Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (Rar) Uitspraakdatum: 10 november 2017 Zaaknummer: CUR2014H00008 (voorheen: 2014/65255) RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN Zittingsplaats Curaçao Uitspraak op het hoger beroep van […], wonend in Curaçao, appellante, gemachtigde: mr.R.P. Koeijers, advocaat, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 30 oktober 2014, in zaaknr. GAZ 2013/65255, in het geding tussen: appellante en de Minister van Justitie, geïntimeerde, gemachtigde: mr. L.M. Virginia, advocaat. Procesverloop Bij besluit van 18 september 2013 (de afwijzing) heeft geïntimeerde het namens appellante gedane verzoek van 9 juli 2013 (het verzoek) om haar met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009 te bevorderen naar schaal 7p, afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het daartegen door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend. De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september
- Appellante werd daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde en geïntimeerde door zijn gemachtigde. Overwegingen Ambtshalve oordeel over het tot beslissen bevoegde gezag
- De Raad stelt ambtshalve voorop dat hij van oordeel is dat niet geïntimeerde, maar de Regering van Curacao (de Regering) bevoegd was te beslissen op het verzoek en overweegt daartoe als volgt. 1.1 Op grond van artikel 4, aanhef en onder a, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) is de Regering het bevoegde gezag over de ambtenaren. Op grond van artikel 3 van de Lma kan bij een landsverordening of uit kracht daarvan gegeven voorschriften daarvan worden afgeweken. Bij artikel 1 van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlands Antillen 2000 (P.B. 2000, no. 80; het BrKPNA) is geïntimeerde als het bevoegde gezag aangewezen. Die bepaling in een Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, biedt echter geen grondslag om af te doen aan het op grond van het rechtszekerheidsbeginsel geldende uitgangspunt dat over de aanstelling, bevordering en het ontslag van alle ambtenaren bij door de Regering vast te stellen Landsbesluit moet worden beslist. Blijkens de Nota van Toelichting op artikel 1 van het BrKPNA is dat door de wetgever ook niet beoogd, maar is daarmee beoogd het bevoegde gezag over de politieambtenaren alleen op onderdelen, met name ten aanzien van voor de politieambtenaar minder cruciale beslissingen, bij geïntimeerde neer te leggen. Uit voorgaande volgt dat de Raad thans van oordeel is dat de Regering bij Landsbesluit over benoeming, bevordering en ontslag van politieambtenaren dient te beslissen. 1.2 Nu de afwijzing van het verzoek evenzeer een beslissing over een bevordering van een politieambtenaar betreft, moet hier worden geoordeeld dat de bevoegdheid tot het geven van de afwijzing toekwam aan de Regering en niet aan geïntimeerde. De afwijzing is dan ook onbevoegd gegeven. Het Gerecht heeft dat niet onderkend en de afwijzing ten onrechte niet op die grond vernietigd. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd en doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal de Raad het bezwaar tegen de afwijzing alsnog gegrond verklaren en de afwijzing vernietigen. Ter zitting heeft de gemachtigde van geïntimeerde desgevraagd verklaard dat hij ook voor de Regering kan optreden en dat de Regering de rechtsgevolgen van de afwijzing voor haar rekening wil nemen. Daarmee is het bevoegdheidsgebrek geheeld, zodat de Raad in het navolgende zal bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de vernietigde afwijzing in stand te laten. Toetsing van de afwijzing
- Appellante is sinds 1 augustus 2003 als ambtenaar werkzaam als Medewerker Grensbewaking bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, en sedert 10 oktober 2010 bij het Korps Politie Curaçao. Laatstelijk werd zij per 1 januari 2005 bevorderd tot schaal 6p.
- Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij aanspraak heeft op bevordering naar schaal 7p per 1 januari 2009, omdat voor haar de carrièrelijn geldt zoals die zou zijn vastgesteld bij op 12 juni 2003 tussen de vakbond en de toenmalige Directeur Directie Justitiële Zaken, namens de toenmalige Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, gesloten overeenkomst (de overeenkomst). Volgens de overeenkomst moet voor bevordering tot schaal 7p de betrokken ambtenaar vier jaren ervaring hebben op het niveau van schaal 6p en goed zijn beoordeeld. Appellante heeft er daarbij op gewezen dat haar bevordering naar schaal 6p was gestoeld op de uitspraak van het Gerecht van 24 mei 2006, GAZ nr: 82/2005 (de eerdere uitspraak), waarbij werd uitgegaan van de uit de overeenkomst volgende carrièrelijn. Subsidiair heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel aanspraak heeft op de gevraagde bevordering, omdat 12 van haar collega’s in 2011/2012 ook naar schaal 7p zijn bevorderd.
- De Raad overweegt dat gebleken is dat de Raad van Ministers van de Nederlandse Antillen, zoals op 28 december 2009 vastgesteld door de toenmalige Minister-President, laatstelijk, met terugwerkende kracht tot 1 september 2009, een carrièrelijn voor Medewerker Grensbewaking (de carrièrelijn) heeft vastgesteld die ertoe strekt dat schaal 6p de eindschaal is. Wat er zij van de rechtskracht van de overeenkomst tot dan toe, onbestreden is dat sedert 1 september 2009 de carrièrelijn geldt. Nu het verzoek dateert van 9 juli 2013, terwijl appellante voordien een onherroepelijk geworden plaatsingsbesluit met ingang van 1 oktober 2010 heeft gehad waarbij is vastgelegd dat zij wordt bezoldigd naar schaal 6p, kan zij zich thans niet meer met vrucht beroepen op de toepassing van de overeenkomst met terugwerkende kracht tot 1 januari
- De eerdere uitspraak maakt dat niet anders, want die is niet bindend voor de te beantwoorden rechtsvragen in een nieuwe procedure. Het Gerecht heeft zich bij de aangevallen uitspraak daar dan ook, anders dan appellante meent, terecht niet aan gebonden geacht. Nu de carrièrelijn niet voorziet in bevordering naar schaal 7p, kan appellante daarop ook niet vanaf de datum van het verzoek aanspraak maken.
- Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan eiseres evenmin baten. Gebleken is dat die twaalf collega’s als groep (persoonsgebonden) zijn bevorderd tot senior medewerkers naar schaal 7p in verband met hun positie voor de reorganisatie in 2003, toen appellante nog niet in dienst was, en de omstandigheid dat zij de mentoren cursus hebben gevolgd. Appellante voldoet daaraan niet en kan dan ook reeds daarom geen aanspraak maken op een gelijke behandeling. Haar stelling dat twee van die twaalf collega’s net zomin als zij de mentoren cursus hebben gevolgd, maakt het voorgaande niet anders. Die zouden dan per abuis zijn bevorderd, maar dat schept geen verplichting voor de Regering om die fout te herhalen.
- De slotsom is dat de rechtsgevolgen van de afwijzing geheel in stand kunnen worden gelaten.
- De Raad ziet aanleiding om het land Curaçao te veroordelen in de proceskosten van appellante in appel als na te melden. Er bestaat geen grond om haar voor twee instanties proceskosten toe te kennen, omdat zij uiteindelijk materieel in het ongelijk wordt gesteld. Beslissing De Raad: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het bezwaar alsnog gegrond; vernietigt de afwijzing; bepaalt dat de rechtsgevolgen van de afwijzing geheel in stand blijven; veroordeelt het land Curaçao tot betaling aan appellante van haar proceskosten in appel tot een bedrag van NAf 1.400,- (zegge: duizendvierhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mrs. L. Hoefdraad en J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.