Burgerlijke zaken over 2025 Registratienummers: CUR201903840 – CUR2023H00134 Uitspraak: 15 april 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: 1[appellant 1] 2. de besloten vennootschap [appellant 2] wonend respectievelijk gevestigd in [plaats] in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in reconventie thans appellanten gemachtigden: mrs. M.F. Murray en K.A. Doekhi tegen 1de besloten vennootschap EC INVESTMENTS B.V. 2. de naamloze vennootschap ENNIA CARIBE HOLDING N.V. gevestigd in Curaçao in eerste aanleg eisers in conventie, verweerders in reconventie thans geïntimeerden gemachtigden: mrs. K. Frielink en J.C. Maris Partijen worden hierna genoemd: [appellant 1], [appellant 2] en gezamenlijk: [appellanten] respectievelijk ECI, ECH en gezamenlijk Ennia c.s. De zaak in het kort In deze zaak vordert Ennia c.s. van een oud-bestuurder op grond van ongerechtvaardigde verrijking en/of op grond van onrechtmatig handelen terugbetaling van onder meer genoten bonussen, kosten voor vergoeding van woon- en autokosten en kosten van (privé) uitgaven die de oud-bestuurder met company creditcards heeft gedaan. In eerste instantie zijn de vorderingen grotendeels toegewezen. Het Hof beoordeelt de vorderingen voor zover in hoger beroep nog aan de orde opnieuw. 1 Het verloop van de procedure 1.1 Bij op 17 april 2023 ingekomen akte van appel is [appellanten] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 6 maart 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). 1.2 Bij op 29 mei 2023 per mail ingekomen memorie van grieven heeft [appellanten] twaalf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen in conventie alsnog zal afwijzen en die in reconventie alsnog volledig zal toewijzen, met veroordeling van Ennia c.s. in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente als tijdige betaling uitblijft. 1.3 Bij op 18 juli 2023 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft Ennia c.s. de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente. 1.4 Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. 1.5 Vonnis is nader bepaald op vandaag. 2 De feiten Het Hof gaat uit van dezelfde feiten als waar het Gerecht vanuit is gegaan, (voor zover die nog relevant zijn gelet op hetgeen in hoger beroep voorligt) te weten: 2.1 Ennia c.s. maakt onderdeel uit van de Ennia-groep. Binnen de Ennia-groep worden levensverzekeringen, schadeverzekeringen en zorgverzekeringen aangeboden. ECH is binnen de Ennia-groep de moedermaatschappij en aandeelhouder van ECI, Ennia Caribe Leven N.V. (ECL), Ennia Caribe Schade N.V. (ECS) en Ennia Caribe Zorg N.V. (ECZ). 2.2 De verzekeraars ECL, ECS en ECZ zijn verzekeringsbedrijven in de zin van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf (LTV). 2.3 Parman International B.V. waarvan [eigenaar] ([eigenaar]) eigenaar is en [bestuurder]([bestuurder]) statutair bestuurder, is enig aandeelhouder van ECH. [eigenaar] is tevens voorzitter van de Raad van Commissarissen van ECH. 2.4 [ appellant 1] is statutair bestuurder van [appellant 2]. 2.5 Op grond van een op 9 februari 2011 tussen ECH en [appellant 2] gesloten managementovereenkomst is [appellant 1] met ingang van 14 februari 2011 statutair bestuurder geworden van ECH en met ingang van 1 januari 2012 van ECI. 2.6 Bij Remuneratiebesluit van 28 april 2011, getekend door [eigenaar] (remuneratiebesluit) is bepaald: Ennia Caribe Holding N.V. Resolved: to approve the compensation of [appellant 1], as managing Director of the company to be as follows: 1. 1. USD.300.000 fixed compensation to be paid in 12 monthly instalments, starting February 2011. 2. 2. An Annual bonus to be determined by the Chairman of the Board of Supervisory Directors, and approved by the Board of Supervisory Directors. 3. 3. The annual bonus for 2011 will be a minimum of USD 300.000. 4. [ 4. [appellant 1] is furthermore entitled to: a. a car allowance equal to nafls 40.000,= a year, b. cost of an pension plan based on the conditions applicable for directors of [ECH} and based on a salary of USD 300.000,- c. cost of the medical insurance for [appellant] and his wife for the medical plan applicable to the other directors of [ECH] d. other allowances payable to the directors of [ECH] 5. The management agreement (annex 1) to be entered with the management company of [[appellant 1 ]]. (…) 2.7 [ appellant 1] heeft over de jaren 2011 tot en met 2014 naast de vaste vergoeding jaarlijks een bonus ontvangen van USD 300.000 of meer. Daartoe gaf [eigenaar] als voorzitter van de raad van commissarissen van ECH de opdracht. 