← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2025:361

Burgerlijke zaken over 2025 Zaaknr.: CUR202304073-CUR2024H00195 Uitspraak: 29 juli 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Beschikking in de zaak van: [de man], wonend in [woonplaats], in eerste aanleg verweerder, thans appellant, hierna te noemen: de man, gemachtigde: mr. N.A. Evertsz, -tegen- [de vrouw], wonend in [woonplaats], in eerste aanleg verzoekster, thans geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, gemachtigde: mr. L.N. Asjes. 1Het verloop van de procedure 1.1 Verwezen wordt naar de op 9 april 2024 uitgesproken tussenbeschikking en de op 27 juni 2024 uitgesproken eindbeschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). De inhoud van die beschikkingen geldt als hier ingevoegd. 1.2 De man is in hoger beroep gekomen van voormelde eindbeschikking door indiening op 7 augustus 2024 van een beroepschrift met producties. 1.3 De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 21 januari 2025 in het Gerechtsgebouw te Curaçao. Namens de man is zijn gemachtigde verschenen. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De gemachtigden van partijen hebben de standpunten nader toegelicht. De gemachtigde van de man aan de hand van een door haar overgelegde schriftelijke toelichting met (op voorhand toegezonden) producties. De gemachtigde van de vrouw aan de hand van een overgelegd verweerschrift/pleitnota. Ook zijn vragen van het Hof beantwoord. 1.4 De zaak is vervolgens naar de rol verwezen voor akte uitlating regeling. Op 15 april 2025 hebben de gemachtigden van partijen bij akte aangegeven dat geen regeling is bereikt. 1.5 Uitspraak is nader bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1 Partijen zijn op [datum] 2003 in [eiland] in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Het huwelijk is thans ontbonden. 2.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren. 3De procedure bij het Gerecht 3.1 Op verzoek van de vrouw heeft het Gerecht bij de tussenbeschikking van 9 april 2024 onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Naar aanleiding van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud ter hoogte van NAf 3.500,- per maand heeft het Gerecht partijen in de gelegenheid gesteld om bij akte financiële gegevens in te dienen, wat zij hebben gedaan. 3.2 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht aan de vrouw ten laste van de man toegekend een uitkering tot levensonderhoud van NAf 3.500,- per maand met ingang van 1 juli 2024 en de proceskosten gecompenseerd. 4De beoordeling Behoefte van de vrouw 4.1 Het Gerecht heeft overwogen dat partijen staande het huwelijk een aanzienlijk maandelijks inkomen hadden, en dat de vrouw nooit heeft gewerkt en geen toegang heeft tot het gezamenlijk inkomen. Het Gerecht heeft verder overwogen dat uit het niet weersproken overzicht van de vrouw een behoefte volgt van NAf 8.537,38, zodat de door de vrouw gevraagde bijdrage van NAf 3.500,- redelijk moet worden geacht. 4.2 Partijen hebben gedebatteerd over het door de vrouw overgelegde kostenoverzicht. De man heeft tegen de verschillende posten bezwaren aangevoerd en geconcludeerd dat de maandelijkse vaste lasten van de vrouw Cg 2.937,35 bedragen. De vrouw heeft tegenover de betwisting van de man de door haar opgevoerde kosten niet nader onderbouwd. De vrouw heeft wel aangegeven dat de man ook al gedurende het huwelijk en na zijn vertrek naar Madeira maandelijks Cg 3.500,- aan haar betaalde ter voorziening in haar behoefte en dat zij om die reden om een bijdrage ter hoogte van dat bedrag heeft verzocht. De man heeft niet betwist dat hij gedurende het huwelijk Cg 3.500,- per maand aan de vrouw betaalde. Het Hof acht het gelet hierop redelijk om de behoefte van de vrouw vast te stellen op Cg 3.500,-. Het Hof neemt hierbij in aanmerking de hoge levensstandaard die partijen gedurende het huwelijk hebben gekend. De man geeft dit toe. Dat, zoals de man stelt, die levensstandaard op een bepaald moment vanwege de sluiting van de raffinaderij daalde tot gemiddeld, hetgeen de vrouw heeft betwist, maakt dat niet anders nu ook gedurende die periode de man, naar de vrouw onbestreden heeft gesteld, NAf 3.500 aan haar betaalde. Behoeftigheid van de vrouw 4.3 Bij de vaststelling van de behoeftigheid dient, gelet op het bepaalde in artikel 1:157 BW, te worden beoordeeld of de vrouw niet over voldoende inkomsten beschikt en zich deze in redelijkheid ook niet kan verwerven, om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. 4.4 Partijen zijn het erover eens dat de vrouw tot 2010 heeft gewerkt in [bedrijf en daarna een aantal jaren werkzaamheden heeft verricht bij het door de man opgerichte bedrijf [bedrijf]. Ook staat vast dat de vrouw in ieder geval nadat de man de aandelen in voornoemd bedrijf heeft verkocht, niet meer heeft gewerkt. De vrouw stelt dat zij vanwege gebrek aan verdiencapaciteit, mede om gezondheidsredenen, geen inkomsten meer heeft kunnen genereren. De man heeft dat niet betwist. 4.5 Gelet op het voorgaande gaat het Hof ervan uit dat de vrouw geen inkomen uit arbeid geniet en zich dit in redelijkheid ook niet kan verwerven. Daarmee staat haar behoeftigheid vast. Draagkracht van de man 4.6 Het Gerecht is uitgegaan van een maandelijks inkomen van de man van NAf 26.800,- in Curaçao en van maandelijkse uitgaven van NAf 11.276,03. Het Gerecht heeft geoordeeld dat gelet hierop de man in staat moet worden geacht om met NAf 3.500,- bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. 4.7 Het bedrag van NAf 26.800,- bestaat uit (

