UITSPRAAK: 29 januari 2010 ZAAKNRS: AR 46/2006 - H-310/2008 HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA Vonnis in de zaak van: 1. de naamloze vennootschap GIBSON & ASSOCIATES ADVOKATENPRAKTIJK N.V., 2. [R.G.], gevestigd respectievelijk wonende op Sint Maarten, eerst gedaagden in conventie, eisers in reconventie, thans appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, gemachtigden: mrs. A. Huizing en E.J.J. Huizing, tegen 1. de naamloze vennootschap SUNDANCE LEGALLY BLONDE ADVOCATENPRAKTIJK N.V., 2. [G.O.], gevestigd respectievelijk woonplaats gekozen hebbend op Sint Maarten, eerst eisers in conventie, verweerders in reconventie, thans geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. J.G. Snow. Partijen worden hierna aangeduid als Advocatenpraktijk Gibson en [R.G.] (gezamenlijk als Advocatenpraktijk Gibson c.s.), Sundance en [G.O.] (gezamenlijk als Sundance c.s.). 1. Het verdere verloop van de procedure 1.1 Het Hof verwijst naar zijn in deze zaak gewezen tussenvonnis van 28 augustus 2009. Daarbij is de zaak verwezen naar de rol teneinde partijen in de gelegenheid te stellen bij akte het in een andere zaak tussen partijen gewezen vonnis van het GEA van 24 april 2007 (AR 282/2005), waarnaar zij in deze procedure verwijzen, over te leggen. 1.2. Partijen hebben ieder een akte genomen, waarbij zij het bedoelde vonnis van het GEA hebben overgelegd. Daarna hebben zij wederom vonnis gevraagd. De uitspraak is nader bepaald op heden. 2. Verdere beoordeling van het hoger beroep 2.1. In het principaal hoger beroep gaat het om de reconventionele vordering van Advocatenpraktijk Gibson c.s. tot terugbetaling van het bedrag van US$ 143.996,02, althans US$ 39.996,02, vermeerderd met rente. Aan deze vordering hebben zij ten grondslag gelegd dat tussen partijen vanaf 13 maart 2004 geen arbeidsovereenkomst meer bestond maar een managementovereenkomst, die per 31 maart 2005 is beëindigd. Weliswaar hebben zij op 13 mei 2005 tijdens de behandeling van een kort geding een dading gesloten (waarbij is overeengekomen dat Gibson aan [G.O.] het loon van US$ 10.400,- per maand zal doorbetalen tot de datum waarop “de arbeidsovereenkomst” rechtsgeldig is geëindigd en Gibson een ontbindingsverzoek zal indienen), maar zij hebben daarbij gedwaald op grond van de achteraf onjuist gebleken voorlopige beslissing van de rechter dat nog steeds sprake was van een arbeidsovereenkomst. Zij stellen daarom vanaf 1 april 2005 geen enkele vergoeding meer aan Sundance c.s. verschuldigd te zijn geweest, zodat zij al hetgeen zij vanaf die datum hebben voldaan onverschuldigd hebben betaald. 2.2. In het vonnis van het GEA van 24 april 2007 in de bodemzaak met nr. AR 282/2006, dat tussen dezelfde partijen is gewezen (en een derde partij, die in de onderhavige procedure geen rol speelt), is voor zover hier van belang het volgende overwogen en beslist: “3.1. De vorderingen in conventie gaan deels er van uit dat er tussen Sundance c.s. en Advocatenpraktijk Gibson c.s. een arbeidsovereenkomst bestaat of heeft bestaan. Nog los van de vraag of een arbeidsovereenkomst tussen al deze natuurlijke en rechtspersonen bestaanbaar is, is het gerecht van oordeel dat in deze zaak op 29 of 31 maart alleen sprake was van een managementovereenkomst tussen Sundance en Advocatenpraktijk Gibson. De arbeidsovereenkomst tussen [G.O.] en Advocatenpraktijk Gibson was toen al in onderling overleg beëindigd en in wezen vervangen door de managementovereenkomst met Sundance. Het gerecht sluit zich aan bij het oordeel van het Hof in zijn vonnis in kort geding van 23 juni 2003 (lees: 