Burgerlijke zaken over 2025 Zaaknummers: CUR202204198 – CUR2023H00267 Uitspraak: 2 december 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: de stichting STICHTING JOHANNES BOSCO, gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, gemachtigden: mrs. M.F. Murray en S.J.C. Anthonio, tegen [HUURDER 1], wonende in België, in eerste aanleg eiser in conventie, gedaagde in reconventie, thans geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. B.M. Nagelmakers. Partijen worden hierna de stichting of verhuurder en [huurder 1] of huurder genoemd. 1De zaak in het kort 1.1 Deze rechtszaak betreft een huurovereenkomst van een perceel te Brakkeput Ariba, Curaçao. Beide partijen hebben verschillende vorderingen ingesteld. Onder meer de hoogte van de huur sinds 2002, althans 2012 is in geschil. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de verhuurder geen aanspraak kan maken op een huurverhoging vanaf 2002, maar het heeft wel een verhoogde huurprijs vanaf 2012 vastgesteld. De verhuurder vordert niet alleen een hoger bedrag aan achterstallige huur, maar ook onder meer ontbinding van de huurovereenkomst. De eis van de verhuurder is in hoger beroep gewijzigd. 1.2 Op 8 juli 2025 heeft het Hof een tussenvonnis uitgesproken (ECLI:NL:OGHACMB:2025:182). Thans wordt een tweede tussenvonnis uitgesproken. Daarbij wordt een deskundigenbericht gelast over de huurprijs. 2Het verder verloop van de procedure 2.1 In het tussenvonnis van 8 juli 2025 zijn een descente en, aansluitend, een mondelinge behandeling bepaald. Beide hebben, blijkens daarvan opgemaakt proces-verbaal, plaatsgevonden op 4 november 2025. Daarbij zijn door beide partijen pleitnotities overgelegd. [huurder 1] heeft nog een productie in het geding gebracht. 2.2 Voorafgaand aan de descente en de mondelinge behandeling is op 27 oktober 2025 een akte over de omvang van de problematiek van de stichting ontvangen. Verder zijn op 30 oktober 2025 twee brieven van de stichting ontvangen. Daarbij zijn de producties 22 tot en met 24 toegezonden. 2.3 Vonnis is bepaald op vandaag. 3De verdere beoordeling Waterkavel 3.1 In het tussenvonnis van 8 juli 2025 is het volgende overwogen: 3.15 Het perceel van [huurder 1] loopt over een smal pad tot aan het water en grenst over één strekkende meter aan het Spaanse Water. Beoordeeld dient te worden of het perceel onder die omstandigheden geldt als “aan zee grenzend kavel” als bedoeld in de brief (waterkavel). Voor het antwoord op deze vraag is niet alleen de geringe lengte van de grens tussen het perceel en het water als zodanig van belang, maar ook in hoeverre de gebruiker van het perceel toegang tot het water heeft om vanuit het eigen perceel bijvoorbeeld diverse vormen van watersport te kunnen uitoefenen. Van belang kan bijvoorbeeld zijn hoe gemakkelijk de doorgang over het pad is, met of zonder watersportattributen, en of er gebruik kan worden gemaakt van een pier of steiger. Dit alles, en mogelijk andere omstandigheden die ter plaatse blijken, lijken van belang voor de waarde van het perceel en daarmee voor de hoogte van de huurprijs. Hiervan wenst het Hof zich een beeld te vormen bij de descente. 3.2 Bij de descente is gebleken dat vanuit de woning via een pad omlaag naar het Spaanse Water toegang verkregen wordt tot een smalle strook grond aan het water. Aan die strook grond is, loodrecht op de oever, een steiger gebouwd met daaraan gekoppeld een drijvend ponton. Steiger en ponton bieden ligplaats aan twee, grote, plezierjachten. Langs het pad naar de steiger is een optrekje aanwezig voor opslag van materiaal zoals surfplanken. Er is aan het einde van het pad ook ruimte om te zitten, zowel op het land als op de steiger. Ook is er daar een plek om vis schoon te maken. Er zijn dus, ondanks de geringe breedte van de aan het water grenzende strook grond, ruime gebruiksmogelijkheden en bijbehorende faciliteiten. 