UITSPRAAK: 13 januari 2009 ZAAKNR.: AR 271, 473 en 475/03-H-12/08 HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA Vonnis in de zaak van: [appellant], wonende op Curaçao, voorheen gedaagde in zaak 271/03 en eiser in zaken 473 en 475/03, thans appellant, gemachtigde: mr. E.A. Knoppel, tegen de naamloze vennootschap ADELISIA RESORT N.V., gevestigd op Curaçao, voorheen eiser in zaak 271/03 en gedaagde in de zaken 473 en 475/03, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. R.P. Koeijers. 1. Het verloop van de procedure Voor hetgeen in eerste aanleg in de door het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (verder: het GEA) gevoegde zaken 271, 473 en 473/03 is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het GEA, wordt verwezen naar het in zaak 271/03 op 15 maart 2004 gewezen tussenvonnis, naar de in de zaken 473/03 en 475/03 op 1 maart 2004 afzonderlijk gewezen tussenvonnissen en naar het in de drie gevoegde zaken op 14 mei 2007 gewezen eindvonnis. De inhoud van die vonnissen geldt als hier ingevoegd. [appellant] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 14 mei 2007 door indiening op 22 juni 2007 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij op 3 augustus 2007 ingediende memorie van grieven heeft hij 23 grieven aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep met het verzoek om, opnieuw rechtdoend, de vorderingen in de procedure 473 en 475/03 toe te wijzen en de vordering in de procedure 271/03 af te wijzen, een en ander met veroordeling van Adelisia in de kosten van de procedure. Adelisia heeft een memorie van antwoord genomen waarin zij heeft geconcludeerd tot verwerping van de grieven en tot bevestiging van het beroepen vonnis met veroordeling van [appellant] in de kosten van het appel. Op de voor het pleidooi bepaalde dag heeft [appellant] gepleit overeenkomstig de tekst van het overgelegde pleidooi en heeft Adelisia gepleit overeenkomstig de tekst van de overgelegde pleitaantekening waarna vonnis is gevraagd. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. 2. Ontvankelijkheid [appellant] is tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen van het door hem bestreden vonnis, zodat hij daarin kunnen worden ontvangen. 3. Grieven Voor de ingediende grieven verwijst het Hof naar de memorie van grieven. 4. Beoordeling 4.1 De grieven 1, 7, 13, 19 en 20 hebben onvoldoende inhoud om te kunnen worden beoordeeld, zodat het Hof aan die grieven voorbijgaat. 4.2 De grieven 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 11 en 14 klagen allen over de wijze waarop het GEA het bewijs heeft gewaardeerd. Ter onderbouwing van die grieven wijst [appellant] op de verschillende belangen die de getuigen die niet in zijn voordeel hebben verklaard, hebben bij een voor Adelisia gunstige uitslag in alle drie zaken. Het enkele feit dat die getuigen belangen hebben bij een bepaalde uitkomst, doet niet zonder meer af aan hetgeen zij onder ede hebben verklaard. Anders dan de toelichting op deze grieven aanvoert, zijn er eigenlijk geen getuigen gehoord die in het geheel geen belang hebben in deze zaak. Dit betekent echter niet zonder meer dat de door die getuigen afgelegde verklaringen niet juist zouden zijn. De toelichting op deze grieven ziet verder over het hoofd dat het juist [appellant] is die in alle zaken bewijs dient te leveren. Zelfs als het Hof de verklaringen van de getuigen die volgens [appellant] belang hebben bij, kort gezegd, verlies van hem in deze zaak, behoedzaam gebruikt, brengt dit nog niet mee dat [appellant] voldoende bewijs heeft geleverd voor hetgeen hem was opgedragen te bewijzen. Voor het overige kan het Hof zich vinden in de wijze waarop het GEA de verklaringen heeft gewaardeerd en neemt het Hof deze over en tot de zijne. De genoemde grieven worden dus verworpen. 4.3 Het oordeel van het Hof inhoudende dat het Hof zich schaart achter de wijze waarop het GEA het bewijs heeft gewaardeerd, brengt met zich dat het GEA terecht tot het oordeel is gekomen dat de vervreemding aan [appellant] nietig verklaard moet worden. Grief 6 wordt dus verworpen. 4.4 Het oordeel van het Hof inhoudende dat het Hof zich schaart achter de wijze waarop het GEA het bewijs heeft gewaardeerd, brengt ook met zich dat het GEA terecht tot het oordeel is gekomen dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is omdat een valse of voorgewende reden niet is komen vast te staan. Dit betekent dat ook grief 12 wordt verworpen. 4.5.1 Met de grieven 15 en 16 wordt geklaagd tegen het oordeel van het GEA dat geen andere, voldoende gemotiveerde, gronden voor de ongeldigheid, nietigheid of vernietigbaarheid van de in de vergaderingen van 1 oktober en 9 december 2002 genomen besluiten zijn aangevoerd. [appellant] stelt wat deze grief betreft terecht dat hij de nodige besluiten concreet heeft genoemd en wel in zijn op 24 mei 2004 in de zaak 475/03 genomen akte. Van de in die akte genoemde, en door [appellant] aangevallen besluiten, heeft hij tegen twee andere besluiten voldoende gemotiveerd geageerd en wel het besluit waarbij aan [degene die geld leent] een renteloze lening is verstrekt en het besluit waarbij alle huurschulden van de aandeelhouders betreffende percelen en/of huizen ontstaan als gevolg van door Adelisia Resort NV opgelegde huurverhogingen aan de aandeelhouders worden kwijtgescholden. Mede bezien in het licht van het feit dat Adelisia min of meer een “familie-rechtspersoon” is en de doelomschrijving zoals vermeld in art. 2 van de oprichtingsakte van Adelisia (overgelegd als productie 1 bij repliek), heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat het leningsbesluit op zich ongeldig, nietig of vernietigbaar is. Eén en ander geldt echter niet voor zover is besloten om het bedrag van NAF 15.000,- renteloos te lenen en voor zover is besloten om alle huurschulden van de aandeelhouders betreffende percelen en/of huizen ontstaan als gevolg van door Adelisia Resort NV opgelegde huurverhogingen aan de aandeelhouders kwijt te schelden. Voor de gegeven renteloosheid en de kwijtschelding geldt namelijk eerder het omgekeerde. Het renteloos lenen aan slechts één van de aandeelhouders en het kwijtschelden van huurachterstanden die slechts enkele aandeelhouders hebben terwijl onweersproken is dat onder andere aandeelhouder [appellant] zich daar gemotiveerd tegen heeft verzet, valt buiten de normale gang van zaken van de rechtspersoon, zodat juist bij zo’n besluit duidelijk moet worden dat bij het nemen ervan voldoende rekening is gehouden met de gerechtvaardigde belangen van met name minderheidsaandeelhouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.