← Nederland

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BN0533

HLAR 018/09 Datum uitspraak: 18 december 2009 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA Uitspraak op het hoger beroep van: […], appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 17 december 2008 in zaak nr. 1285 van 2008 in het geding tussen: appellant en de minister van Vreemdelingenzaken.

  1. Procesverloop Bij beschikking van 15 maart 2007 heeft de minister van Vreemdelingenzaken (hierna: de minister) een verzoek van de naamloze vennootschap Saint A. Contractors N.V. om appellant (hierna: de vreemdeling) een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen. Bij beschikking van 13 maart 2008 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 december 2008 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij het Hof ingekomen op 28 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.D. van Wilgen, werkzaam in dienst van het land, is verschenen.
  2. Overwegingen 2.
  3. De vreemdeling betoogt dat het Gerecht, door het door hem ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, heeft miskend dat hij daarbij belang heeft. 2.1.
  4. De vreemdeling kon tegen de beschikking van 13 maart 2008 beroep instellen bij het Gerecht. Dat de vreemdeling, zoals het Gerecht heeft overwogen, drie jaren krachtens een vergunning tot tijdelijk verblijf hier te lande heeft verbleven, brengt niet met zich dat de vreemdeling geen belang had bij het door hem ingestelde beroep. Nu ook anderszins geen grond bestond om dat te doen, heeft het Gerecht het beroep ten onrechte niet ontvankelijk verklaard. Het betoog slaagt. 2.
  5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het Hof zal de zaak evenwel niet naar het Gerecht terugverwijzen, nu het bij het Gerecht ingestelde beroep, waarin, kort samengevat, is aangevoerd dat de vreemdeling ten onrechte niet door de bezwaaradviescommissie is gehoord en de minister bij de beschikking op het verzoek om een vergunning tot tijdelijk verblijf ten onrechte de Landsverordening toelating en uitzetting, zoals deze sinds 1 juli 2006 luidt, heeft toegepast, kennelijk ongegrond is. Daartoe wordt als volgt overwogen. 2.
  6. Volgens het door de minister gevoerde beleid, vermeld in de Nota Vreemdelingenbeleid van 24 juni 2002, voor zover thans van belang, wordt aan vreemdelingen, behoudens bijzondere gevallen, voor het verrichten van arbeid in loondienst geen langer verblijf hier te lande toegestaan dan in totaal drie jaar. 2.3.
  7. Niet in geschil is dat de minister bij beschikking van 17 februari 2003 aan de vreemdeling een vergunning tot tijdelijk verblijf heeft verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst en de vreemdeling van 26 april 2003 tot 26 april 2006 krachtens zodanige vergunning hier te lande heeft verbleven. Nu de vreemdeling ten tijde van het geven van de beschikking op bezwaar drie jaar voor dat doel in Aruba had verbleven en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot afwijken van het gevoerde beleid kunnen nopen, staat dit aan verlening van de verzochte vergunning in de weg. Hetgeen in beroep is aangevoerd, kan dan ook niet leiden tot het ermee beoogde doel. 2.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  9. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, van 17 december 2008 in zaak nr. 1285 van 2008; III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak ingestelde beroep tegen de beschikking van de minister van Vreemdelingenzaken van 13 maart 2008, kenmerk crv-[crv-nummer], ongegrond; IV. gelast dat het land Aruba aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 (zegge: vijfenzeventig gulden) teruggeeft. Aldus vastgesteld door mr. H.L. Wattel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier. w.g. Wattel Voorzitter w.g. Martinez griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009 Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de griffier, voor deze,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.