RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN Zittingsplaats Bonaire Uitspraak op het hoger beroep van [appellant], wonend op Bonaire, appellant, gemachtigde: mr. C.A. Peterson, advocaat, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Bonaire, in zaaknr. GAZ 2014/2, in het geding tussen: appellant en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, geïntimeerde, gemachtigde: mr. T.J. Leijsen, advocaat. Procesverloop Bij beschikking van 18 juni 2014 heeft geïntimeerde appellant primair de straf van ontslag uit ’s Rijks dienst met ingang van 20 juni 2014 opgelegd en subsidiair ontslag verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken (het ontslagbesluit) Bij uitspraak van 18 mei 2015 (de aangevallen uitspraak) heeft het Gerecht het daartegen door appellant gerichte bezwaar niet-ontvankelijke verklaard. Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant beroep ingesteld bij de Raad. Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend. De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november
- Daar is appellant verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich daar doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam], werkzaam voor het betrokken ministerie. Overwegingen
- De Raad stelt voorop dat hij het verweer van geïntimeerde dat het appel nietontvankelijk moeten worden verklaard omdat het beroepschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn van 30 dagen zou zijn ingediend, niet volgt. Al ervan uitgaande dat de aangevallen uitspraak inderdaad op 18 mei 2015 werd verzonden, moet worden vastgesteld dat de laatste dag van de beroepstermijn 17 juni 2015 was. Dat is de dag dat het beroepschrift bij de griffie van het Gerecht en dus tijdig is ingediend.
- Het betoog van appellant dat het Gerecht bij de aangevallen uitspraak ten onrechte ervan is uitgegaan dat geïntimeerde bij schrijven van 8 november 2013 hem kennis heeft gegeven van een voornemen tot strafoplegging als bedoeld in artikel 95, eerste lid van de War 1951 BES, waartegen hij op grond van het tweede lid van dat artikel binnen 14 dagen na ontvangst bezwaar had moeten maken bij het Gerecht, slaagt. Naar het Gerecht niet heeft onderkend, kan het schrijven van geïntimeerde van 8 november 2013 aan appellant niet worden aangemerkt als een kennisgeving als bedoeld in het vermelde artikel 95, eerste lid. Dit volgt reeds uit het slot van dit schrijven, waaruit blijkt dat appellant de gelegenheid wordt geboden zich in overeenstemming met artikel 81, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES tegenover geïntimeerde te verantwoorden, alvorens tot definitieve strafoplegging wordt overgegaan. Ook blijkens het ontslagbesluit is de reguliere procedure gevolgd en niet de bijzondere procedure van meer vermeld artikel
- Overigens zou ook het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule onder het schrijven van 8 november 2013 in de weg staan aan het tegenwerpen aan appellant dat hij verwijtbaar nagelaten zou hebben daartegen bezwaar te maken bij het Gerecht.
- De slotsom is dat het Gerecht het bezwaar tegen het ontslagbesluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met toepassing van artikel 127, eerste lid, van de War 1951 BES zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen met ontvankelijk verklaring van het bezwaar en de zaak naar het Gerecht terugwijzen om te worden hervat in de stand waarin zij zich bevond.
- De Raad ziet geen termen voor een proceskostenveroordeling. De vraag of een proceskostenveroordeling is aangewezen, is afhankelijk van de nog volgende inhoudelijke toetsing van het ontslagbesluit. Zou daaruit volgen dat een proceskostenveroordeling is aangewezen, dan zouden daarbij ook de kosten van deze procedure betrokken kunnen worden. Beslissing De Raad: vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het bezwaar alsnog ontvankelijk; en wijst dat de zaak terug naar het Gerecht om te worden hervat in de stand, waarin zij zich bevond. Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mrs. J. Sybesma en L.C. Hoefdraad, leden, en in het openbaar uitgesproken 1 februari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.