Burgerlijke zaken over 2025 Registratienummer: SXM2020801 – SXM2023H00096 Uitspraak: 19 maart 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS In de zaak van: [appellant], wonende in [woonplaats], oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie, thans appellant, procederend in persoon, tegen de stichting SINT MAARTEN HOUSING DEVELOPMENT FOUNDATION, gevestigd in Sint Maarten, oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr. De partijen worden hierna [appellant] respectievelijk de Stichting genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij akte van appel, ingekomen ter griffie op 25 augustus 2023 is [appellant] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 8 augustus 2023 van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, hierna: het Gerecht. 1.2 Bij memorie van grieven met producties, ingekomen ter griffie op 15 september 2023, heeft [appellant] twee grieven gericht tegen het bestreden vonnis en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen. 1.3 De Stichting heeft op 9 november 2023 een memorie van antwoord met producties ingediend waarbij zij haar eis heeft vermeerderd, de grieven heeft bestreden en heeft geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep. 1.4 Op 13 maart 2024 hebben partijen pleitnotities ingediend, [appellant] met producties. 1.5 De Stichting heeft op 15 mei 2024 een akte uitlating producties genomen. 1.6 Vonnis is nader bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. 2.2 De Stichting is belast met sociale woningbouw en de verhuur van woningen in Sint Maarten. 2.3 Partijen hebben in 1999 een huurovereenkomst gesloten waarbij [appellant] van de Stichting huurt een woning aan de [adres], voor een huursom van NAf 990,- per maand. 2.4 Op 6 september 2017 heeft orkaan Irma in Sint Maarten huisgehouden. Deze orkaan heeft woningen van de Stichting beschadigd, ook die waar [appellant] woonde. Herstelwerkzaamheden hebben nadien plaatsgevonden. De Stichting heeft kort na de orkaan gebreken aan de beschadigde woningen hersteld maar niet alle gebreken vanwege betalingsonmacht. 2.5 Bij kort geding vonnis van 28 september 2018 (zaaknummer SXM202800908) in een zaak tussen meerdere huurders waaronder [appellant] (hierna gezamenlijk te noemen: de huurders) heeft het Gerecht beslist dat: ‘(…) de huurders maximaal 75% van de huurachterstand, dan wel de lopende huurtermijnen, mogen aanwenden om de orkaanschade van de woningen te herstellen, onder de voorwaarde dat eerst 25% van de huurachterstand, dan wel 25% van de lopende huurtermijn, uiterlijk binnen 14 dagen na dit vonnis, aan de verhuurder wordt betaald, machtigt de huurders daartoe en veroordeelt de verhuurder dit toe te staan, (…) 2.6 Dit vonnis is door het Hof op 20 maart 2020 in hoger beroep vernietigd waarbij de vorderingen van de huurders alsnog zijn afgewezen. Het Hof heeft het vonnis vernietigd omdat -zakelijk weergegeven- de huurders onvoldoende aannemelijk hebben kunnen maken dat zij (onmiddellijk) na het kort gedingvonnis van 28 september 2018 herstelwerkzaamheden aan hun huurwoningen hebben uitgevoerd. Ook hebben de huurders nagelaten 25% van de huurachterstand aan de Stichting te betalen. Het Hof overweegt verder: ‘(…) Als onderling overleg vruchteloos blijft, wat te vrezen valt, zal in een bodemprocedure moeten worden beoordeeld in hoeverre (en hoe lang) SMHDF [de Stichting, Hof] in verzuim was met haar verplichtingen en tot welk bedrag de door de huurders te maken kosten voor reparatie voor rekening van SMHDF kunnen worden gebracht, alsmede in welke mate (en over welke periode) de aanwezige gebreken een vermindering van de huurprijs kunnen rechtvaardigen. (…)’ 3De beoordeling Vorderingen 3.1 In deze rechtszaak heeft [appellant] in eerste aanleg in conventie, verkort aangegeven en voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: voor recht verklaart dat de Stichting tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door vanaf 1999 geen onderhoud aan de huurwoning te plegen; voor recht verklaart dat de Stichting tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door vanaf september 2017 gebreken aan de huurwoningen niet te herstellen; de Stichting veroordeelt om de resterende gebreken te herstellen op verbeurte van een dwangsom; e huurovereenkomst partieel ontbindt totdat de gebreken zijn hersteld zodat [appellant] slechts 25% respectievelijk 50% van de huur aan de Stichting hoeft te betalen. 3.2 De Stichting heeft in reconventie gevorderd -zakelijk weergegeven- dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: de huurovereenkomst ontbindt; de ontruiming beveelt van de huurwoning door [appellant] op verbeurte van een dwangsom dan wel de Stichting machtigt om de ontruiming zelf te bewerkstelligen; [appellant] veroordeelt tot betaling van de huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente; [appellant] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding gelijk aan de overeengekomen huur, te betalen over de periode vanaf ontbinding tot de ontruiming van de huurwoning; [appellant] veroordeelt tot betaling van US$ 4.731,34; [appellant] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en rente. Beslissingen van het Gerecht 3.3 Het Gerecht heeft bij tussenvonnis van 1 november 2022 geoordeeld dat in verband met het evident gebleken verminderde huurgenot evenredige huurvermindering op zijn plaats is, maar alleen gestaffeld en alleen voor het verleden vanaf 6 september 2017 tot 3 juni 2021 (de datum van de eerste comparitie van partijen in deze zaak). Het Gerecht heeft de volgende huurvermindering vastgesteld: geen huurvermindering vóór 6 september 2017; 75% huurvermindering over de periode vanaf 6 september 2017 tot 28 september 2018; 50% huurvermindering over de periode vanaf 28 september 2018 tot 20 maart 2020; 25% huurvermindering over de periode vanaf 20 maart 2020 tot 3 juni 2021; geen huurvermindering vanaf 3 juni 2021 (r.o.v. 4.24). 3.4 Het Gerecht heeft de Stichting gelast om bij akte de schriftelijke berekeningen van de huurachterstand in het geding te brengen, een en ander na verdiscontering van de in het tussenvonnis vastgestelde huurverminderingen en [appellant] in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. 3.5 Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen. In reconventie heeft het Gerecht uitvoerbaar bij voorraad (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.