2.8 In opdracht van [appellant 1] zijn tussen 2 juni 2015 en 20 april 2018 vanuit Ennia c.s. de volgende bedragen, aangeduid als voorschotten op bonussen, aan [appellant 2] overgemaakt (het gaat om bedragen in NAf, dus in totaal NAf 2.387.500): Voorschotten bonus ) le ! ...,,, , _ Bedrag _,...... _ ............ Referentie . • . .. Entiteit _ .. 2-Jun-15 Exec Remun as agreed! [appellant 1] 546,000 VB.RP.01 ECH 28-Jan-16 Vs. Bonus [appellant 1] 75,000 VB.RP.02 ECH 5-Apr-16 prepayment Bonus/040416/[appellant 1] 75,000 VB.RP.03 ECH 25-May-16 Advance Bonus Payment/[appellant 1] 400,000 VB.RP.04 ECH 5-Dec-16 vs.bonus [appellant 1]/301116 150,000 VB.RP.05 ECH 4-Apr-17 Advance bonus/030417 75,000 VB.RP.06 ECH 11-May-17 Voorschot [appellant]/08051 7 55,000 VB.RP.07 ECH 22-May-17 Voorschot compensatie [appellant 1] 309,000 VB.RP.08 ECI 18-Sep-17 Voorschot 18092017/[appellant 1] 150,000 VB.RP.09 ECH 17-Oct-17 Voorschot [appellant 1]/16101 7 50,000 VB.RP.10 ECH 5-Jan-18 Advance bonus 2017 252,500 VB.RP.11 ECH 20-Apr-18 Advance [appellant 1]/190418 250,000 VB.RP.12 ECH Totale voorschotten bonus 2,387,500 2.9 [ appellant 1] had company creditcards van ECH en van ECI in gebruik. In de periode 2011-2018 zijn daarmee in elk geval afgeschreven (het gaat om bedragen in NAf): ECU ECI Totaal 149,785.29 522,274.63 2018 17,734.90 43,758.97 2017 4,365.65 59,610.10 2014 183,726.56 2013 108,282.97 2012 2011 264.19 - 2016 7,322.97 15,865.27 2015 11,814.60 219,313.73 Totaal Afrekening 672,059.91 (139,883.00) 61,493.87 63,975.75 23,188.24 231,128.33 (109,687.00) 183,726.56 (30,196.00) 108,282.97 264.19 Totaal na afrekening 532,176.91 61,493.87 63,975.75 23,188.24 121,441.33 153,530.56 108,282.97 264.19 2.10 In april 2016 heeft [appellant 1] op kosten van Ennia c.s. een Dodge Durango gekocht. Op 31 januari 2017 heeft hij die auto overgenomen tegen de toenmalige boekwaarde van NAf 97.112. 2.11 Op 4 januari 2016 heeft ECH NAf 40.000 aan [appellant 2] betaald inzake autovergoeding. [appellant 2] heeft in 2017 en in 2018 aan ECH telkens een bedrag van NAf 26.500 aan ECH gefactureerd aan autovergoeding. 2.12 In de periode 2015-2018 is vanuit ECH in totaal NAf 644.240 aan [appellant 2] overgemaakt voor ‘’huurvergoedingen’. 2.13 Op 15 november 2013 is vanuit ECH NAf 45.338 aan [appellant 2] overgemaakt inzake “securitykosten“. 2.14 In de periode 2011-2017 is vanuit ECH in totaal NAf 110.121 aan [appellant 2] overgemaakt voor ‘’overige huisvestingskosten’’. 2.15 De Centrale Bank van Curacao en Sint Maarten (CBCS) heeft op grond van art. 31 lid 3 sub a LTV per 1 oktober 2016 twee stille curatoren benoemd bij ECL. Als gevolg hiervan was voorafgaande toestemming van de CBCS nodig voor onder meer: "Alle (geldelijke) transacties met directeuren, senior management, commissarissen of aandeelhouders waaronder ook bonussen en gratificaties met uitzondering van salarissen." 2.16 Op verzoek van de CBCS heeft het Gerecht bij beschikkingen van 4 en 6 juli 2018 ten aanzien van (onder andere) ECH en ECI de noodregeling, bedoeld in artikel 60 lid 1 LTV, uitgesproken. 2.17 De CBCS heeft bij schrijven van 7 juli 2018 met toepassing van artikel 63 lid 5 LTV (op grond waarvan de CBCS de bevoegdheid heeft bij toepassing van de noodregeling de zittende bestuurders te ontslaan) ontslag aangezegd van [appellant 1] als statutair directeur van zowel ECH als ECI per 13 augustus 2018. In de brief is meegedeeld dat aan [appellant 1] bijzonder betaald verlof wordt verleend tot aan de beëindiging van zijn contract, "zijnde 13 augustus 2018". 2.18 Ennia c.s hebben op 10 juni 2019 conservatoir (derden)beslag laten leggen onder diverse aan [appellant 1] gelieerde vennootschappen en op aandelen die [appellanten] in die vennootschappen houden en op 25 juni 2019 onder nog een aantal andere aan [appellant 1] gelieerde vennootschappen en op onroerend goed van [appellant 1]. 