleiding van het rapport zijn de Bank en voormelde twee rekeninghouders in onderling overleg tot een minnelijke schikking gekomen welke is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst). In de vaststellingsovereenkomst is de schade vastgesteld op NAf 410.000,-, met inbegrip van de kosten voor het vaststellen van de schade van NAf 13.880,
- 2.11 Op 6 mei 2021 heeft de Bank, op verzoek van [appellant], de gerechtelijke bewaring van de inbeslaggenomen [auto 1] beëindigd. 3De beoordeling Vorderingen in conventie en in reconventie 3.1 In deze rechtszaak heeft de Bank in eerste aanleg in conventie na wijziging van eis gevorderd, verkort weergegeven, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [appellant] te veroordelen tot schadevergoeding van NAf 410.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2020 en [appellant] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, nakosten en wettelijke rente. 3.2 [ appellant] heeft in reconventie gevorderd -verkort weergegeven-: primair: de Bank te veroordelen tot onderbouwing van de gestelde schade, althans binnen een door het Gerecht te bepalen termijn een schadestaatprocedure aanhangig te maken; te bepalen dat de sequestratie van de [auto 1] wordt opgeheven; een en ander op straffe van een dwangsom en subsidiair: de Bank voorlopige voorzieningen op te leggen, op straffe van een dwangsom. Overwegingen en beslissingen van het Gerecht 3.3 Het Gerecht heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard tussenvonnis van 21 maart 2022 [appellant] veroordeeld tot betaling aan de Bank van NAf 30.000,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 juni 2020 en de zaak verwezen naar de rol wat betreft het resterende geschil, voor het nemen van een akte door partijen. Het Gerecht heeft de vorderingen van [appellant] in reconventie afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. Bij het tussenvonnis van 17 oktober 2022 heeft het Gerecht een deskundige benoemd en bepaald dat [appellant] het door het Gerecht vastgestelde voorschot van NAf 7.500,- binnen vier weken na datum uitspraak aan de deskundige dient te betalen. Bij het eindvonnis van 17 april 2023 heeft het Gerecht overwogen dat nu [appellant] het voorschot niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft betaald, het Gerecht daaraan met inachtneming van artikel 174 lid 3 Rv het gevolg verbindt dat wordt uitgegaan van de door de Bank gestelde en daadwerkelijk geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [appellant]. Het Gerecht heeft [appellant] vervolgens veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van NAf 380.000,- en hem veroordeeld in de proceskosten. Beoordeling in hoger beroep 3.4 Het hoger beroep van [appellant] richt zich tegen de toewijzing van de vordering van de Bank in conventie. Tegen de afwijzing van zijn vorderingen in reconventie zoals hiervoor weergegeven onder 3.2 heeft [appellant] geen grieven aangevoerd. Die vorderingen zijn dus in hoger beroep niet aan de orde. 3.5 [ appellant] heeft in zijn pleitnota in hoger beroep verzocht om zijn standpunt nader te mogen toelichten in een mondeling pleidooi. Op grond van artikel 97 van het Procesreglement 2023 is het uitgangspunt dat partijen een pleitnota overleggen en dat daarna een datum voor vonnis wordt bepaald. Artikel 99 van het procesreglement bepaalt dat indien een partij mondeling wil pleiten zij haar voornemen daartoe uiterlijk kenbaar moet maken op de rolzitting waarop de zaak voor pleidooi P1 staat. De zaak stond op de rolzitting van 19 maart 2024 voor pleidooi P