3.3 De toegang tot de steiger is exclusief voorbehouden aan de huurder. Andere bewoners van Brakkeput Ariba hebben geen recht om via het perceel van huurder naar het water te gaan. Er is (redelijkerwijs) geen andere mogelijkheid om de steiger vanuit het land te bereiken dan over het pad op het perceel van huurder. 3.4 Door huurder is, tijdens de mondelinge behandeling, een kaartje overgelegd van (een deel) van het kavelplan Brakkeput Ariba. Daarop zijn ingetekend een aantal doorgangen tussen kavels. Die doorgangen geven volgens het kaartje ‘toegang tot zee’ (naar het Hof begrijpt: het Spaanse Water, hierna ook aangeduid als zee). Volgens huurder kunnen, zo begrijpt het Hof, alle bewoners van Brakkeput Ariba daarvan gebruik maken en zijn dus alle percelen in zoverre als ‘aan zee grenzend’ aan te merken, en vervaagt daardoor het onderscheid tussen aan zee grenzende kavels en andere kavels. 3.5 Huurder wordt in die stellingname niet gevolgd. In de brief 6 februari 2002 heeft de stichting voor de huurprijsverhoging onderscheid gemaakt tussen ‘aan zee grenzende kavels’ en ‘niet aan zee grenzende kavels’. Indien de huurders van alle percelen toegang tot zee hebben via drie doorgangen die geen deel uitmaken van hun eigen perceel, doet dat er niet aan af dat sommige percelen aan zee grenzen en andere niet. Het bijzondere van percelen die aan zee grenzen is nu juist het exclusieve karakter van de toegang tot het water en van verblijf dicht aan het water op ieder gewenst moment, dus ook met uitsluiting van huurders van andere percelen. Het perceel van huurder heeft die bijzonderheid ook. Voor de andere kavels is van exclusiviteit geen sprake. Overigens heeft de stichting tijdens de descente verklaard dat bedoelde doorgangen eigendom van de stichting, niet toegankelijk en om die reden met een ketting en verbodsbord afgesloten zijn. Het Hof heeft dat ook geconstateerd bij de doorgang langs het perceel van [huurder 2]. Weliswaar is die doorgang toen betreden door het Hof, maar dat kon gebeuren omdat de rechthebbende, de stichting, daarvoor ter plekke toestemming verleende. De openbare toegankelijkheid staat daarom niet vast. 3.6 Benadrukt is door huurder dat hij niet over een ‘volle’ oeverbreedte toegang heeft tot het water, maar slechts via een smalle strook. Daarin heeft huurder gelijk, maar dat doet er niet aan af dat het perceel aan het water grenst en het doet aan het exclusieve karakter van de toegang tot het water ook niet af. Hooguit kan dat een factor zijn die bij de huurprijsbepaling van belang is. Dat laatste geldt ook voor de hinder die huurder stelt te ondervinden van het, aangrenzende, Marine Watersportcentrum en het, nabij gelegen, kampeerterrein. Over de vraag of die aspecten daadwerkelijk effect moeten hebben op de huurprijsbepaling, houdt het Hof ieder oordeel aan (in elk geval tot na het deskundigenbericht). 3.7 De conclusie is dat verder ervan wordt uitgegaan dat de kavel van [huurder 1] heeft te gelden als ‘aan zee grenzend’, zoals bedoeld in de brief van 6 februari 2002 (rov. 3.1.9 tussenvonnis 8 juli 2025). De huurprijs tot 1 juli 2012 3.8 Zoals het Hof in het tussenvonnis van 8 juli 2025 heeft overwogen (rov. 3.17) blijft de huurprijs het dichtst bij het huurherzieningsbeding indien de huur wordt bepaald aan de hand van huurprijzen voor gelijkwaardige objecten in Curaçao. 3.9 In het inleidend verzoekschrift (onder 9) heeft [huurder 1] gesteld: Sinds 2011 is er tussen partijen ook een geschil ontstaan over de hoogte van de verschuldigde huur, die gezien de onenigheid over de omvang van het gehuurde niet op goede gronden te voeren is. 3.10 In de periode vanaf 1 april 2002 tot 1 januari 2012 hanteerde de stichting een simpel onderscheid: voor waterkavels werd NAf 12.000 per jaar gerekend, voor andere kavels NAf 6.000 per jaar. De bruikbaarheid van dat criterium, als invulling van het huurherzieningsbeding, voor de periode tot 2012 is niet of onvoldoende weersproken door [huurder 1]. Voor hem was (zie voorgaand citaat) pas echt van een geschil sprake toen hij werd geconfronteerd