Burgerlijke zaken over 2025 Zaaknummers: SXM202101268 – SXM2023H00163 Uitspraak: 8 juli 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: [OPDRACHTGEVERS 1 EN 2], wonende in Sint Maarten, in eerste aanleg eisers, thans appellanten, gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon, tegen [AANNEMER], gevestigd in Sint Maarten, in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. N.R. Joubert. Partijen worden hierna [opdrachtgever] (appellanten gezamenlijk) en [aannemer] genoemd. 1De zaak in het kort Dit geding gaat over schade als gevolg van het (gestelde) niet goed nakomen van een overeenkomst van aanneming van werk met betrekking tot een woonhuis. De eerste rechter heeft een deel van de door [opdrachtgever] gevorderde schadevergoeding toegewezen, maar een groter deel afgewezen. Tegen die afwijzing is [opdrachtgever] in hoger beroep gekomen. Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht. Hierna wordt uitgelegd hoe het Hof tot dat oordeel is gekomen. 2Het verloop van de procedure 2.1 Bij op 14 november 2023 ingekomen akte van appel is [opdrachtgever] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 3 oktober 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht). 2.2 Bij op 27 december 2023 ingekomen memorie van grieven heeft [opdrachtgever] acht grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [opdrachtgever] zal toewijzen als gespecificeerd in de memorie van grieven, met veroordeling van [aannemer] in de proceskosten in beide instanties, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente. 2.3 Bij op 16 februari 2024 ingekomen memorie van antwoord heeft [aannemer] de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [opdrachtgever] zal afwijzen, met veroordeling van [opdrachtgever] in de proceskosten van beide instanties. 2.4 Op de daarvoor bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. [aannemer] heeft daarbij een, vooraf aan [opdrachtgever] toegezonden, productie overgelegd. 2.5 Vonnis is nader bepaald op vandaag. 3De beoordeling Feiten 3.1 Het Hof gaat uit van het volgende. 3.2 Partijen hebben een op 15 maart 2019 gedateerde aannemingsovereenkomst gesloten. Op basis daarvan heeft [aannemer] een woonhuis gebouwd voor [opdrachtgever]. De overeengekomen bouwsom was USD 277.062,-. Inclusief meerwerk heeft [opdrachtgever] uiteindelijk USD 299.615,- betaald. De bouw is gestart op 1 april 2019. Op 17 februari 2020 heeft [opdrachtgever] de laatste termijn van USD 17.575,- betaald. De vorderingen 3.3 Bij verzoekschrift van 12 oktober 2021 is [opdrachtgever] dit geding begonnen. Hij vorderde daarin, verkort weergegeven, uitvoerbaar bij voorraad: – te verklaren voor recht dat [aannemer] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, dat [aannemer] blijvend niet kan nakomen en daarom aansprakelijk is voor de door [opdrachtgever] geleden schade; - te verklaren voor recht dat [aannemer] jegens [opdrachtgever] schadeplichtig is; - [ aannemer], primair, te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van USD 68.008,16, vermeerderd met wettelijke rente, althans, subsidiair, een schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; - [ aannemer] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van USD 2.500,-; - [ aannemer] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. Beslissingen van het Gerecht 3.4 Na een comparitie, een gerechtelijke plaatsopneming en een op 18 april 2023 gewezen tussenvonnis (waarin beide partijen, elk op een bepaald punt, tot bewijslevering waren toegelaten) heeft het Gerecht bij het bestreden eindvonnis [aannemer], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van USD 10.529,36, vermeerderd met de wettelijke rente en een bedrag van USD 1.500,- aan buitengerechtelijke incassokosten. [opdrachtgever] is als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. 