2.19 Op 20 mei 2021 heeft [appellant 1] aan [bestuurder] gemaild: "Ennia is challenging two aspects in particular: Allowances paid to me. The allowances paid to me concerned a housing allowance, allowance for telephone connection at home, and utility expenses. This allowance was calculated taking into account the allowances of all the other directors. Certain medical expenses for me and my wife. Also with regard to medical expenses, the amounts paid to me was in line with the expenses paid for any other managing director of the group. Over the years until 2014 I received a bonus of at least US$ 300.000 approved by the Chairman of the supervisory board. These bonusses were an integral part of my compensation. The total amount received was in line with your compensation, and the compensation of the other directors. For 2015, 2016 and 2017 due to delay in the audit of the financial statements, no formal decision of the bonusses were made. In consultation with the Chairman of the Supervisory board, the CFO, and yourself I have asked to pay the amount of US$ 300.000 for 2015 — 2017 since this was an integral part of my compensation. Absent these payments my compensation would amount to an amount which would be significantly lower than your compensation, the compensation of the CEO of BDC who reported to me. During a meeting on June 20 2018 at the Renaissance Hotel, in your presence I discussed this situation with the Chairman of the board. He confirmed that these payments were correct." 2.20 [ bestuurder] heeft diezelfde dag per e-mail aan [appellant 1] bericht: ‘’The below email is correct’’. 3 De vordering en beslissing van het Gerecht 3.1 In deze rechtszaak heeft Ennia c.s. gevorderd dat [appellanten] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van NAf 3.878.958, te vermeerderen met rente en kosten. 3.2 [ appellanten] heeft op zijn beurt gevorderd de veroordeling van Ennia c.s. tot betaling van US$ 39.516 (als vergoeding over de opzegtermijn) en US$ 189.041 (als bonus over 2018) en (een bevel tot) opheffing van de gelegde conservatoire beslagen. 3.3 Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen in conventie toegewezen tot een bedrag van NAf 3.318.551 met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. De vorderingen in reconventie heeft het Gerecht toegewezen tot het bedrag van de vergoeding over de opzegtermijn, met compensatie van de proceskosten. Voor het overige zijn de vorderingen afgewezen. 4 De beoordeling in hoger beroep 4.1 De grieven I tot en met XI zijn gericht tegen de beslissing in conventie, de laatste grief betreft de afwijzing van de vorderingen in reconventie. Grief I: onderscheid eisende partijen 4.2 Met de eerste grief stelt [appellanten] aan de orde dat het Gerecht ten onrechte is voorbij gegaan aan het verweer van [appellanten] dat Ennia c.s. geen onderscheid maakt tussen ECI en ECH wat betreft de verschillende vorderingen. Voor zover [appellanten] bedoelt te stellen dat niet duidelijk is, kort gezegd, wie wat te vorderen heeft van [appellanten] en dat [appellanten] daardoor in zijn verdediging wordt bemoeilijkt, verwerpt het Hof dat verweer als onvoldoende onderbouwd. [appellanten] voert dit verweer in het algemeen, zonder ook zelf duidelijk te maken per vordering dat niet ECI maar ECH (of andersom) als schuldeiser moet worden aangemerkt en zonder aan te voeren waarom hij daardoor in zijn belang wordt geschaad. Gelet op de feiten en omstandigheden van deze zaak ligt dit wel op zijn weg. [appellant 1] is immers bestuurder geweest zowel van ECI als van ECH, die beide onderdeel waren van de Ennia-groep. Als bestuurder moet het [appellant 1] duidelijk zijn geweest namens welke vennootschap betalingen werden gedaan en als dat niet zo was, dan lag dat aan hem of aan het administratief beheer dat onder zijn leiding heeft plaatsgevonden. Als dat administratieve beheer slecht was (volgens Ennia c.s. “een administratieve chaos” ) is dat tevens een rechtvaardiging voor het feit dat Ennia c.s bij haar vorderingen geen onderscheid heeft kunnen maken. Overigens kan het Hof uit de stukken wel afleiden hoe het zit: in opdracht van [appellant 1] zijn namens elk van beide vennootschappen betalingen aan hem en/of aan [appellant 2] gedaan. [appellanten] beschikte over een creditcard van ECI en een creditcard van ECH. [appellant 1] heeft met beide creditcards uitgaven gedaan. De autovergoeding is betaald door ECH evenals de medische kosten en de huurvergoeding. Grief I slaagt niet. Grief II: beroep op verjaring 4.3 De vorderingen van Ennia c.s. zijn gebaseerd op onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad. Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden, een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. 4.4 [ appellanten] heeft aangevoerd dat de vorderingen van Ennia c.s. steeds voortvloeien uit afzonderlijke betalingen, zodat ieder feitelijk betaalmoment geldt als aanvang van een verjaringstermijn. Ennia c.s. heeft dit betwist en heeft onder verwijzing naar Hoge Raad 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413 het volgende aangevoerd. Gezien het feit dat [appellant 1] bestuurder was van ECH en ECI en hij, samen met zijn medebestuurders, als enige in staat was de vorderingen waar het hier over gaat in te stellen, maar dat heeft nagelaten, is de verjaringstermijn op zijn vroegst gaan lopen toen de noodregeling (zie 2.16) werd uitgesproken en [appellant 1] en zijn medebestuurders niet meer aan het roer stonden. 4.5 Het Hof gaat er inderdaad vanuit dat eerst op dat moment, toen ook [appellant 1] als bestuurder het veld moest ruimen, binnen Ennia c.s duidelijk is geworden dat [appellanten] jarenlang betalingen – al dan niet gedaan in zijn opdracht – en vergoedingen had ontvangen zonder dat daarvoor een rechtsgrond aanwezig was. Dat dit in de bestuurscultuur vóór de noodregeling gebruikelijk was (en dus, in de visie van [appellanten], in orde), maakt dat niet anders. Integendeel: het maakt de stelling dat binnen Ennia c.s. al eerder actie kon worden ondernomen om onverschuldigde betalingen terug te vorderen des te ongeloofwaardiger; immers in de visie van de destijds aan het roer zittende bestuurders was van onverschuldigde betaling of onrechtmatig handelen geen sprake, zodat enige actie van hun kant niet was te verwachten. De wetenschap van [appellanten] over het moment van de betalingen kan onder deze bijzondere omstandigheden niet aan Ennia c.s. worden toegerekend. Het is nu juist deze gang van zaken binnen Ennia c.s., met [appellant 1] als een van de belangrijkste bestuurders, die de aanleiding is geweest om de noodregeling uit te spreken. De conclusie is dat het beroep op verjaring en daarmee ook grief II niet slaagt. Grief III: schending klachtplicht 4.6 Ennia c.s. baseert haar vordering op onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad. Hoe in die rechtsverhouding de (schending van een) klachtplicht een rol kan spelen is het Hof niet duidelijk. En voor zover al sprake zou zijn van een klachtplicht verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor bij Grief II over de verjaring is overwogen. Ennia c.s. konden niet eerder klagen dan na het uitspreken van de noodregeling in 2018, omdat gelet op de standpunten en houding van [appellanten], ook in deze procedure, niet aannemelijk is dat [appellanten] dan wel een van zijn medebestuurders geklaagd zouden hebben over onverschuldigde betalingen; daarvan was in hun visie immers in het geheel geen sprake. Dat Ennia c.s in 2019 (naar valt aan te nemen na een periode van onderzoek) actie heeft ondernomen tegen [appellanten] is dus niet te laat. Grief III faalt dus eveneens. Grief IV: décharge 4.7 Ook in hoger beroep blijft [appellanten] in gebreke om enige onderbouwing van de gestelde décharge te geven. Er zijn geen déchargebesluiten overgelegd, noch jaarstukken, noch correspondentie waaruit zou blijken voor welke vorderingen er precies décharge zou zijn verleend. Ook al zou moeten worden aangenomen dat er steeds naar aanleiding van jaarstukken in algemene zin décharge is verleend voor gevoerd beleid, betekent dat nog niet dat die décharge zich ook uitstrekt tot de betalingen die in deze zaak aan de orde zijn, dit gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de verhoudingen binnen Ennia c.s toen [appellant 1] bestuurder was. Ook daarom moet het beroep op decharge worden verworpen. Grief IV slaagt niet. Grief V: (voorschotten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.