met een door de stichting per 1 januari 2012 aangezegde huurverhoging tot NAf 39.296 per jaar (zie rov. 3.1.10 tussenvonnis 8 juli 2025). Over de periode tot 1 januari 2012 is het debat in deze zaak beperkt gebleven tot de vraag of sprake is van een waterkavel. Die vraag is hiervoor beantwoord. Uit de brief van 6 februari 2002 moet voor huurder voldoende duidelijk zijn geweest dat voor een waterkavel NAf 12.000 per jaar betaald moest gaan worden. Het moet ook voldoende duidelijk voor hem geweest zijn dat de door hem gehuurde kavel gold als een waterkavel. Verder moest huurder de brief van 6 februari 2002 redelijkerwijs zo begrijpen dat de stichting daarin zonder voorbehoud berichtte dat de verhoogde huur op 1 april 2002 zou ingaan. Uit de passage in de brief dat nieuwe huurprijzen ‘zullen worden vastgesteld’ en dat ‘nieuw vast te stellen’ huurprijzen zullen ingaan, mocht hij redelijkerwijs niet afleiden dat er een tweede brief met een nadere vaststelling zou volgen en dat zonder die tweede brief de huurprijs als niet-verhoogd zou gelden. Ook indien in de jaren 2002-2011 geen nadere actie zijdens de stichting is gevolgd om de per 1 april 2002 verhoogde huur te innen, mocht de huurder daaruit niet afleiden dat de huur, ondanks de brief van 6 februari 2002, niet met ingang van 1 april 2002 was verhoogd. In zoverre oordeelt het Hof anders dan het Gerecht in 4.9 van het bestreden vonnis en slaagt de grief van de stichting daartegen. Daarbij komt dat onvoldoende gemotiveerd is weersproken dat een huurprijs van NAf 12.000 per jaar een juiste invulling is van het huurherzieningsbeding in die zin dat voor gelijkwaardige objecten in Curaçao in de periode tot 1 januari 2012 een dergelijke huurprijs werd gehanteerd. Voor de periode tot 1 januari 2012 wordt daarom uitgegaan van een verschuldigde huurprijs van NAf 12.000 per jaar. Aanzegging huurverhoging 3.11 Huurder heeft gesteld dat in een voorstel tot huuraanpassing moet zijn opgenomen: de geldende huurprijs, het bedrag of percentage van de voorgestelde wijziging, de voorgestelde nieuwe huurprijs en de voorgestelde ingangsdatum. 3.12 Daargelaten de vraag of zonder die informatie geen sprake kan zijn van een geldende huurprijsaanpassing geldt dat aan al deze vereisten is voldaan: zie de brief van 15 november 2011 (rov. 3.10 tussenvonnis 8 juli 2025). Klachtplicht 3.13 Als nieuwe grond voor afwijzing van de vorderingen van de stichting is tijdens de mondelinge behandeling gewezen op artikel 6:89 BW. Volgens huurder kan de stichting geen beroep meer doen op een gebrek in de prestatie van de huurder die bestaat uit de niet-betaling van de (volledige) huurprijs. Daarop strandt volgens de huurder de vordering van de stichting. 3.14 Deze grond is zodanig laat in de procedure naar voren gebracht dat het in strijd is met de goede procesorde het beroep op artikel 6:89 BW nu nog toe te laten. De stichting heeft daarop namelijk niet meer, gedocumenteerd, kunnen reageren. Later te beoordelen aspecten van de zaak 3.15 In het tussenvonnis van 8 juli 2025 is (ook) aandacht besteed aan de onderhuur (rov. 3.18), de verwijdering van opstallen (rov. 3.19) en de ongerechtvaardigde verrijking (rov. 3.20). De (eind)beslissing op die onderdelen wordt aangehouden tot na het deskundigenbericht. Dat geldt ook voor de matiging van de wettelijke rente, de onderhoudsvergoeding (wegengeld) en de onroerendezaakbelasting. De huurprijs vanaf 1 januari 2012 3.16 Daarmee wordt toegekomen aan de vraag welke huurprijs heeft te gelden vanaf 1 januari 2012. Inmiddels is het (eind) 2025. Van belang is daarom de vraag welke huurprijs heeft te gelden in de periode van 1 januari 2012 tot en met (in elk geval) 31 december 2025. 3.17 Voor de bepaling van de huurprijs is een deskundigenbericht noodzakelijk. Bij de mondelinge behandeling hebben partijen zich uitgelaten over de persoon van de deskundige(n), het aantal deskundigen en de aan deze(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.