BURGERLIJKE ZAKEN 2008 VONNIS NO. Registratienrs. AR 3/06– H. 332/07 Uitspraak: 29 augustus 2008 VONNIS GEWEZEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA in de zaak van: [appellant], wonend op [woonplaats], oorspronkelijk eiser, thans appellant, gemachtigde: mr. Errol J. Maduro, tegen de openbare rechtspersoon HET EILANDGEBIED SINT EUSTATIUS, zetelend op Sint Eustatius, oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. B.G. Hofman. Partijen worden hierna aangeduid als [appellant] en het Eilandgebied. Het verloop van de procedure 1.
- Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, (GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met AR nummer 3 van 2006 gewezen en op 20 februari 2007 uitgesproken vonnis. De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd. 1.
- [appellant] is bij akte van appel, ingekomen op 26 maart 2007, in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. In een afzonderlijke memorie, ingekomen op 3 mei 2007, met producties, heeft hij vijf grieven voorgedragen en toegelicht en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering in prima alsnog zal toewijzen, met veroordeling van het Eilandgebied in de kosten van het geding in beide instanties. 1.
- Het Eilandgebied heeft in een memorie van antwoord het appel bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, kosten rechtens. 1.
- Op 1 februari 2008 heeft [appellant] een akte ter rolle tot vermindering van eis, met producties, ingediend. 1.
- Op 9 mei 2008 hebben de gemachtigden van partijen schriftelijk gepleit door overlegging van pleitaantekeningen, met op voorhand toegezonden producties. 1.
- Partijen hebben om vonnis gevraagd en een heden uit te spreken vonnis is aangezegd. 2 De gronden van het hoger beroep Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar de memorie van grieven. 3De feiten Het GEA heeft onder 1 van het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Deze zijn niet in geschil en ook het Hof zal van de juistheid ervan uitgaan. 4Beoordeling 4.
- Het gaat om de vraag of [appellant] door verjaring eigenaar is geworden van het perceel grond bekend als [het perceel] of [het perceel] (ingetekend in productie 9 bij de akte ter rolle tot vermindering van eis in hoger beroep van 1 februari 2008). Het GEA heeft [appellant]s vordering afgewezen op de grond dat het bestaan van bezit door [appellant] of zijn rechtsvoorganger (onder algemene titel) niet voldoende gemotiveerd is gesteld. Tegen deze afwijzing richt zich het hoger beroep. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen, behoudens wat betreft de omvang van de grond waarop de door [appellant] gepretendeerde eigendomsverkrijging betrekking heeft, en kunnen gezamenlijk worden behandeld. 4.
- Vast staat dat het Land de Nederlandse Antillen en vervolgens het Eilandgebied te eniger tijd eigenaar waren en dat [appellant] zich niet kan beroepen op verkrijging nadien onder bijzondere titel waarvoor inschrijving in de openbare registers vereist is; [appellant] zal daarom de feiten dienen te bewijzen waarop zijn verkrijging door verjaring berust (artikel 3:119 lid 2 BW). Daarmee ligt ook het risico dat die feiten onbewezen blijven bij [appellant]. 4.
- [ [appellant] of zijn voorganger waren niet te goeder trouw. Onder het oude Burgerlijk Wetboek kon een bezitter die niet te goeder trouw was nimmer door verkrijgende verjaring de eigendom verwerven (HR 1 april 1971, NJ 1972, 115 inzake plantage Blaauw; en HR 8 september 2000, NJ 2000, 629 inzake plantage Gato), ook al was de rechtsvordering van de eigenaar tot beëindiging van het bezit na dertig jaren bevrijdend verjaard. 4.
- Onder het nieuwe, huidige, recht is dit veranderd. [appellant] zal naar huidig recht moeten bewijzen dat de verjaring van de rechtsvordering van het Eilandgebied strekkende tot beëindiging van bezit voltooid is en dat hij of zijn voorganger op dat moment de grond in bezit had (artikel 3:105 lid 1 BW). Een rechtsvordering tot beëindiging van bezit verjaart twintig jaren na de dag waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 jo artikel 3:306 BW). 4.
- Naar het voorlopig oordeel van het Hof heeft het GEA terecht geoordeeld dat de rechtsvordering van het Eilandgebied tot bezitsbeëindiging niet verjaard is aangezien uit de door [appellant] aangevoerde stellingen niet volgt dat hij of zijn voorganger bezitter was. 4.
- Nodig is dat v of zijn voorganger zich zodanig moet hebben gedragen hebben dat het Eilandgebied daaruit niet anders kon afleiden dan dat deze pretendeerde eigenaar te zijn. Of men bezitter is geworden moet naar verkeersopvattingen worden beoordeeld, onder meer op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). De gesteldheid en de (in het verleden geringe) waarde van de zaak mogen mede een rol spelen (HR 10 juni 1983, NJ 1984, 294, rov. 5.5 in de Sint Maartense zaak Tridon e.a. en Damoiseau e.a. v. Island GEM Enterprises). 4.
