Burgerlijke zaken over 2025 Zaaknummers: CUR202301576 – CUR2024H00072 Uitspraak: 2 december 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: de stichting STICHTING JOHANNES BOSCO, gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg eiseres, thans appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, gemachtigden: mrs. S.J.C. Anthonio en L.M. van Veldhoven, tegen [HUURDER 2], wonende in Curaçao, in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. D.A.H. Segbert. Partijen worden hierna de stichting of verhuurder en [huurder 2] of huurder genoemd. 1De zaak in het kort 1.1 Deze rechtszaak betreft een huurovereenkomst van een perceel te Brakkeput Ariba, Curaçao. De verhuurder heeft onder meer betaling van de huurachterstand en ontruiming gevorderd. Het Gerecht heeft de huurachterstand op een lager bedrag bepaald dan gevorderd. Het heeft dat lagere bedrag toegewezen, evenals de ontruiming. Het principaal hoger beroep is gericht tegen de afwijzingen. Het incidenteel hoger beroep tegen de toewijzingen. 1.2 Op 8 juli 2025 heeft het Hof een tussenvonnis uitgesproken (ECLI:NL:OGHACMB:2025:181). Thans wordt een tweede tussenvonnis uitgesproken. Daarbij wordt deskundigenbericht gelast over de huurprijs. 2Het verdere verloop van de procedure 2.1 In het tussenvonnis van 8 juli 2025 zijn een descente en, aansluitend, een mondelinge behandeling bepaald. Beide hebben, blijkens daarvan opgemaakt proces-verbaal, plaatsgevonden op 4 november 2025. Daarbij zijn door beide partijen pleitnotities overgelegd. 2.2 Voorafgaand aan descente en mondelinge behandeling zijn de navolgende stukken ontvangen: - op 27 oktober 2025 een akte van de stichting (over de omvang van de problematiek); - op 30 oktober 2025 een akte van [huurder 2]; - op 30 oktober 2025 een akte van de stichting (beginnend met een passage over het huurherzieningsbeding); - op 30 oktober 2025 een brief van de stichting met producties 31 tot en met 33. 2.3 Vonnis is bepaald op vandaag. 3De verdere beoordeling Gebondenheid aan oorspronkelijk huurcontract 3.1 In het tussenvonnis van 8 juli 2025 is het volgende overwogen: 3.10 Bij de hiervoor onder 3.1.5 bedoelde verkoopovereenkomst heeft [huurder 2] zich jegens de verkoper (haar echtgenoot) verbonden om een huurovereenkomst met de stichting aan te gaan. Uit de verkoopovereenkomst blijkt ook dat de gekochte rechten betrekking hebben op opstallen op grond die van de stichting wordt gehuurd, zodat [huurder 2] dit geweten moet hebben. De huurovereenkomsten die de stichting bij de verhuur van haar percelen te Brakkeput Ariba placht aan te gaan, hebben een grotendeels gelijkluidende regeling, met een kettingbeding, zodat het de bedoeling van de stichting was om dezelfde verplichtingen ook op te leggen aan opvolgende huurders. [huurder 2] had dit behoren te weten, omdat een eenvoudig onderzoek, dat van haar gevergd van worden, dit zou hebben uitgewezen. Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien, is [huurder 2] gebonden aan de bedingen van het oorspronkelijke huurcontract. Hieraan doet niet af dat het niet tot een schriftelijke vastlegging van de huurrelatie tussen [huurder 2] en de stichting is gekomen. 3.2 [ huurder 2] heeft verzocht terug te komen van deze overweging. Aangevoerd is dat de kavel destijds, ten tijde van de verkoopovereenkomst, veel groter was (namelijk: doorlopend tot aan het water). Na verkaveling, waarbij het perceel de huidige omvang kreeg, is geen schriftelijke huurovereenkomst opgemaakt. 3.3 De aangevallen overweging bevat een bindende eindbeslissing. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft te gelden dat de eisen van de goede procesorde meebrengen dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, met inachtneming van hoor en wederhoor, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. 3.4 Dat, zoals bij de descente nog eens inzichtelijk is gemaakt, de oorspronkelijke kavel groter was dan de, na herverkaveling, door [huurder 2] gehuurde kavel is niet van belang voor de aangevallen overweging. Zowel voor de oorspronkelijke kavel als voor de kavel na herverkaveling geldt wat in die overweging staat. Van die overweging wordt dan ook niet teruggekomen. Onredelijk bezwarend beding? 3.5 In rov. 3.13 van het tussenvonnis van 8 juli 2025 is voorshands geoordeeld dat het huurherzieningsbeding niet onredelijk bezwarend is. Verzocht is ook daarvan terug te komen. Aangevoerd is dat het beding zeer weinig houvast geeft over frequentie, omvang of methode van verhoging van de huurprijs. Een bepaling waarvan een huurder van woonruimte materieel niet kan overzien wat de financiële gevolgen zullen zijn is per definitie niet transparant. Verwezen is daarbij naar HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780. 