2006, Hof) waar dat beslist dat partijen kennelijk juist geen arbeidsovereenkomst meer wilden, maar de voorkeur gaven aan een managementovereenkomst tussen Sundance en Advocatenpraktijk Gibson. (…) 3.2. In het voetspoor van het Hof in bovengenoemd vonnis moeten de vorderingen (…) dus worden beoordeeld in het kader van de tussen (partijen) gesloten overeenkomst van 13 mei 2005, verder: de vaststellingsovereenkomst. Met het Hof is het gerecht van oordeel dat de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in die overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten meebrengt dat de contractspartijen gehouden zijn aan hetgeen de rechter in een ‘ontbindingsprocedure’ aan vergoeding zou vaststellen in het kader van de beëindiging van de managementovereenkomst; daaronder mede begrepen de tweede ‘ontbindingsprocedure’. Nu de vaststellingsovereenkomst is gesloten tussen enerzijds Sundance c.s. en anderzijds Advocatenpraktijk Gibson c.s. zijn in beginsel ook die partijen gehouden de overeenkomst na te komen. Dat in de overeenkomst wordt gesproken van “partij Gibson” en “partij [G.O.]” maakt dat niet anders omdat daarmee naar het oordeel van het gerecht, mede gezien de in die zaak procederende partijen die ook op het voorblad staan vermeld, kennelijk bedoeld is het geheel van eisers en verweerders aan te duiden. Daarbij speelt mede een rol dat in de sideletter bij de managementovereenkomst zowel [G.O.] als [R.G.] persoonlijk de nakoming van de overeenkomst garandeerden. Dat de eerste ontbindingsbeschikking is genomen naar aanleiding van een verzoek van Advocatenpraktijk Gibson met [G.O.] als gerekwestreerde doet daaraan evenmin in doorslaggevende mate af. De bedoeling van beide verzoekers was immers om, in het voetspoor van het voorlopig oordeel van de rechter, de contractuele band tussen alle betrokken partijen te verbreken en niet alleen een feitelijk door de managementovereenkomst vervangen arbeidsovereenkomst te doen ontbinden. (…) 3.5. De vaststellingsovereenkomst leidt er naar het oordeel van het gerecht toe dat Advocatenpraktijk Gibson en [R.G.] hoofdelijk verplicht zijn de door het gerecht vastgestelde ontbindingsvergoeding te betalen. Zoals ook het Hof overwoog onder 4.4 van het vonnis in kort geding stond het Advocatenpraktijk Gibson niet meer vrij het ontbindingsverzoek in te trekken. Nu zij dat toch heeft gedaan en Sundance c.s. hebben verplicht hunnerzijds een procedure tot ontbinding van de overeenkomst aanhangig te maken, dienen Advocatenpraktijk Gibson c.s. voor de gevolgen daarvan onder de vaststellingsovereenkomst ook op te draaien. Onder I van het petitum vorderen Sundance c.s. te verklaren voor recht dat Advocatenpraktijk Gibson c.s. de in de door Sundance c.s. aanhangig gemaakte ontbindingsprocedure ex art. 1614w BWNA vastgestelde vergoeding hoofdelijk zullen zijn verschuldigd. Jegens Advocatenpraktijk Gibson en Gibson c.s. is die vordering dus toewijsbaar. 3.6. Voor zover het ‘loon’ tot 1 februari 2006 nog niet is betaald aan Sundance c.s. moet dat nog gebeuren. In dat opzicht slaagt de vordering onder B. Het vonnis van het Hof van 23 juni 2006 in kort geding veroordeelde Advocatenpraktijk Gibson en [R.G.] al om US$ 10.3400,- vanaf april 2005 tot en met januari 2006 te betalen. Hoewel daaraan kennelijk voldaan is, hebben Sundance c.s. formeel nog voldoende belang bij een verklaring voor recht in deze bodemprocedure met betrekking tot deze betalingsverplichting. (…)” Op grond van het voorgaande heeft het GEA in voormeld vonnis voor recht verklaard dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.