3.5 Aan deze beslissingen heeft het Gerecht, verkort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. De oplevering vond, zonder voorbehoud, plaats op 17 februari 2020. Voor de gebreken die [opdrachtgever] toen redelijkerwijs had moeten ontdekken is [aannemer] daardoor ontslagen van aansprakelijkheid. Voor het merendeel van de gestelde gebreken is dat het geval. Voor een beperkt deel niet. Dat deel kan gewaardeerd worden op USD 10.529,36. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar. Beoordeling door het Hof 3.6 De acht grieven van [opdrachtgever] zullen worden behandeld aan de hand van de volgende, daarin opgenomen, thema’s: - de oplevering (grief 1); - de redelijkerwijs door [opdrachtgever] te ontdekken gebreken (grief 2); - de extra draagmuren (grief 3); - de reling langs het terras en de leuning langs de buitentrap (grief 4); - de riolering (grief 5); - de boetes (grief 6); - de immateriële schadevergoeding (grief 7, deels); - de afwijzing van de vorderingen en de proceskosten (grieven 7, deels, en 8). Eerst wordt echter nog een opmerking gemaakt over wat [aannemer] in hoger beroep vordert. De conclusie van [aannemer] in hoger beroep 3.7 [ aannemer] heeft in haar memorie van antwoord geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 3 oktober 2023 en tot het (alsnog) afwijzen van de vorderingen van [opdrachtgever]. 3.8 Van een kenbaar incidenteel hoger beroep is in de memorie van antwoord geen sprake: in de kop van de memorie staat dat niet en in het lichaam ervan worden geen bezwaren geformuleerd tegen de gedeeltelijke toewijzing door het Gerecht van de vordering van [opdrachtgever]. Voor zover in de enkele, zojuist weergegeven, conclusie aan het slot van de memorie van antwoord al een, verborgen, incidenteel hoger beroep zou moeten worden gelezen geldt dat dit niet is onderbouwd en om die reden niet kan slagen. De oplevering (grief 1) 3.9 [ opdrachtgever] stelt in hoger beroep dat van een oplevering op 17 februari 2020 en van een aanvaarding van de woning op die datum niet kan worden gesproken omdat geen opleverlijst is gemaakt. De termijn van aanvaarding van de woning is daardoor ook niet gaan lopen. 3.10 In het inleidend verzoekschrift (sub 34) heeft [opdrachtgever] het standpunt ingenomen en aan de vordering ten grondslag gelegd dat de woning op 17 februari 2020 is opgeleverd en aanvaard, zij het ‘onder voorbehoud van alle rechten’. Daaraan is toegevoegd: “Toen het eisers bekend was dat er gebreken waren hebben ze [aannemer] de gelegenheid gegeven om ze te herstellen”. 3.11 Het enkele feit dat geen opleveringslijst (“punch list”) is gemaakt (indien feitelijk juist) is niet van belang. Het maken van een dergelijke lijst is geen vereiste voor een geldige oplevering en aanvaarding. Het gaat er slechts om of partijen de bijeenkomst van 17 februari 2020 als een oplevering beschouwden en redelijkerwijs mochten beschouwen en redelijkerwijs mochten aannemen dat de wederpartij dat ook deed. Gesteld noch gebleken is verder dat de aard van het werk of de omstandigheden maakten dat een dergelijke lijst niettemin noodzakelijk geoordeeld moet worden. Daarbij komt dat uit de stellingname van [opdrachtgever] en de door hem gepresenteerde feiten veeleer volgt dat er op 17 februari 2020 geen gebreken geconstateerd zijn. Daarmee is [opdrachtgever] kennelijk pas later bekend geraakt, hetgeen leidde tot een appbericht van hem aan [aannemer] van 1 juni 2020 (productie 5 bij conclusie van antwoord). Nadien kwam daarbij het rapport van [architecten]-architecten van 8 november 2020 (productie 6 bij inleidend verzoekschrift), waarna [aannemer] aansprakelijk is gesteld. 3.12 Voor zover [opdrachtgever] heeft bedoeld te stellen dat het werk door hem “onder voorbehoud”, zoals bedoeld in art. 7:758 lid 1 BW, is aanvaard geldt dat hij niet heeft gesteld dat en welke gebreken toen, op 17 februari 2020, door hem als gebrek in het werk zijn aangewezen. Stelplicht en bewijslast rusten echter in zoverre wel op hem. Een aanvaarding “onder voorbehoud” zonder aanwijzing van (mogelijke) gebreken heeft dezelfde rechtsgevolgen als een aanvaarding zonder voorbehoud. 