- In de onderhavige zaak gaat het om een vrij groot onomheind terrein, merendeels bestaande uit heuvels en zeer weinig vlak land (ca. 110 hectare, zijnde ca. 5% van de totale oppervlakte van Sint Eustatius) waarvan, zo mag worden aangenomen, de gebruiksmogelijkheden beperkt zijn; inmiddels is [het perceel] door het Eilandgebied aangewezen als gezichtsbepalend natuurlandschap in de zin van de Verordening bescherming flora en fauna (Conclusie van Antwoord). Het is een feit van algemene bekendheid dat men in de Nederlandse Antillen op grote schaal, in elk geval in het verleden, vee (in het bijzonder geiten) liet grazen op dit soort open overheidsgrond en ook anderszins die grond gebruikte. De gedachte was dat het ging om gemeenschapsgrond en dat het de leden van die gemeenschap vrijstond daarvan gebruik te maken. De overheid gedoogde zulks (anders dan een particuliere grootgrondbezitter zou doen), althans zolang de overheid de grond niet zelf nodig had. Als de overheid al een geldelijke vergoeding verlangde was deze over het algemeen betrekkelijk laag; zo betaalden volgens het Eilandgebied (Conclusie van antwoord, onder 6) – hetgeen overigens door [appellant] is betwist – de voorganger van [appellant] en [appellant] tot het einde van de jaren tachtig jaarlijks NAF. 50,= voor het hele gebied (van meer dan 2 miljoen m2). Het voorgaande gold ook op het kleinschalige Sint Eustatius waar iedereen elkaar kende en op elkaar was aangewezen. 4.
- De gebruikers van overheidsgronden als de onderhavige waren, naar verkeersopvattingen, hooguit – bij uitoefening van voldoende macht – houders voor de overheid, ook als zij geen vergoeding betaalden en hun gebruik een min of meer exclusief karakter had gekregen. Het vermoeden van artikel 3:109 BW geldt in zo’n geval als weerlegd. 4.
- Wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor de eigenaar te houden, gaat men daarmee onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van de eigenaar, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (artikel 3:111 BW). 4.
- [ [appellant] heeft gesteld een put, veekoralen, waterdammen te hebben gebouwd en vee te hebben gehoed, wegen te hebben aangelegd en delen van de grond te hebben beplant. Volgens de overgelegde schriftelijke verklaringen (producties bij akte ter rolle tot vermindering van eis in hoger beroep) had [appellant] met een tractor (bulldozer) het terrein ontsloten door een weg te graven van Zeelandia tot [het perceel]; hij had een hek geplaatst bij de ingang en men zou toestemming van [appellant] gevraagd hebben om over de grond te gaan (op weg naar de baaien); ook ambtenaren zouden toestemming hebben gevraagd; voorts brandde [appellant] hout op het door hem gebruikte terrein en verkocht hij de houtskool; hem werd nimmer een strobreed in de weg gelegd. 4.
- Naar het voorlopig oordeel van het Hof zijn, gelet op het vorenoverwogene, deze stellingen onvoldoende om bezit te kunnen aannemen. De gestelde feiten, aangenomen dat zij juist zijn, zijn niet onverenigbaar met een houden voor de overheid (aanvankelijk het Land en vervolgens het Eilandgebied) als eigenaar, ook al zou [appellant], zoals hij stelt, voor het gebruik van [het perceel] (in tegenstelling tot het gebruik van Zeelandia, Solitude en Gilboa) nimmer iets hebben betaald. De feiten leveren naar verkeersopvattingen geen initieel bezit en evenmin een ‘tegenspraak’ als bedoeld in artikel 3:111 BW op. 4.
- Uit het voorgaande volgt ook dat bewijslevering overbodig is ten aanzien van de – door [appellant] weersproken – gedocumenteerde stelling van het Eilandgebied dat [appellant]s voorganger en [appellant] jaarlijks een vergoeding betaalde ook voor [het perceel] (prod. 4-5 CvA) en op 20 januari 1992 een aanvraag deed ‘for the rent or lease of land at the [het perceel] aerea’ (productie 5 bij CvA). 4.
- [ [appellant] krijgt de gelegenheid bij akte op het bovenstaande te reageren. Op deze akte zal het Eilandgebied kunnen reageren. 5Beslissing Het Hof: - laat [appellant] toe de in rov. 4.13 bedoelde akte te nemen; - verwijst daartoe naar de rolzitting van 31 oktober 2008; - houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, L.J. de Kerpel-van de Poel en F.J.P. Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2008 op Sint Maarten, in tegenwoordigheid van de griffier.