3.6 Het Hof blijft bij wat is overwogen in het tussenvonnis van 8 juli 2025. De overeenkomst noemt niet een concreet bedrag of percentage waarmee de huur, driejaarlijks, wordt verhoogd. Daarom voldoet het huurherzieningsbeding (waarschijnlijk) niet aan het transparantievereiste van art. 5 Richtlijn 93/13 en art. 6:238 lid 2 BW-NL, maar dat hoeft ook niet, aangezien het Curaçaose recht, dat in zijn BW geen art. 6:238 lid 2 kent, die eis niet stelt, althans niet zo stringent als in Nederland. De overeenkomst legt wel duidelijk vast dat de huurverhoging gekoppeld wordt aan gelijkwaardige objecten in Curaçao. Bij geschil tussen huurder en verhuurder zal, door een deskundige, moeten worden vastgesteld welke de huurprijs dan moet zijn, maar dat doet er niet aan af dat het huurherzieningsbeding naar Curaçaos recht voldoende duidelijk is om niet onredelijk bezwarend te zijn. Het oordeel dat het Hof in rov. 3.13 voorshands heeft gegeven, maakt het Hof thans tot een bindende eindbeslissing. Klachtplicht 3.7 Als nieuwe grond voor afwijzing van de vorderingen van de stichting is tijdens de mondelinge behandeling gewezen op artikel 6:89 BW. Volgens huurder kan de stichting geen beroep meer doen op een gebrek in de prestatie van de huurder die bestaat uit de niet-betaling van de (volledige) huurprijs. Daarop strandt volgens de huurder de vordering van de stichting. 3.8 Deze grond is zodanig laat in de procedure naar voren gebracht dat het in strijd is met de goede procesorde het beroep op artikel 6:89 BW nu nog toe te laten. De stichting heeft daarop namelijk niet meer, gedocumenteerd, kunnen reageren. Later te beoordelen aspecten van de zaak 3.15 In het tussenvonnis van 8 juli 2025 is (ook) aandacht besteed aan de onderhuur (rov. 3.15), de verwijdering van opstallen (rov. 3.16) en de ongerechtvaardigde verrijking (rov. 3.17). De (eind)beslissing op die onderdelen wordt aangehouden tot het eindvonnis. Dat geldt ook voor de onderhoudsvergoeding (wegengeld), de onroerendezaakbelasting en de verjaring, stuiting en ontvangst van betalingsherinneringen. De huurprijs tot 1 juli 2012 3.8 Zoals het Hof in het tussenvonnis van 8 juli 2025 heeft overwogen (rov. 3.14) blijft de huurprijs het dichtst bij het huurherzieningsbeding indien de huur wordt bepaald aan de hand van huurprijzen voor gelijkwaardige objecten in Curaçao. 3.9 In de periode tot 1 januari 2012 hanteerde de stichting een simpel onderscheid: voor waterkavels werd NAf 12.000 per jaar gerekend, voor andere kavels NAf 6.000 per jaar. De bruikbaarheid van dat criterium, als invulling van het huurherzieningsbeding, voor de periode tot 2012 is niet of onvoldoende weersproken door [huurder 2]. Vast staat dat zij niet een waterkavel had. Uit de brief van 6 februari 2002 moet voor huurder voldoende duidelijk zijn geweest dat voor haar (land)kavel NAf 6.000 per jaar betaald moest gaan worden. Verder moest huurder de brief van 6 februari 2002 redelijkerwijs zo begrijpen dat de stichting daarin zonder voorbehoud berichtte dat de verhoogde huur op 1 april 2002 zou ingaan. Uit de passage in de brief dat nieuwe huurprijzen ‘zullen worden vastgesteld’ en dat ‘nieuw vast te stellen’ huurprijzen zullen ingaan, mocht zij redelijkerwijs niet afleiden dat er een tweede brief met een nadere vaststelling zou volgen en dat zonder die tweede brief de huurprijs als niet-verhoogd zou gelden. Ook indien in de jaren 2002-2011 geen nadere actie zijdens de stichting is gevolgd om de per 1 april 2002 verhoogde huur te innen, mocht de huurder daaruit niet afleiden dat de huur, ondanks de brief van 6 februari 2002, niet met ingang van 1 april 2002 was verhoogd. Daarbij komt dat onvoldoende gemotiveerd is weersproken dat een huurprijs van NAf 6.000 per jaar een juiste invulling is van het huurherzieningsbeding in die zin dat voor gelijkwaardige objecten in Curaçao in de periode tot 1 januari 2012 een dergelijke huurprijs werd gehanteerd. Voor de periode tot 1 januari 2012 wordt daarom uitgegaan van een verschuldigde huurprijs van NAf 6.000 per jaar. De huurprijs vanaf 1 januari 2012 3.10 Daarmee wordt toegekomen aan de vraag welke huurprijs heeft te gelden vanaf 1 januari 2012. Inmiddels is het (eind) 2025. Van belang is daarom de vraag welke huurprijs heeft te gelden in de periode van 1 januari 2012 tot en met (in elk geval) 31 december 2025. 3.11 Voor de bepaling van de huurprijs is een deskundigenbericht noodzakelijk. Bij de mondelinge behandeling hebben partijen zich uitgelaten over de persoon van de deskundige(n), het aantal deskundigen en de aan deze(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.