Burgerlijke zaken over 2025 Registratienummers: BON202400165 – BON2024H00030 Uitspraak: 1 juli 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in het kort geding van: de besloten vennootschap Bruko Vastgoed B.V. gevestigd in Nederland, in eerste aanleg gedaagde, thans appellante, gemachtigde: mr. B. Nagelmakers (voor mr. J.M. Pol), tegen de naamloze vennootschap Belmar Apartments N.V. gevestigd op Bonaire, in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. T.L.H. Peeters. Partijen worden hierna Bruko en Belmar genoemd. samenvatting In dit kort geding staat de uitleg van een exploitatieovereenkomst bij de beëindiging daarvan centraal. Het hof beslist daarover anders dan het Gerecht en komt tot het oordeel dat er ten onrechte in eerste aanleg voorzieningen zijn getroffen. Het vonnis van het Gerecht wordt daarom vernietigd. Hieronder wordt uitgelegd hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij op 17 juli 2024 ingekomen akte van appel is Bruko in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 28 juni 2024 uitgesproken vonnis in kort geding van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire (hierna: het Gerecht). 1.2 Bij op 6 augustus 2024 ingekomen memorie van grieven met producties heeft Bruko grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof – waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van Belmar alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Belmar in de proceskosten in beide instanties en met haar veroordeling om het bedrag van US$ 1.089,- terug te betalen dat Bruko ter uitvoering van het vonnis aan Belmar heeft betaald. 1.3 Bij memorie van antwoord, met producties, heeft Belmar de grieven bestreden. Bovendien heeft zij daarbij zelf ook hoger beroep ingesteld (het incidenteel hoger beroep). Haar conclusie in het principaal hoger beroep houdt in dat het Hof Bruko daarin niet-ontvankelijk zal verklaren, althans dat beroep vervallen zal verklaren, dan wel (subsidiair) het vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Bruko in de kosten van dit hoger beroep. In het incidenteel hoger beroep heeft zij geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis deels zal vernietigen en alsnog een dwangsom zal verbinden aan de veroordeling in dat vonnis onder 5.1 en Bruko alsnog zal veroordelen om aan Belmar als voorschot op schadevergoeding US$ 41.587,11 met rente te betalen en haar zal veroordelen in de kosten van de beide instanties, met nakosten en rente over al deze kosten. 1.4 Op 8 oktober 2024 heeft Bruko een memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep ingediend, met conclusie dat het Hof de vorderingen van Belmar zal afwijzen en Belmar in de kosten van het incidenteel hoger beroep zal veroordelen. 1.5 Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities ingediend. Bij de pleitnota van Bruko is een productie gevoegd die volgens een notitie op die pleitnota op voorhand (het hof begrijpt: aan Belmar) is verstuurd. 1.6 Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag. 2De beoordeling uitgangspunten: de vaststaande feiten 2.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. 2.1.1 Bruko is sinds 2023 de eigenaar van drie vakantieappartementen. Ter zake van die appartementen gold een exploitatieovereenkomst die per 1 juli 2014 was gesloten tussen de toenmalige eigenaar Vereniging van Eigenaren Belmar Oceanfront Apartments Bonaire (hierna: de VvE) en Belmar als Beheerder. Op grond van deze overeenkomst heeft Belmar de appartementen sinds 1 juli 2014 geëxploiteerd. Belmar zorgde kort gezegd voor de marketing, de boekingen, ontvangst en vertrek van gasten, de schoonmaak, de beveiliging, en ook voor het incasseren van de opbrengsten (de huur). In ruil hiervoor ontving zij een vergoeding van 45% van de huuropbrengsten, die Belmar incasseerde door aan Bruko slechts 55% van die huuropbrengsten af te dragen en de rest als provisie te behouden. 2.1.2 De exploitatieovereenkomst gold voor de periode 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2024, met een opzegtermijn van ‘minstens een jaar’. Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst op 6 december 2022 geldig is opgezegd tegen 30 juni 2024 en dat de overeenkomst hierdoor op 30 juni 2024 is geëindigd. 2.1.3 Bruko heeft haar appartementen verkocht: een appartement is nog voor het bestreden vonnis aan de koper daarvan geleverd, de twee andere (kort) na dat vonnis. discussiepunt 2.2 Volgens Belmar mocht zij tot en met 30 juni 2024 de appartementen reserveren voor de verhuur, ook wanneer dat verblijf na die datum plaatsvond, en heeft zij recht op 45% van de huuropbrengst van deze reserveringen (hierna te noemen: provisie). Bruko spreekt dat tegen. het oordeel van het Gerecht 2.3 In het bestreden vonnis heeft het Gerecht Belmar gelijk gegeven. In dat vonnis is dan ook beslist dat Bruko de kopers van haar appartementen moet houden aan de afspraak die zij met hen heeft gemaakt om uitvoering te geven aan boekingen van Belmar voor de periode vanaf 1 juli 2024 en dat Bruko over deze boekingen provisie moet betalen aan Belmar. Wat Belmar verder nog heeft gevorderd is afgewezen en Bruko is in de proceskosten veroordeeld. procesbelang 2.4 Volgens de pleitnota van Belmar heeft Bruko geen (proces)belang bij het principaal hoger beroep en moet het Hof haar daarom niet-ontvankelijk verklaren. Belmar ziet in het feit dat alle boekingen die zij heeft verzorgd betrekking hebben op het verleden bewijs dat Bruko met het instellen van hoger beroep er alleen maar op uit is om Belmar een zo groot mogelijke inspanning te laten leveren. Zij wil daarmee Belmar het gevoel geven dat het vonnis van het Gerecht slechts een pyrrusoverwinning oplevert. Het ontbreekt bij Bruko daarom aan procesbelang, aldus Belmar. 