- Het verzoek van [appellant] dateert van 23 april 2024 en is daarmee dus te laat. Het Hof zal aan dat verzoek dan ook voorbijgaan. 3.6 Het Gerecht heeft in het tussenvonnis van 21 maart 2022 onder meer als volgt overwogen: “4.9 Doordat de bank gelet op de vaststellingsovereenkomst gehouden is om NAf 410.000 aan schadevergoeding te betalen, staat daarmee in beginsel vast dat dit de schade is die de bank heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen door [appellant]. Dat er een direct verband bestaat tussen het aan Wet&Wild en BBC betaalde bedrag en de verduistering door [appellant] is immers niet betwist. De bank heeft in beginsel ook in redelijkheid kunnen komen tot een dergelijke vaststellingsovereenkomst, doordat zij hiermee heeft voorkomen dat een gerechtelijke procedure gevoerd diende te worden en er daarnaast een lager bedrag is betaald dan de (gestelde) geleden schade. [appellant] is echter niet betrokken bij de totstandkoming van het rapport waarop de vaststellingsovereenkomst is gebaseerd en voert in deze procedure verweer tegen de veronderstelde aanvangsdatum van de verduistering. 4.10 In het externe rapport is als uitgangspunt genomen dat de verduistering van gelden is begonnen in oktober
- Overigens gaat het rapport uit van oktober 2015 als aanvangsdatum omdat de veronderstelling is dat [appellant] een halfjaar na indiensttreding is begonnen met het verduisteren van gelden, terwijl [appellant] in juli 2015 in dienst is gekomen. Uitgaande van de eigen veronderstellingen van de bank zou dat dus betekenen dat [appellant] in januari 2016 zou zijn begonnen met het verduisteren van gelden. Ter zitting is naar voren gebracht dat voor deze periode is gekozen omdat [appellant] na ongeveer een half jaar de procedures en gewoontes goed kende en voor hem waarschijnlijk duidelijk was geworden dat het management van Wet&Wild en BBC de verschillen in kasstaten en bankstortingen niet opmerkte. Uit het rapport kan echter niet worden opgemaakt of, en zo ja in welke mate, voorafgaand aan de indiensttreding van [appellant] ook al sprake was van (grote) verschillen tussen de kasstaten en de bankstortingen. Voor het aanvangsmoment en (vervolgens) voor de begroting van de schade en de beoordeling van de redelijkheid van het door de [Bank, aanvulling Hof] gevorderde bedrag (op basis van de vaststellingsovereenkomst) is die informatie wel van belang. 4.11 Gelet op het voorgaande ziet het gerecht aanleiding om een deskundigenbericht te gelasten in die zin, dat het externe rapport wordt aangevuld. (…) Het ligt in de rede om daarvoor InFocus in te schakelen, aangezien het eerdere onderzoek door hen is uitgevoerd.” 3.7 Tegen deze overwegingen, die ten grondslag liggen aan de beslissing van het Gerecht om een deskundige te benoemen, hebben partijen geen bezwaren aangevoerd. Het Hof heeft ambtshalve geen bedenkingen tegen deze overwegingen en neemt ze over. De Bank heeft aangevoerd dat [appellant] zich niet heeft verweerd tegen de veroordeling om schade te betalen dus dat een nieuw deskundigenbericht weinig zin heeft. Het Hof gaat hieraan voorbij. Het deskundigenbericht heeft onder meer betrekking op het door [appellant] gevoerde verweer tegen de veronderstelde aanvangsdatum van de verduistering. In zoverre heeft [appellant] dus wel belang bij het deskundigenbericht. Anders dan de Bank verder stelt en zoals ook het Gerecht heeft overwogen, ligt de bewijslast over de periode van de verduistering bij de Bank. 3.8 Het Hof is voornemens een deskundige te benoemen en aan deze de vragen voor te leggen die ook door het Gerecht zijn gesteld. 3.9 [ appellant] dient het voorschot voor de te benoemen deskundige te betalen. Hij heeft immers erkend gelden te hebben verduisterd en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens de Bank. [appellant] heeft aangegeven dat zijn familie bereid is hem daarbij te helpen. [appellant] is daarbij uitgegaan van het in eerste aanleg vastgestelde voorschot van NAf 7.500,-. Partijen dienen er rekening mee te houden dat het voorschot gelet op het tijdsverloop thans hoger kan uitvallen. 3.10 Het Hof verwijst de zaak naar de rol zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. [appellant] wordt verzocht aan te geven of hij nog steeds bereid en in staat is om het voorschot te betalen. 3.11 Partijen dienen hun aktes op voorhand naar elkaar toe te sturen zodat zij op elkaars akte kunnen reageren. 3.12 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4B E S L I S S I N G Het Hof: verwijst de zaak naar de rol van 25 maart 2025 voor akte uitlating zijdens partijen als bedoeld onder 3.10; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curacao uitgesproken op 18 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier. Prod 5 inl. vz