3.13 Met het Gerecht gaat daarom ook het Hof uit van oplevering en aanvaarding van de woning op 17 februari 2020. Grief 1 slaagt niet. De redelijkerwijs door [opdrachtgever] te ontdekken gebreken (grief 2) 3.14 De oplevering en aanvaarding van de woning op 17 februari 2020 brengen mee dat [aannemer] ontslagen was van de aansprakelijkheid voor gebreken die [opdrachtgever] op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (art. 7:758 lid 3 BW). 3.15 In het vonnis van 18 april 2023 heeft het Gerecht als redelijkerwijs door [opdrachtgever] te ontdekken gebreken genoemd: - niet geëgaliseerde c.q. gepleisterde garagevloer; - te steile oprit; - ruw en oneffen pleisterwerk in- en exterieur; - niet uitgevoerde vloerwerkzaamheden; - niet voltooide elektriciteitsinstallatie; - niet afwerken tuin (deels). Dat deel van de vordering van [opdrachtgever] dat op deze gebreken betrekking had, is bij eindvonnis afgewezen. 3.16 Bij dit oordeel heeft het Gerecht, zo voert [opdrachtgever] in zijn tweede grief aan, onvoldoende rekening gehouden met de feiten en omstandigheden van het geval, waaronder dat [opdrachtgever] aangewezen was op de expertise van [aannemer], dat hij [aannemer] vertrouwde en door [aannemer] is geleid en misleid. Enige toelichting op dit standpunt ontbreekt in de memorie van grieven. In het schriftelijk pleidooi van [opdrachtgever] in hoger beroep worden de door het Gerecht in dit verband beoordeelde punten nog wel genoemd, maar ook daar wordt niet gemotiveerd waarom [opdrachtgever] de gebreken in kwestie redelijkerwijs niet had moeten ontdekken ten tijde van de oplevering. Bij de beoordeling van de vraag of [opdrachtgever] de gebreken “redelijkerwijs had moeten ontdekken” wordt ten gunste van hem meegewogen dat hij een consument is tegenover een professionele, deskundige aannemer, zodat van minder in het oog springende gebreken sneller aanvaard kan worden dat hij ze niet redelijkerwijs had moeten ontdekken. Maar ook bij die maatstaf geldt dat [opdrachtgever] zijn betwisting dat hij bepaalde gebreken redelijkerwijs had moeten ontdekken, onvoldoende heeft gemotiveerd. Om die reden is er geen reden anders te oordelen op dit onderdeel dan het Gerecht heeft gedaan. Grief 2 slaagt niet. De extra draagmuren (grief 3) 3.17 Het Gerecht heeft (in rov. 4.4. van het tussenvonnis) geoordeeld dat [aannemer] niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de extra draagmuren. De woning is namelijk op verzoek van [opdrachtgever] horizontaal een aantal graden gedraaid. Drie extra draagmuren zijn als meerwerk opgedragen aan [aannemer]. Die moesten dus betaald worden. Dat de vierde, door een andere aannemer geplaatste draagmuur, noodzakelijk was als gevolg van een aan [aannemer] toe te rekenen gebrek is niet onderbouwd. De vordering is op dit onderdeel daarom bij eindvonnis afgewezen. 3.18 In zijn derde grief stelt [opdrachtgever] dat de extra draagmuren noodzakelijk waren om de fouten van [aannemer] in het bouwproces te corrigeren en daardoor de structuur en bruikbaarheid van het huis te kunnen behouden. In de toelichting op de grief stelt hij dat duidelijk is “dat de gemaakte fouten in de uitvoering van het werk door geïntimeerde de reden zijn waarom er zoveel correctie werk uitgevoerd moest worden. In deze is het werk van geïntimeerde ook de grondslag geweest voor de problemen die er kwamen met de VvE, en de vereisten waaraan op grond van die missalgen aan voldaan moest worden”. 3.19 Uit de bij het Gerecht door [opdrachtgever] geproduceerde stukken (vooral conclusie van repliek sub 21) en wat [opdrachtgever] bij pleidooi in hoger beroep heeft aangevoerd (onder 12 sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.