2.5 Belmar heeft zich voor het eerst in haar pleitnota op de niet-ontvankelijkheid van Bruko beroepen. Afgezien van het feit dat dit wel erg laat in de procedure is gaat het niet op. Bruko wil kennelijk met dit hoger beroep bereiken dat zij de provisie niet aan Belmar hoeft te betalen en wil ook duidelijkheid krijgen over de vraag of zij uit hoofde van het vonnis van het Gerecht verplicht was om zich in te zetten voor het honoreren van boekingen die Belmar heeft gemaakt voor verhuur na afloop van de overeenkomst. Dit vormt een voldoende procesbelang en Belmar heeft dit blijkens haar memorie van antwoord ook zo begrepen. spoedeisendheid 2.6 Spoedeisendheid is een voorwaarde om in kort geding voorzieningen te verkrijgen. Bruko voert aan dat Belmar bij die voorzieningen inmiddels geen spoedeisend belang meer heeft omdat de periode waarover Belmar boekingen heeft gemaakt inmiddels, op de dag van het vonnis van het Hof, is verstreken. Van de vereiste spoedeisendheid blijkt echter naar het oordeel van het hof voldoende, alleen al doordat Belmar met haar vorderingen aanspraak maakt op vergoeding van schade en betaling van de provisie. Dat alle boekingen betrekking hebben op verblijf dat voor dit Hofvonnis is afgelopen doet daar niet aan af. uitleg van de overeenkomst 2.7 Zoals hierboven al gezegd leggen partijen de exploitatieovereenkomst verschillend uit. Het Hof zal zijn uitleg geven aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf. Volgens deze maatstaf moet de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract, maar komt het bij die beantwoording aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Toepassing van de Haviltex-maatstaf brengt het Hof voorshands tot het oordeel dat Belmar niet bevoegd was om reserveringen te maken voor verblijf op 1 juli 2024 en later. Hieronder legt het hof dit verder uit. 2.8 Belmar stelt dat Bruko in strijd met de overeenkomst heeft gehandeld door boekingen over de periode vanaf 1 juli 2024 niet te respecteren en baseert dit op de tekst van artikel 4.6 van die overeenkomst. Daarin staat: ‘Indien onderhavige overeenkomst eindigt is de Exploitant verplicht om uiterlijk 4 maanden voor beëindiging, het onder handen werk register (reserveringsoverzicht) en het daarbij behorende adressenbestand aan de VVE ter hand te stellen. De aan het werk onderhanden gekoppelde provisie, komt de Exploitant toe.’ De verplichting om het reserveringsoverzicht te verstrekken is volgens Belmar in de overeenkomst opgenomen vanwege de mogelijkheid dat Belmar reserveringen aanneemt voor een verblijf dat na afloop van de looptijd van de overeenkomst plaatsvindt. Het Gerecht is het daarmee eens omdat voor boekingen die binnen de looptijd vallen al een regeling in de overeenkomst staat en omdat Bruko de adressen van de huurders die tijdens die looptijd in de appartementen verblijven niet nodig heeft. Alleen Belmar bemoeit zich tenslotte met de huurders, welke bemoeienis ophoudt na afloop van de looptijd. Ook de slotzin (over provisie) kan volgens de uitleg in het vonnis alleen betrekking hebben op een verblijf van gasten na afloop van de overeenkomst, omdat (nogmaals) in de provisieverplichting voor de periode daarvoor al in de overeenkomst is voorzien. 2.9 Bruko bestrijdt dit. Zij heeft in de alinea’s 29 en 30 van haar memorie van grieven namelijk geschreven dat de verplichting om het reserveringsoverzicht over de laatste vier maanden te verstrekken in de overeenkomst is opgenomen om partijen in staat te stellen om met elkaar af te rekenen. Hiermee bedoelt zij klaarblijkelijk dat partijen zich dankzij het viermaands-overzicht kunnen voorbereiden op een eindafrekening en daarover zo nodig overleg kunnen hebben. Het overzicht komt volgens Bruko in de plaats van de tweemaandelijkse overzichten die Belmar gedurende de looptijd telkens moest opstellen. Voor de door haar gegeven uitleg van artikel 4.6 van de overeenkomst beroept Bruko zich bovendien op artikel 1.1 van de overeenkomst. Daarin staat dat het appartement ‘ten behoeve van de exploitatie daarvan, gedurende de looptijd van de overeenkomst’ aan Belmar ter beschikking wordt gesteld. Hieruit trekt zij de conclusie dat Belmar niet bevoegd was om de verhuur van de appartementen te boeken wanneer dat gaat om een gebruik daarvan na het einde van de overeenkomst. 2.10 Aan de hand van de Haviltex-maatstaf komt het Hof tot het oordeel dat Bruko de juiste uitleg aan de overeenkomst geeft. Volgens de tekst van artikel 1.1 heeft de eigenaar Bruko namelijk aan Belmar geen huurrechten ter beschikking gesteld die betrekking hebben op een gebruik dat na de looptijd van de overeenkomst plaatsvindt. Dit ligt in lijn met het feit dat Belmar na afloop van de looptijd de appartementen niet langer zou exploiteren: zij zou niet langer zorgen voor de marketing, het in- en uitchecken, het schoonmaken, de beveiliging etc. Zij heeft dan ook geen recht op de provisie die wordt gerealiseerd door verhuur over een periode van ná 30 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.