  1. i)NAf 15.000,- op grond van een huurkoopovereenkomst met betrekking tot de aandelen in Camara Import BV, (
  2. ii)NAf 800,- op grond van de verhuur van een perceel grond te [wijk] aan [de betrokkene], (iii) NAf 5.000,- op grond van een huurkoopovereenkomst van het huis van de overleden moeder van de man te [adres] en (
  3. iv)NAf 6.000,- per maand in verband met de afbetaling van een appartement door Alcale BV (Bill Payment Solutions). 4.8 De man stelt in zijn beroepschrift dat het onjuist is om inkomsten uit vermogen van de ontbonden huwelijksgemeenschap als inkomen van de man aan te merken, omdat hij en de vrouw daarin ieder voor 50% gerechtigd zijn. Het Hof gaat hieraan voorbij. De vrouw heeft namelijk bij verweerschrift/pleitnota in hoger beroep onbestreden gesteld dat voormelde inkomsten aanvankelijk op een en/of rekening van partijen werden gestort maar dat de man opdracht heeft gegeven om de gelden op zijn rekening bij RBC dan wel in Madeira te storten waar de vrouw geen toegang toe heeft. Het Hof gaat er dan ook vanuit dat alleen de man uit het gemeenschappelijk vermogen inkomsten ontvangt. 4.9 De man betwist dat hij nog een bedrag van TC Transport and Equipment ontvangt van NAf 5.000,- per maand (rov. 4.7 sub iii). Dit bedrag heeft betrekking op de verkoop van het ouderlijk huis van de man aan zijn neef. De koopsom is, aldus de man, al volledig betaald. De vrouw heeft dat echter gemotiveerd betwist en hiertoe gesteld dat de man per februari 2024 aan de neef opdracht heeft gegeven om het bedrag van NAf 5.000,- niet meer te storten op de gezamenlijke rekening van partijen maar op de bankrekening van de man bij de Millennium Bank in Portugal. De man heeft nagelaten met stukken te onderbouwen dat de koopsom al is afbetaald. Het Hof gaat er daarom vanuit dat de man nog steeds inkomsten ontvangt van TC Transport and Equipment. 4.10 De man stelt dat Alcale BV de schuld uit hoofde van een in 2020 aangegane leningsovereenkomst onregelmatig afbetaalt (rov. 4.7 sub iv). Onder verwijzing naar de door de vrouw op 4 juni 2024 als productie 8 overgelegde bankafschriften stelt de man dat Alcale BV slechts NAf 28.500,- heeft betaald in 2023, wat neerkomt op NAf 2.375,- per maand. In 2024 is, aldus de man, slechts NAf 35.000,- betaald. Ook ten aanzien van deze schuld heeft de vrouw gesteld dat de aflossing aanvankelijk werd gestort op de gezamenlijke rekening van partijen en thans op de MCB-rekening van de man en (wijlen) zijn moeder. Uit het door de man in hoger beroep als productie 19 overgelegde bankafschrift van de MCB-Bank blijkt dat Alcale (Bill Payment Solutions) in ieder geval in december 2024 inderdaad NAf 6.000,- heeft gestort op een MCB-rekening op naam van de man en zijn moeder. Wat hier ook van zij, de man heeft recht op de aflossingen uit hoofde van de leningsovereenkomst en indien deze niet wordt nagekomen, kan van de man in zijn rechtsrelatie tot de vrouw worden gevergd dat hij incassomaatregelen neemt tegen de debiteur. Dat de man hiertoe is overgegaan is gesteld noch gebleken. De aflossingen door Alcale BV worden dan ook meegenomen bij de berekening van de hoogte van het inkomen van de man. 4.11 Het voorgaande brengt mee dat ook het Hof uitgaat van een inkomen van de man op Curaçao van – uitgedrukt in de nieuwe valuta – Cg 26.800,-. 4.12 De totale maandelijkse lasten van de man bedragen conform zijn opgave in het beroepschrift onder 32 totaal NAf 9.432,11. Dat betekent dat de man, uitgaande van het inkomen op Curaçao (26.800 – 9.432,11=) Cg 17.367,89 per maand overhoudt. De man is dus in staat om Cg 3.500,- per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. 4.13 De vrouw heeft op 25 maart 2024 ten laste van de man de volgende conservatoire maritale (derden)beslagen gelegd : onder Oceana BV op de door deze maandelijks verschuldigde huurkoopsommen (NAf 15.000,-); op 100 aandelen in Camara Import BV; het recht van erfpacht ten name van Camara Import BV; onder de MCB-Bank op alle gelden die deze van de man onder zich heeft (de man stelt dat hieronder ook de gezamenlijke rekeningen van partijen vallen). 4.14 Het Hof ziet zich gesteld voor de vraag wat het gevolg is van deze beslagen voor de feitelijke betaalcapaciteit van de man. De zaak wordt verwezen naar de rol zodat partijen, eerst de man en daarna de vrouw, zich hierover kunnen uitlaten. 4.15 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. BESLISSING: Het Hof: verwijst de zaak naar de rol van 19 augustus 2025 voor akte uitlating zijdens de man als bedoeld onder 4.14; bepaalt dat de vrouw vervolgens de gelegenheid krijgt voor het nemen van een antwoordakte; houdt iedere verdere beslissing aan. Aldus gegeven door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 29 juli 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.